Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 105 september-oktober 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Richard Hamilton

Het Keulse Museum Ludwig heeft een traditie van grote overzichtstentoonstellingen van toonaangevende kunstenaars uit de jaren zestig, zoals Andy Warhol, Jasper Johns en Robert Rauschenberg. Nu is Richard Hamilton aan de beurt, met een als Introspective betitelde retrospectieve. Vóór de ingang van de tentoonstelling wordt men langs of door een reconstructie gesluisd van Hamiltons paviljoen voor de roemruchte tentoonstelling This is Tomorrow; uitvergrote fotomontages van sciencefiction-monsters en filmsterren, op-artpatronen en filmprojecties creëren samen met een jukebox een fun house van de (Amerikaanse) consumptiewereld die Hamilton en zijn medeleden van de Londense Independent Group in de jaren vijftig enthousiast omarmden. Even verderop hangt ook een reproductie van de befaamde collage Just what is it that makes today’s homes so different, so appealing?, een ontwerp voor het affiche van This is Tomorrow. In een modern interieur staat een bodybuilder met in zijn hand een buitenproportionele lolly waarop het woord ‘POP’ te lezen staat. Het maakte van dit beeld de eerste icoon van de pop art, maar hoewel Hamilton begin jaren zestig bewust op de bandwagon van de pop art sprong, verschillen zijn preoccupaties grondig van die van Warhol of Lichtenstein. Waar deze laatsten opteren voor heldere beelden die als logo’s in het netvlies van de kijker branden, maakt Hamilton collageachtige composities waarin hij verschillende representatievormen onderzoekt: diagram, fotografie, reliëf, schilderkunst. De laatste vormt het kader – Hamilton is nadrukkelijk schilder, maar tegelijkertijd wordt de schilderkunst in zijn werk voortdurend gedemonteerd.

Hamilton schaamt zich niet voor het ‘neo’ in de neoavant-garde. De vooroorlogse kunst en literatuur keren bij hem voortdurend terug, van het langlopende illustratieproject bij Ulysses tot zijn diepgaande bemoeienis met de receptie en verspreiding van het werk van Marcel Duchamp. Met Duchamp deelt Hamilton onder meer een fascinatie voor het perspectief; terwijl anderen hun objecten legitimeerden door telkens weer naar de readymade te verwijzen, verdiepte Hamilton zich in het Grote Glas. Het Ludwig Museum toont onder meer Hamiltons boekedities van Duchamps notities, een recente levensgrote ‘kaart’ van het Grote Glas en enkele reproducties van delen ervan op glas. Niet ver daarvandaan hangt ook een van Hamiltons beste vroege schilderijen, Hommage à Chrysler Corp. uit 1957: een duchampiaanse hybride van vrouw en machine (een auto) in een amper gedefinieerde, abstracte schilderkunstige ruimte. Zelf beschreef Hamilton dit werk als een “anthology of presentation techniques”: delen van de voorkant van de auto zijn realistisch geschilderd, in de stijl van reclamepanelen, terwijl andere delen vervloeien in sciencefictionachtige biomorfe lijnen; de vrouw, die half met de auto is versmolten, verschijnt dan weer als een lege omtrek waarvan één borst vervangen is door een diagram van de Exquisite Form Bra en de mond ingevuld wordt met een opgeplakte foto van een mond. Hamiltons schilderstijl zou later nog worden verfijnd, maar hier is hij toch al helemaal herkenbaar: elegant, genuanceerd, schijnbaar ietwat weifelend maar zeer precies. Het in Hommage nog beperkte collage-element zou steeds prominenter worden, met vooral vanaf de jaren zeventig soms niet te ontwarren mixen van foto’s, verf en later ook computerprints.

