Maarten Van Den Driessche

DE WITTE RAAF

Editie 106 november-december 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Michelangelo Pistoletto & Cittadellarte &

Sinds Michelangelo Pistoletto (°Biella, 1933) het klassieke zelfportret inruilde voor een spiegelend canvas valt hij niet meer weg te denken uit de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw. Pistoletto is echter vastberaden zijn invloed ook aan het begin van de 21ste eeuw te laten gelden, alleen koestert hij niet langer de illusie dit te doen met ‘eigen’ werk. Sinds hij in 1996 Cittadellarte oprichtte en huisvestte in een oude fabriek in zijn geboortestad Biella, maakt hij weinig of geen ‘nieuw’ werk meer. Via dit instituut zoekt Pistoletto naar een nieuwe verhouding tot de wereld, niet langer als individueel kunstenaar, maar door middel van een ambitieus maatschappelijk project. De term Cittadellarte is een contaminatie van de woorden cittadella en città dell’arte: burcht en stad. In Cittadellarte vindt de kunst de bescherming en de plaats om zich, zoals in een stad, met de dynamiek, de complexiteit en de gelaagdheid van de ‘wereld’ te verbinden. Anderen – hoofdzakelijk jonge, onbekende kunstenaars – vinden er onder toezicht van Pistoletto een platform voor allerlei nieuwe artistieke projecten en experimenten met verregaande maatschappelijke ambities. Zo worden er plannen gesmeed voor een politieke partij (Lovedifference), worden er allianties aangegaan met tal van maatschappelijke actoren – wetenschappers of bedrijven zoals Illy en Zegna – of wordt er, onder het mom van een ogenschijnlijk uniek artist-in-residence-programma, nagedacht over een alternatieve vorm van onderwijs (UNIDEE – de Universiteit van het Idee). Aan de basis van het Cittadellarte-project ligt de Fondazione Pistoletto, een stichting die – onafhankelijk van de kunstenaar – instaat voor het beheer van Pistoletto’s cultureel en financieel kapitaal, zijn omvangrijke estate en de Cittadellarte zelf. Kortom: de Fondazione beheert het Universum van de Kunstenaar.

De expositie in het MUHKA geeft voor het eerst een totaalbeeld van deze veelzijdige organisatie, die zich tegelijk als artistiek project en institutionele vrijplaats profileert. Naast het werk van de ‘meester’ zelf toont de tentoonstelling projecten van de UNIDEE-residents, geeft zij een anekdotische impressie van het leven en de sfeer te Biella en documenteert (of promoot) zij de institutionele en ideologische structuur waarbinnen gewerkt wordt. De opstelling suggereert echter dat er binnen Cittadellarte een zekere autonomie en vrijheid heerst. Het werk van de UNIDEE-residents en de ideologische structuur van de Cittadellarte-organisatie zijn immers expliciet uit elkaar gehaald. Aan de ene zijde van het MUHKA wordt de organisatie met zijn verschillende offices gepresenteerd in een met gordijnen ingepakte beursstand, compleet met logo, wervingsfolders en een als tentoonstellingspublicatie verpakte bedrijfscatalogus. In de andere museumvleugel treffen we veeleer een typische museumsituatie aan: de verschillende ‘werken’ van jonge kunstenaars zijn er bijna lukraak en op een volstrekt gelijkwaardige manier over de museumruimte verspreid. De spitsvondige titel van de expositie te Antwerpen – met dubbele ‘&’ – moet de bezoeker trouwens op deze gelijkwaardigheid attent maken: met Cittadellarte is Pistoletto niet langer alleen aan zet, maar werkt hij samen met een divers en pluriform collectief. Het geforceerde van dit democratische uitgangspunt wordt echter al bij het binnenkomen duidelijk. De tentoonstelling opent immers met de monumentale reeks Oggetti in Meno van Pistoletto uit 1965-1966. Deze groep van een dertigtal werken refereert niet enkel aan het roemrijk artistiek verleden van Pistoletto, maar fungeert letterlijk en figuurlijk als scharnierpunt én ideologisch model voor de tentoonstelling. Het geheel is vormelijk zo disparaat dat het lijkt alsof elk werk door een andere kunstenaar is gemaakt. Oggetti in Meno presenteert zich als een groepstentoonstelling gemaakt door één persoon en prefigureert op die manier het ‘pluraliteitsdenken’ en het meervoudige auteurschap dat ten grondslag ligt aan het Cittadellarte-project. Net zoals de bezoeker in Biella te pas en te onpas op oudere modelwerken van Pistoletto stuit, wordt het getoonde werk in het MUHKA eveneens aan de Oggetti in Meno gerelateerd. Het is alsof men van het museumpubliek en de Cittadellarte-residents verwacht dat zij elk ‘nieuw’ werk aan dat van Pistoletto ‘spiegelen’. Michelangelo Pistoletto & Cittadellarte & is dan ook een bizarre tentoonstelling. De onderlinge spanningsverhoudingen, de sociale mechanismen en verdoken machtsstructuren die binnen het project werkzaam zijn, worden er immers zichtbaar zonder dat ze echt worden gethematiseerd of gereflecteerd.

