Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 105 september-oktober 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Collectiecatalogus Centraal Museum

Sinds enkele jaren werkt het Centraal Museum Utrecht aan een reeks collectiecatalogi, waarvan onlangs het zesde deel verscheen: de catalogus van de verzameling moderne kunst – uitgezonderd deelcollecties als de Collectie Van Baaren en de Rietveldcollectie, die al apart zijn behandeld. In Nederland zijn verder weinig serieuze catalogusprojecten van dit allooi; ook wat dat betreft is het achterstallig onderhoud bij de musea groot. Opmerkelijk aan De Verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht 6: Beeldende kunst 1850-2001 is dat men niet, zoals bijvoorbeeld het Kröller-Müller dat bij zijn collectiecatalogi doet, vrijwel uitsluitend heeft teruggegrepen op externe krachten: de publicatie is grotendeels het werk van medewerkers van het Centraal Museum. Het behoort tot de verdiensten van directeur Sjarel Ex dat hij als een van de eersten heeft gebroken met de gebruikelijke passieve omgang met de collectie, door klassiek-moderne werken aan te kopen, tot een goede vaste opstelling te komen en dus ook catalogi uit te geven.

De catalogus moderne kunst (de grens ‘1850’ slaat vreemd genoeg op het geboortejaar van de kunstenaars en niet op het ontstaan van het werk – ‘1880 tot 2001’ was juister geweest) bestaat uit twee delen: een boekwerk en een cd-rom. Vanwege de grote omvang van de collectie is ervoor gekozen de eigenlijke bestandscatalogus op een cd-rom te plaatsen. In het boekwerk worden iets meer dan zeventig stukken uitgebreider besproken en geïllustreerd, en wordt de geschiedenis van het verzamelen van moderne kunst in het Centraal Museum beschreven in enkele uitputtende essays. De cd-rom is gebruiksvriendelijk en heeft een uitstekende zoekfunctie; dat men bij de informatie over kunstwerken en kunstenaars soms steekjes liet vallen, doet bij een dergelijk mammoetproject niets af aan de prestatie. Een groter bezwaar is dat de afbeeldingen – voor zover ze niet gewoon ontbreken, wat bij minder belangrijke werken soms het geval is – geregeld in zwart-wit zijn, zelfs bij Van Gogh of bij kunstenaars als Jacob Bendien en Janus de Winter, die in de collectie Nederlandse moderne kunst van het Centraal Museum toch een cruciale plaats bekleden. Kennelijk was er geen geld om nieuwe foto’s te laten maken. Een vergelijking van de plaatjes die zowel op de cd als in het boek staan, valt overigens vaak nadelig uit voor de cd, nog afgezien van het feit dat Peinture VI van Jan van Deene op de cd liggend en in het boek staand wordt gereproduceerd. Nog een fundamenteler probleem is de houdbaarheid van deze digitale catalogus: hoe lang zal in onze economie van de instantveroudering apparatuur beschikbaar zijn die deze cd-rom zonder problemen kan afspelen?

Vier essays in het boek behandelen in chronologische volgorde de beleidsperiodes van de verschillende directeuren; een vijfde essay is gewijd aan de geschiedenis van de concurrerende instelling Hedendaagse Kunst-Utrecht, die heeft bestaan van 1969 tot 1989, waarna de collectie in het Centraal Museum is beland. Hoewel de institutionele voorlopers tot in de vroege negentiende eeuw terugreiken, ging het Centraal Museum pas in 1921 open, vooral onder impuls van stadsarchivaris Samuel Muller. Tijdens de eerste twee decennia bleef de functie van museumdirecteur gecombineerd met die van stadsarchivaris, met name in de persoon van Willem Schuylenburg, maar de dagelijkse leiding lag grotendeels bij de conservator die onder de archivaris ressorteerde: freule C.H. de Jonge, die in 1941 ook officieel tot directeur werd benoemd. Zij maakte in 1951 plaats voor Elisabeth Houtzager, die in 1972 werd opgevolgd door Adeline Janssens: een voor deze periode opmerkelijke reeks van vrouwelijke museumdirecteuren. De teksten geven een goed beeld van de terugkerende problemen waarmee de opeenvolgende directeuren hebben geworsteld. Op het gebied van de moderne kunst bleef het blikveld van het museum lange tijd beperkt tot het recente verleden (de late negentiende eeuw) en tot de canon van de kunstpedagoog H.P. Bremmer. Doordat het budget voor aankopen schraal was, werkte men voortdurend met een ‘schijncollectie’ van bruiklenen. Het kopje ‘provincialisme’ in het essay over het directoraat van De Jonge maakt een motief expliciet dat door alle teksten spookt: dat van een museum in de provincie dat nooit toonaangevend is en een ander ritme volgt dan de metropolen. Tegelijkertijd had het museum vaak teleurstellend weinig aandacht voor de interessante ontwikkelingen in Utrecht zelf. Heel wat plaatselijke kunstenaars uit de jaren tien, twintig en dertig ontdekten in het provincialisme een avant-gardistisch potentieel, aangezien het mogelijkheden bood om zich aan de nationale orthodoxie te onttrekken. Zo vond het Franse en Belgische surrealisme in Utrecht meer weerklank dan elders in Nederland; maar het werk van surrealisten als Moesman en magisch-realisten als Koch werd door het museum niet gevolgd. Ook voor de wat oudere generatie van Erich Wichman en Janus de Winter, of voor Gerrit Rietveld en andere leden van De Stijl had het Centraal Museum nauwelijks aandacht, hoewel de genoemden al jaren in Utrecht actief waren. Pas in de vroege jaren zeventig kwam de moderne kunst uit deze periode centraal te staan in het aankoopbeleid, hetgeen inmiddels een fraaie collectie heeft opgeleverd, waarin de kunst van de jaren tien tot dertig als het ware schuin bezien wordt, vanuit een provinciale optiek die (soms verstorende) voetnoten plaatst bij de mainstream kunstgeschiedenis.