Lawrence Alloway, Hamiltons collega uit de Independent Group, verkondigde in de jaren vijftig dat fine art en pop art een continuüm vormen en dat de fine art niet kunstmatig moest worden gescheiden van de spannende, vitale en voor het grauwe Engeland zo beloftevolle (Amerikaanse) massacultuur, de pop art. De term pop art stond op dat moment dus nog voor de massacultuur, en niet voor een vorm van beeldende kunst die (zoals het werk van Hamilton) elementen uit de massacultuur overneemt. Hamiltons gebruik van bijvoorbeeld Cadillacs of pin-ups is vaak geïnterpreteerd als een satirische of ironische geste, maar zeker in de vroege fase ging het eerder om een vrolijke en provocatieve affirmatie van de popcultuur, gericht tegen het moderne kunstestablishment. Expliciete kritiek in Hamiltons werk is doorgaans gericht tegen individuele politici (Hugh Gaitskell in de jaren zestig, Thatcher in de jaren tachtig) of een verwerpelijk politiek beleid – zijn bewerking van een krantenfoto die de wegens hasjbezit opgepakte Mick Jagger en galeriehouder Robert Fraser toonde, Swingeing London 67 (1968-69), leverde bijna zijns ondanks een ‘echte’ popicoon op. Pas vanaf de jaren zeventig komt Hamilton met expliciete kritiek op mediabeelden. In de Soft Landscapes, landschappen in soft focus met vrouwen in wit en rollen Andrex-toiletpapier, resulteert dat in geestige en visueel overtuigende metakitsch die demonstreert hoe genres geperverteerd kunnen worden. Hamilton kwam er later achter dat de reclamecampagne voor toiletpapier waar de schilderijen op zijn gebaseerd, rond 1960 was geconcipieerd door niemand minder dan Bridget Riley. Dat zijn eigen ‘commerciële werk’ uit de jaren vijftig – onder meer logo’s voor Churchill Gear Machines en Granada TV – buiten de tentoonstelling is gehouden, geeft aan dat hij wel degelijk een onderscheid is blijven maken tussen zijn fine art en pop art, ondanks alle verbanden tussen de twee polen van het continuüm. Toch hadden zijn ‘echte’ logo’s aardige achtergrondinformatie geboden bij zijn multiple The Critic Laughs met ‘Hamilton’-logo en bij de objecten met ‘Richard’-logo (gebaseerd op het logo van Ricard-pastis) uit de jaren zeventig.

Al omarmde Hamilton de consumptiewereld, zijn werk toont evenmin als dat van Warhol een perfecte, smetteloze mediawereld, een eendimensionaal popparadijs. Vanaf Just what is it… komt Hamilton met enige regelmaat terug op het thema van het interieur, onder meer in de met olieverf bewerkte foto’s uit de jaren negentig die op Documenta X werden getoond, en Interior I en Interior II uit 1964 – waarvan helaas alleen het tweede werk in Keulen hangt. Een still uit een film noir met sterretje Patricia Knight in een interieur met een lijk op de vloer, is door Hamilton tot uitgangspunt genomen voor irrationeel gemonteerde ruimten. Today’s homes zijn bij Hamilton misschien different en appealing, maar ook desoriënterend en bedreigend. Het fun house is tevens een spookhuis, de interieurs zijn valstrikken voor het oog en de geest. In het late fotoschilderij The Passage of the Bride (1998-99) duikt plots een naakte vrouw op – een schilderkunstig spiegelbeeld van de onderste helft van Duchamps glas – die in een smalle gang hangt: een epifanie van de Bruid in een interieur dat, om met Duchamp te spreken, “not ruled by time and space” lijkt te zijn.

Zeker vanaf de jaren zeventig bevat het werk van Hamilton ook missers – het kan moeilijk anders bij een kunstenaar die volgens een standaardrecept werkt. Belangrijker dan dergelijke uitglijders is dat men hier een kunstenaar leert kennen die met een grote visuele en conceptuele intelligentie werkt aan een oeuvre dat pas in een substantiële tentoonstelling (inclusief mindere werken) zijn volle kracht en consistentie openbaart. Dat Museum Boijmans Van Beuningen de door de British Council georganiseerde expositie van de Ulysses-prenten als een van de openingstentoonstellingen presenteerde was mooi, maar geïsoleerd geven deze prenten ondanks hun verscheidenheid slechts een glimp van Hamiltons werk. Introspective was een waardiger openingstentoonstelling geweest dan Imaging Ulysses of de gratuite uitstalling van arty belicht design (Het ontstaan der dingen) in de grote zaal. Dat dergelijke substantiële retrospectieven in Nederland en ook in België nauwelijks plaatsvinden, betekent een ernstige verarming voor de lokale kunstwereld, die hierdoor het gevaar loopt in idées reçues over kunstenaars te blijven steken.

Introspective van Richard Hamilton loopt tot 9 november in Museum Ludwig, Bischofsgartenstrasse 1, 50667 Köln (0221/221.238.60; www.museum-ludwig.de). (Sven Lütticken)