Pistoletto’s queeste naar een nieuwe verhouding tot de maatschappij kristalliseert uiteindelijk in de intersubjectieve relatie van hemzelf tot zijn residents, de meester tegenover zijn leerlingen. Met Cittadellarte creëert hij immers nog altijd een soort schoolsituatie: hij ontfermt zich over jonge kunstenaars die, weliswaar onder eigen naam maar tevens gedekt door zijn autoriteit, werk maken. Pistoletto refereert trouwens meermaals aan de scholen van de renaissancemeesters of aan het ontstaan van het Universitas-ideaal. Het is precies deze schoolsituatie en de daarmee verbonden relatie van meester tot leerling, die in het MUHKA onderbelicht blijven. Dankzij het toezicht en de bescherming van de meester is er in Cittadellarte ruimte voor een ongebreideld experimenteren met de betekenissen, de voorstellingen en de kennis van de Wereld. In de complexe machtsverhouding tussen leraar en leerling, in de afgeschermde confrontatie tussen oud en nieuw, in de interpretatie van de ‘kennis’ van de meester door de leerling, kan jeugdig enthousiasme rijpen tot een gereflecteerde verantwoordelijkheidszin. Dit weifelende proces vindt in de school een beschermende atmosfeer, maar wanneer men de producten ervan in een museum presenteert, blijkt dat zij nooit echt onder de vleugels van de meester uitraken. De uit hun context gehaalde ‘schoolwerkjes’ willen zich nadrukkelijk verzelfstandigen, en krijgen daardoor iets steriels. Daarmee functioneren ze ook niet meer als ondersteuning van Pistoletto’s overkoepelende project – al is dat misschien ook interessant: in de weerstand die het project oproept op het ogenblik dat het als finaliteit in het museum wordt getoond, ontstaat een ruimte om over Cittadellarte na te denken.

Als maatschappelijk project wil Cittadellarte te alomvattend zijn: het is een vlammend manifest tegen de actualiteit en de wereld, én een afgeschermde alternatieve wereld, én een andere omgang met kunst, én een nieuwe politieke partij, én een alternatieve economische organisatie, én een nieuwe publieke ruimte, én een school... In de veralgemening en versmelting van verschillende maatschappelijke instituties, verdwijnen echter hun betekenisvolle marges: de specifieke condities die een school tot school maken en een museum tot museum. In eerste instantie lijkt Pistoletto de autonomie van de verschillende instellingen op de helling te zetten. Maar van zodra we de tentoonstelling lezen als een schoolsituatie die (door Pistoletto) naar het museum werd overgebracht, begrijpen we dat het getoonde ‘werk’, om echt te werken, de specifieke condities van de school nodig heeft. Dat inzicht maakt Michelangelo Pistoletto & Cittadellarte & als tentoonstelling en kunstproject interessant. De tentoonstelling laat ons (zij het impliciet) zien dat het museum en de school hun respectievelijke autonomie en vrijheden nodig hebben, en niet zonder meer naar elkaar kunnen worden vertaald. In die zin is Michelangelo Pistoletto & Cittadellarte & het overdenken waard, al blijft het jammer dat deze problematiek ondergesneeuwd raakt door de retoriek die rond de bedrijfscultuur en de maatschappelijke utopie van Cittadellarte wordt verkocht.

Michelangelo Pistoletto & Cittadellarte & loopt nog tot 30 november in het MUHKA, Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen (03/238.59.60; www.muhka.be).