De omgang met de naoorlogse kunst in het Centraal Museum vormt evenmin een rechtlijnig verhaal. De onwil van Houtzager om zich voor de eigentijdse kunst te engageren, ging zover dat de gemeente het Centraal Museum zowat een brevet van onkunde op dit gebied uitreikte en besloot om een aparte instelling op te richten, Hedendaagse Kunst-Utrecht – wat volgens de tekst over deze instelling heeft geleid tot twintig jaar koude oorlog. Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, en dat is in de kritische opmerkingen over HK-U-baas Wouter Kotte en zijn beleid duidelijk te merken. Terwijl het Centraal Museum zich in die tijd toelegde op (Nederlandse) abstracte kunst, concentreerde Kotte zich op diverse vormen van figuratieve schilderkunst, met name het fotorealisme en, wat later, onder meer ook politiek geëngageerde schilderkunst. Hoe dubieus de opvattingen en aankopen van Kotte vaak ook waren, eigenlijk is deze vreemde verzameling meer de moeite waard dan het verantwoorde allegaartje van kunst vanaf de jaren zestig dat het Centraal Museum de afgelopen decennia bijeen heeft gebracht. Het fotorealisme dat Kotte verzamelde, biedt aanknopingspunten met het werk van surrealisten en magisch-realisten en schept tevens mogelijkheden om de kunst van de laatste decennia anders te bezien, vanuit een denkbeeldig archimedisch punt. Het Centraal Museum zou iets meer moeite kunnen doen om elementen uit de overgedragen collectie een plaats te geven; pogingen daartoe, zoals in de tentoonstelling die de presentatie van deze collectiecatalogus de afgelopen zomer begeleidde, doen tot nu toe gratuit aan.

Voor de zittende leiding van het museum zijn historische overzichten uiteraard ook een middel om het eigen beleid te legitimeren. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar in de laatste catalogusbijdrage ontaardt dit streven helaas in een farce. In een soort Libelle-proza met meer dan een vleugje katholieke hardcore-hagiografie schetst conservator Marja Bosma ‘De avonturen van Sjarel Ex, 1989-2000 en verder’. De toon wordt al meteen gezet in de cursieve inleiding: “The X files. Sjarel Ex haalt het Centraal museum uit de luwte waar het in de jaren tachtig in verzeild is geraakt. […] Ex trekt alle registers van het museum open.” De directeur, zo komen we te weten, heeft een inzet en een enthousiasme die “van een visionaire allure” zijn. Hij behoort tot die gezegende mensen die werkelijk alles wat ze aanraken in goud veranderen, nooit fouten maken en altijd gelijk hebben. Dat de kritiek op recente tentoonstellingen als Panorama 2000 vooral van specialistische kunstpublicaties afkomstig is, lijkt voor Bosma reden genoeg om die kritiek als irrelevant gezeur af te doen. (De nog meer omstreden FFF Videoshow vond plaats na afronding van de tekst in 2001; volgens het colofon verscheen het boek al in datzelfde jaar, en de cd-rom in 2002. In feite verschenen beide dit jaar.) Zelfs fundamentele bezwaren worden als grillen van nukkige scribenten afgeserveerd en gecontrasteerd met het gelijk van het getal (de bezoekersaantallen). Net als haar baas lijkt Bosma niet in staat om inhoudelijk op kritiek in te gaan – wat iets anders is dan met die kritiek in te stemmen. Van een vermogen tot zelfreflectie is geen sprake; op fortuyniaanse wijze wordt met veel bluf het eigen gelijk gevierd.

Museumdirecteuren en conservatoren legitimeren hun keuzes vaak door erop te wijzen dat zij conform de verzamelgeschiedenis handelen, of zich aanpassen aan de eisen van het gebouw. Dat de lessen die men uit de geschiedenis van de instelling trekt bij opeenvolgende directeuren sterk kunnen verschillen, spreekt voor zich. Toch zijn hun conclusies daarom niet louter op opportunisme of fantasie gebaseerd. Soms sturen de instituten wel degelijk diegenen die deze instituten denken te leiden. Hoezeer Bosma Ex ook presenteert als een reddende engel na een reeks aanmodderende voorgangers, de parallellen tussen de huidige roerganger en de vorige museumdirecteuren zijn vaak verbluffend. Bouwt ook hij niet aan een schijnverzameling, wanneer hij met een privé-verzamelaar de mysterieuze H&F-collectie opstart en deze geruisloos in de collectiecatalogus en de bijbehorende tentoonstelling opneemt? En Ex lijkt net zozeer verdwaald te zijn in de eigentijdse kunst als freule De Jonge dat destijds was; enkele spektakeltentoonstellingen en aandacht voor een handvol uiteenlopende individuen – in het bijzonder de heilige drie-eenheid Thomas Huber, Sarkis en Pipilotti Rist – maken nog geen overtuigend hedendaagsekunstbeleid. Niettemin presenteert het museum activiteiten als de Rist-solo of de videoshow alsof hier iets sensationeels gebeurt. En het lijkt erop dat men in de eigen propaganda is gaan geloven. Provincialiteit kan een kracht zijn als zij wordt aangegrepen om de communis opinio te omzeilen; het wordt een fatale zwakte als zij tot een niet te betwisten maatstaf is verheven.

Marja Bosma (red.), De Verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht 6: Beeldende kunst 1850-2001 werd in 2003 uitgegeven door het Centraal Museum Utrecht, Agnietenstraat 3, 3500 GC Utrecht (030/236.23.62; www.centraalmuseum.nl). ISBN 90-73285-80-1.