Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 107 januari-februari 2004

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Sophie Calle

Sophie Calle (°1953) debuteerde in de late jaren zeventig. Als een detective zonder opdrachtgever volgde ze onbekenden die ze toevallig tegenkwam op straat. Het resultaat van dit ‘schaduwen’ verzamelde ze in afzonderlijke schriftjes. Zoals dit voor veel kunstenaars van de jaren zestig en zeventig gold, waren haar foto’s in eerste instantie slechts documenten: bewijsstukken van een ervaring of gebeurtenis, een performance of een artistieke ingreep in de werkelijkheid.

Sophie Calle gebruikt foto’s om verhalen te illustreren, die steeds om haar eigen persoon draaien. Haar werk wordt daarom vaak autobiografisch genoemd, maar in feite is Calle eerder een personage op zoek naar een auteur, en zet ze haar leven en werk nauwgezet in scène. Haar belangrijkste thema is het gemis, allicht dé drijfveer om kunst te maken. In haar video Unfinished, die nu te zien is op haar retrospectieve in het Centre Pompidou, is ze daarover zeer duidelijk. Eind jaren tachtig kreeg ze van een Amerikaanse bank de opdracht een werk te maken over geld, maar ze wist het nooit te voltooien. In Unfinished vertelt ze hoe dat kwam: ze had geen enkele voeling met het onderwerp ‘geld’ omdat ze er geen gebrek aan heeft.

De tentoonstelling begint met Douleur exquise (1984-2003), een werk dat teruggaat op de pijnlijke ervaring van een scheiding, die bijna twintig jaar later opnieuw in herinnering wordt gebracht. Het driedelige werk beslaat een derde van de tentoonstelling. Het eerste deel Avant la douleur vertelt in 92 foto’s en evenveel teksten de gelukkige dagen van de idyllische relatie. Alsof er wordt afgeteld naar het einde van de relatie en het begin van de pijn, draagt elke foto een stempel met de vermelding Douleur J-92 tot J-1. Le lieu de la douleur is kamer 261 van het Imperial Hotel in New Delhi, waar Sophie Calle het slechte nieuws vernam via een rode telefoon (let op de kleurensymboliek!). In de tentoonstelling is een nauwgezette reconstructie van de kamer te zien. Après la douleur vertelt het verwerkingsproces. Gedurende 98 dagen vertelt ze steeds hetzelfde verhaal, zij het met steeds minder woorden. In de eerste tekst krijgen we alles tot in de kleinste details te horen. “Il y a un jour l’homme que j’aime m’a quittée. C’était un ami de mon père…” De laatste versie telt slechts enkele lijnen. “Il y a 98 jours, l’homme que j’aime m’a quittée. Le 25 janvier 1985, chambre 261. Hôtel Impérial. New Delhi.”

De tentoonstelling eindigt met een tweede recent werk, dat merkwaardig genoeg een relatie heeft met de plaats waar het wordt tentoongesteld. Une jeune femme disparaît (2003) is gebaseerd op een fait divers. Bénédicte Vincens verdween na een brand in haar appartement . Ze was niet alleen een grote bewonderaar van Sophie Calle, ze werkte ook als suppoost in het Centre Pompidou. Gefascineerd door deze merkwaardige samenloop van omstandigheden bezoekt Sophie Calle het appartement en ontmoet ze de familie van Bénédicte. Uit de half verbrande foto’s die in het appartement werden teruggevonden maakt ze een werk (met een groot Boltanskigehalte) dat wordt tentoongesteld op de plaats waar Bénédicte Vincens voor het laatst werd gezien. Vlak voor ze verdween, bewaakte ze daar de tentoonstelling Le temps, vite.

De rest van de tentoonstelling zit geklemd tussen deze twee verdwijningen, die van de geliefde en die van de bewaker van de kunst. Ook M’as-tu vue draait dus om het verdwijnen, de afwezigheid en het gemis. De thematiek van het verdwijnen komt verder aan bod in Last Seen (1991), waarin Calle aan de conservatoren en suppoosten van het Isabella Stewart Gardener Museum (Boston) een beschrijving vraagt van de uit het museum ontvreemde schilderijen.

Een van haar mooiste werken is nog steeds Les Aveugles uit 1986, waarin Calle aan blindgeborenen vraagt om een beeld te geven dat in hun ogen de term schoonheid vertolkt. De antwoorden variëren van la mer en le vert via les cheveux tot le beau, j’en ai fait mon deuil. Ze worden vergezeld van het portret van de blinde en het gekozen ‘beeld van schoonheid’, elementen die niet alleen overbodig, maar vooral gênant zijn. Ook het ontroerende verhaal over de mislukte opdracht van de Amerikaanse bank kreeg nog een minder geslaagd staartje. In 1988 kwam Sophie Calle in het bezit van een reeks beelden die door bewakingscamera’s van dezelfde bank gemaakt werden van mensen die geld uit de muur halen. Vijftien jaar heeft ze deze beelden bekeken zonder er iets mee te doen, tot ze na het realiseren van de Unfinished-video besloot om de beelden zonder tekst aan de muur te hangen. De onmogelijkheid om iets te doen met dit materiaal heeft deze keer niets te maken met het onderwerp (het geld), maar met de onmogelijkheid om plastisch te denken. In veel gevallen kan men zich ook afvragen in welke mate het aanbrengen van uitvergrote teksten op de muur bijdraagt tot de betekenis van haar werk. Douleur exquise, de installatie die ze speciaal maakte voor M’as-tu vue, bestaat ook in boekvorm en dat mag ruimschoots volstaan.

Het werk van Sophie Calle is interessant als verhaal, maar mist de plastische kwaliteiten om aan de museummuren stand te houden – ook in M’as-tu-vue is de catalogus interessanter dan de tentoonstelling.

Sophie Calle – M’as-tu vue loopt tot 15 maart in het Centre Georges Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).