Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 107 januari-februari 2004

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Aux origines de l'abstraction 1800-1914

Het ontstaan van de abstracte kunst wordt vaak gezien als de uitkomst van een modern streven om de schilderkunst opnieuw een geestelijk karakter te geven. Op het moment dat Kandinsky rond 1913 zijn eerste abstracte werken realiseerde, schreef hij ook zijn beroemde traktaat Over het geestelijke in de kunst. Het zwarte vierkant van Malevitch dat voor het eerst in 1915 in Sint-Petersburg werd getoond, was geïnspireerd op het orthodox-christelijke icoon, dat eveneens in de hoek van de kamer werd opgehangen. Het neoplasticisme van Mondriaan kwam niet alleen voort uit het kubisme – Mondriaan verklaarde dat de kubisten de logische consequenties van hun eigen evolutie, de uitdrukking van pure plastiek, niet konden aanvaarden – maar ook uit zijn belangstelling voor de theosofie.

De tentoonstelling Aux origines de l’abstraction in het Musée d’Orsay, een museum dat volledig gewijd is aan kunst van de negentiende eeuw, brengt het ontstaan van de abstracte kunst vooral in verband met negentiende-eeuwse wetenschappelijke theorieën over licht (optica) en geluid (akoestiek). De impressionisten worden als belangrijke voorlopers van de abstracte kunst naar voor geschoven, en Robert en Sonia Delaunay treden op als grote pioniers. De nieuwe perceptietheorieën worden echter toegepast door zeer verschillende kunstenaars over een langere periode: van Turner via Monet tot Kandinsky, Kupka, Delaunay, Léger en Picabia.

Ondanks de wetenschappelijke benadering en het technische karakter van veel referenties is Aux origines de l’abstraction een zeer aantrekkelijke tentoonstelling geworden. Het betwistbare uitgangspunt zorgde ook voor een originele keuze van stuk voor stuk belangrijke werken. De tentoonstelling begint vrij spectaculair met een indrukwekkende lichtinstallatie van Ann Veronica Janssens. In een witte kubus met afgeronde hoeken, waarin het licht gemakkelijk weerkaatst en de waarneembare ruimte verdwijnt, worden in verschillende ritmes uiteenlopende kleuren geprojecteerd. Het oog moet zich in dit bad van vibrerend licht voortdurend aanpassen aan de perceptiedrempel van de kleur. Het tastbare en het waarneembare raken elkaar in een atmosferische ervaring die herinnert aan de ‘mistsculpturen’ van Janssens, die in het verleden onder andere in het MUHKA (Antwerpen) en op de Biënnale van Venetië getoond werden.

Terwijl de spirituele belangstelling van de abstracten vooral draaide om wat zich buiten de zichtbare wereld afspeelde, gaat deze tentoonstelling, met thema’s als verblinding, mist en duisternis, over de grenzen van het waarneembare. Ze bestaat uit twee delen. L’Oeil solaire is opgebouwd rond de kleurentheorieën van Goethe, Chevreul en Rood, L’Oeil musical rond de ontwikkeling van de akoestiek. Aangezien zowel licht als geluid zich in de ruimte voortplanten in de vorm van golven, die grafisch voorgesteld kunnen worden, zijn beide hoofdstukken ook nauw met elkaar verbonden. Zo zou de zuivere schilderkunst zijn ontstaan vanuit een streven om de muziek als meest abstracte kunstvorm te benaderen. Als muziek de werkelijkheid niet hoeft af te beelden, waarom de schilderkunst dan wel?

In L’Oeil solaire wordt getoond hoe de weergave van het licht, van Turner tot Delaunay, de schilderkunst dwong om de traditionele weergave van de werkelijkheid te verlaten. De abstracte kunst komt hier niet voort uit een mystieke ingesteldheid, maar is het resultaat van visuele experimenten. Binnen dit verklaringsmodel liggen de kiemen van de abstracte kunst al in 1810, toen Goethe zijn kleurentheorie uitwerkte. Goethe stelde dat onze waarneming van vormen niet stoelt op een apriori. We herkennen een voorwerp niet omdat we het kennen. Vormen ontstaan niet uit lijnen die worden ingekleurd, maar uit het contrast van kleurwaarden. Het meest primitieve contrast is het clair-obscur of licht-donkercontrast. Daarnaast bestaan er meer gesofisticeerde kleurnuances van complementaire kleuren. Le Lendemain du déluge (1843) van Turner is een perfecte illustratie van Goethes theorie: de ondertitel luidt dan ook Lumière et couleur (la théorie de Goethe).

Onder de dubbele noemer obscurité en soleil wordt de problematiek van de onzichtbaarheid behandeld. Het verblindend licht en de duisternis maken ons bewust van de limieten van het zichtbare. Naast nachtelijke taferelen, zoals de Sterrennacht van Van Gogh en de Nocturne van Whistler (de titel wijst al op de relatie met de muziek), wordt ook aandacht besteed aan meteorologische fenomenen als rook en mist. In Waterloo Bridge worstelt Monet met het lumineuze effect van de Londense fog, die de omgeving niet verduistert maar wel aan het zicht onttrekt. De verblindende confrontatie met het zonlicht in Le Soleil van Edvard Munch herinnert ons aan het experiment van Joseph Plateau, die zo lang in de zon keek tot hij blind werd. Futuristen als Giacomo Balla hadden dan weer meer aandacht voor de revelerende vermogens van het elektrische licht.

Het eerste deel wordt afgesloten met een hommage aan Robert en Sonia Delaunay, die via de kleurentheorieën van Chevreul en Rood tot hun theorie van het simultaneïsme kwamen. In hun kunst wordt de kleur autonoom, maar de Delaunays gaan er tegelijk van uit dat kleuren elkaar beïnvloeden. Complementaire kleuren (rood en groen of blauw en oranje) contrasteren bijvoorbeeld heviger dan niet-complementaire kleuren. Hoewel de Delaunays nog figuratieve elementen integreren, is de voorstelling bijzaak en wordt het schilderij in wezen een chromatische kaart met afwisselend warme kleuren (geel, oranje, rood) en koude (blauw, groen, violet).

In het tweede deel (L’Oeil musical) wordt aangetoond hoe de muziek, door haar abstractie maar ook door haar immaterialiteit, de schilderkunst heeft beïnvloed. Kandinsky en Kupka trachtten begrippen als compositie, resonantie, sequentie en ritme naar de schilderkunst te vertalen; ze streefden naar een zuivere ‘muziek voor de ogen’. In dezelfde sectie hangen ook schilderijen van Léger, Boccioni en Picabia die verwijzen naar de beweging van de dans; maar het orgelpunt blijft hoe dan ook een historische film van een chromo-lumineuse dansperformance van Loïe Fuller, waarbij het lichaam oplost in een uitbundige uitbarsting van zuivere kleur.

Aux origines de l’abstraction loopt tot 22 februari in het Musée d’Orsay, Quai Anatole-France, 75007 Paris (01/40.49.48.14; www.musee-orsay.fr).

(Lieven Van Den Abeele)