Jorinde Seijdel

DE WITTE RAAF

Editie 106 november-december 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

NEO

Degenen die geïnteresseerd zijn in het problematische van de hedendaagse tentoonstellingspraktijk en -theorie, lijken in het Centraal Museum te Utrecht steevast bediend te worden. Als type beschouwer behoren zij echter expliciet niet tot de belangrijkste doelgroep, die volgens directeur Sjarel Ex namelijk “voorwerpen en kunstwerken om zich heen wil die geen extra aanslag zijn op de concentratie of een inbreuk op de vrije tijd”. Tentoonstellingen als FFF Videoshow of Ideaal!Wonen gaven uitdrukking aan Ex’ basale overtuiging dat “de bezoeker komt voor esthetiek en voor een gevoel van comfort”. Het is precies dit eigentijdse credo, overal en in alle domeinen te horen, dat in het Centraal Museum garant staat voor de ene museale testcase na de andere, zeker vanuit de optiek van de buiten de doelgroep vallende bezoeker. Want ook die, naar de mening van Ex behorend tot de “historiserende en kunstpolitieke elite”, kan in Utrecht wel eens van het steile pad afdwalen naar het Centraal Museum. Recentelijk kon hij daar bijvoorbeeld in NEO verzeild raken, een tentoonstelling samengesteld door gastconservator Frans Haks, die zich in het Groninger Museum gedurende lange tijd bezighield met “the museum as entertainment”. NEO is tevens een jubileumcadeau aan de stad van het koffiebedrijf Douwe Egberts, dat gevestigd is in Utrecht en 250 jaar bestaat: 250 jaar koffie garandeerde 250 jaar NEO, oftewel 250 jaar neostijlen in met name kunst en vormgeving.

Koffie, Ex en Haks zijn in de stallen van het museum innig verstrengeld binnen een zeer artistieke en theatrale tentoonstellingsvormgeving (licht- en kleurontwerp: Peter Struycken; tentoonstellingsarchitectuur: UN Studio). De term neo betekent in NEO, zo staat in het gidsje, “opnieuw: het hergebruik van iets dat al bestaat. Dat kan een stijl zijn, of een object, maar ook een functie, kennis of techniek.” Tevens is het doel van de tentoonstelling objecten te tonen die nooit eerder tentoongesteld werden. “Niet omdat ze niet mooi waren, maar omdat ze niet origineel genoeg waren: kitsch en geen kunst. Maar dat is een kwestie van een knop, en die moet enkel even om.”

In een tijd waarin namaak, imitatie en recycling allang echt zijn geworden, lijkt ‘neo’ als onderwerp voor een tentoonstelling zowel misplaatst als urgent. Misplaatst omdat de publieksgroepen waarop het Centraal Museum zich richt waarschijnlijk helemaal niet bezig zijn met de academische vraag of iets echt is of ‘neo’: voor hen is er helemaal geen knop. Die vraag lijkt in de huidige culturele context haast een anachronisme, afkomstig uit een verouderd systeem van denken over kunst. Toch zou het ook een spannende en uitdagende vraag kunnen zijn, gericht op een analyse en specificering van de verschillende vertogen die ten grondslag liggen aan de dichotomie origineel-neo.

Het hoofdgedeelte van NEO speelt zich af in negen ruimtes, elk thematisch ingericht: natuur, meesterwerken, rococo, klassiek, gemengd, barok, gedekte tafels, exotisme en gotiek. Haks koos ervoor om originele objecten naast neo-objecten te tonen, zonder dat in bijschriften te melden, met daarbij de nadruk op gebruiksvoorwerpen als lampen, kandelaars, klokken, monstransen, spiegels, kasten en stoelen. De grote hoeveelheid materiaal is grotendeels historisch, al is er een installatie van Studio Mendini, servies van Venturi, een enkel werk van Jeff Koons en Rhonda Zwillinger en een film van Visconti. Peter Struycken ontwikkelde een programma dat de tentoonstelling dompelt in veranderend gekleurd licht. De voorwerpen staan, in soms formele, soms speelse ensembles, grotendeels uitgestald op gekleurde blokken en trapachtige vormen, die zich achter metalen hekken of netten bevinden, ontworpen door UN Studio.

