Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Le Beau corps de la mémoire. Aanwinsten MAC's

In 1997 kocht het Waalse Musée des Arts contemporains (MAC’s), dat toen nog in de steigers stond, zijn eerste werk: Les Registres du Grand-Hornu (1997) van Christian Boltanski. Deze imposante installatie, gewijd aan de mijnwerkers van Le Grand Hornu, bestaat uit een immense stapeling van verroeste blikken dozen met daarop foto’s en aantekeningen uit de registers van de mijn. Boltanski’s werk vormt als het ware de schakel tussen het oude en het nieuwe Grand Hornu, tussen de vergane glorie van het ‘industriële’ Wallonië en het culturele elan van het nieuwe Wallonië, dat met het MAC’s voor het eerste over een museum voor hedendaagse kunst beschikt.

Het imposante Les Registres du Grand-Hornu maakte een tijd geleden deel uit van de openingstentoonstelling L’Herbier et le nuage. Op dit moment loopt een tweede groepstentoonstelling in het MAC’s, een soort opvolger van de openingsmanifestatie, met een al even raadselachtige titel: Le Beau corps de la mémoire. Voor het eerst presenteert het MAC’s meerdere werken die definitief deel zullen uitmaken van het geheugen van de collectie. Daaronder Sighs Trapped by Liars 510-602 van Art & Language, een serie recente aquarellen van Günther Förg, het werk Unghia e foglie (1988) van Giuseppe Penone en twee werken van José Maria Sicilia, genaamd En Flor (2002) en Manuscrito de Sanlùcar de Barrameda (1992-1996). Laurent Busine, de directeur van het MAC’s, haalt vooral de werken van Boltanski, Penone en Sicilia aan om het profiel en de verzamelpolitiek van het museum te schetsen. Busine wil een ‘ander’ verhaal vertellen, een verhaal dat afwijkt van wat in de meeste Europese musea wordt gepresenteerd. Met zijn collectie- en tentoonstellingsbeleid wil hij zich distantiëren van een “universeel geldende geschiedenis van de kunst”. Hij wil geen kunsthistorische of theoretische betogen opdissen; zijn museum moet de wereld vooral “op een poëtische manier […] inventariseren”. Daarom wil het MAC’s zich toeleggen op “narratieve kunst” – het soort kunst dat, zo meent het museum zelf, meestal uit de boot valt: kunst die zich niet aan de “modernistische dogma’s” houdt en die de beschouwer verhalen durft te vertellen.

Een bezoek aan de tentoonstelling Le Beau corps de la mémoire leert echter dat niet de kunst maar vooral de curator verhalen vertelt. Het ‘geheugen’ is in dit geval geweven uit de wollige gedachtebrij van Busine. Le Beau corps reflecteert niet over de manier waarop een verzameling vorm kan geven aan een geheugen – het geheugen van de Franstalige gemeenschap bijvoorbeeld – maar verliest zich in een zweverige meditatie over de alomtegenwoordigheid van dat geheugen. Zo zou de tentoonstelling werken tonen waarin kunstenaars hun “herinneringen” en “emoties” hebben opgeslagen…

Helemaal absurd wordt het wanneer blijkt dat de getoonde werken onder drie noemers vallen: “de boom”, “het reliek” en “het archief”. Volgens het MAC’s staan deze metaforen voor “de archetypische vormen” waarover het geheugen beschikt om “sporen na te laten en zichtbaar te worden”. Deze onderverdeling is tegelijk letterlijk, arbitrair én ondoorzichtig. Zo wordt de ‘paradigmatische geheugenvorm’ van de boom bijvoorbeeld opgeroepen door foto’s van bomen in het Poolse oerbos van Joachim Koester, omgekeerde ‘boomportretten’ van Rodney Graham, levensgrote maquettes van bomen van Patrick Corillon en twee werken met een koperen bladvorm van Luciano Fabro. De indrukwekkende installatie Ordinary Language (1993-94) van Franz West uit de Herbert Collectie valt om een onbekende reden onder het thema ‘archief’ – het MAC’s legt uit dat de banken van West “net zoals een reliek de kracht hebben om onze blik te transformeren”. Het ‘archivarische’ karakter van een ander intrigerend werk, Still NYC (2001) van Marie-José Burki, is al even ver weg, tenzij men het gros van hedendaagse videowerken als een registratie en archivering van het dagelijks leven wil beschouwen. Overigens wordt de genoemde drieledige structuur alleen in de catalogus strikt toegepast; in de tentoonstelling staan alle werken door elkaar opgesteld.

De drie thema’s van Le Beau corps zijn elk voor zich een tentoonstelling waard, maar dan moet er wel serieus over worden nagedacht. Van een alternatief betoog over kunst is in deze tentoonstelling geen sprake; hooguit van een hermetisch en opgeschroefd gedicht dat ons in de diepste zielenroerselen van de curator onderdompelt. Nu de meeste collecties in de Atlantische wereld steeds meer op elkaar gaan lijken, is het lovenswaardig dat het MAC’s zich niet wil spiegelen aan het kleurloze, internationale standaardbeeld van een ‘collectie hedendaagse kunst’. Maar de constructie van een ‘ander’ verhaal vergt evengoed een solide discursieve omkadering. Om een verzameling tot een mooi lichaam te laten uitgroeien, is meer nodig dan halfzachte poëzie.

 

• Le Beau corps de la mémoire loopt nog 29 juni in het MAC’s, rue de Sainte-Louise 82, 7301 Hornu (065/65.21.21; www.mac-s.be).