Kortom, NEO is een dwingend vormgegeven, retorische installatie waarin de dingen pontificaal aanwezig zijn, geïsoleerd in een onwerkelijk, hyperesthetisch universum. De vraag is hoe de beschouwer geacht wordt zich hier doorheen te bewegen. Hoe wordt hij geacht waar te nemen en zich tot de objecten te verhouden? Moet hij zich vergapen aan de oppervlakte van al die bijzondere dingen? Of moet/kan hij een positie innemen in het geënsceneerde spel van echt en onecht? Dat blijft duister. Het punt is dat de non-hiërarchische opstelling de geïnteresseerde leek vooral een verzameling museale objecten voortovert die hij mooi of minder mooi kan vinden, maar waarin hij waarschijnlijk nauwelijks enig ander onderscheid kan aanbrengen, laat staan relaties met de alledaagse, actuele cultuur kan leggen. Het gratis gidsje met tijdsbalk brengt daarin nauwelijks verandering; de informatie daarin is voor niet-specialisten waarschijnlijk behoorlijk nietszeggend. (Wellicht had de financiële waarde van de objecten vermeld kunnen worden: de verschillen daarin zouden het publiek vast een extra prikkel gegeven hebben – niet voor niets is het TV-programma Kunst of Kitsch?, waarin het publiek de waarde van voorwerpen door experts kan laten schatten, zo populair.)

Het komt er toch op neer dat NEO aan de gemiddelde bezoeker niet meer vraagt dan zich te verlustigen aan de gekooide schoonheid en geschiedenis. Dat is misschien een smakelijke maar ook een risicoloze aangelegenheid, die echter wel naadloos de overtuiging van de directeur onderschrijft dat het publiek mooie dingen wil zien, zonder moeilijk gedoe. En de meer gespecialiseerde bezoeker? Die wordt bij NEO in feite geofferd aan de dictatuur van een vormgeving die zo verleidelijk moet zijn dat ze elke inhoud buitenspel zet. Net als meer tentoonstellingen in het Centraal Museum verloochent NEO uiteindelijk zowel de niet-specialistische als de specialistische bezoeker. Om de tentoonstelling, die hoe dan ook een intellectuele exercitie blijft, op meer gronden te kunnen waarderen dan op louter hormonaal-zintuigelijke zou de niet-specialist moeten kunnen kijken met de professionele blik die hij niet bezit, terwijl de specialist geacht wordt zich over te leveren aan een rudimentaire waarneming die hij allang voorbij is. Zo gaat er bij niemand een knop om.

NEO is een bizar product. Het is een grootse stijloefening van Frans Haks, die er drie jaar aan werkte en er, naar eigen zeggen, eindelijk het juiste perspectief door kreeg om zijn grote helden Alessi, Mendini, het duo Toscani/Benetton en Disney te beschrijven en om de criteria aan te geven om hen te beoordelen. Dat perspectief en die criteria zullen voor de meeste anderen echter grotendeels ontoegankelijk blijven: Haks’ discours komt in het formalistische spel van NEO niet aan het licht. Als directeur van het Groninger Museum was Haks een tijd lang redelijk uniek in zijn streven de museale omgeving te veranderen en high en low met elkaar te confronteren. Hij was daarin een omstreden entertainer, maar niet per se een populist, en met NEO toont hij zich zelfs een waar specialist. Binnen de omgeving van het Centraal Museum, waarin het publiek koste wat het kost behaagd moet worden, implodeert zijn tentoonstellingsmodel echter jammerlijk.

Er verscheen bij NEO ook een meer dan vierhonderd pagina’s tellende publicatie, met een groot aantal essays over neo-verschijnselen vanuit de meest verschillende invalshoeken en disciplines. Het boek NEO omvat zoveel terreinen en visies, dat het opgevat kan worden als een parallel project, eerder dan als een intellectuele legitimatie voor de tentoonstelling, al staan er een interview met Haks en plaatjes van de tentoongestelde objecten in.

NEO loopt tot 4 januari 2003 in het Centraal Museum Utrecht, Agnietenstraat 1, 3512 XA Utrecht (030/236.23.62; www.centraalmuseum.nl). De redactie van het boek NEO werd verzorgd door Jan Brand en Alex de Vries.