Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 111 september-oktober 2004

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

WOONERVEN EN ZITKUILEN. DE KRITIESE JAREN ZEVENTIG

De “lullige jaren” noemde architect Arne van Herk de jaren zeventig. Het streven naar kleinschaligheid en een grote mate van burgerinspraak heeft inderdaad geresulteerd in een overdaad aan kneuterige woonhuizen die zich in al hun diversiteit nauwelijks van elkaar onderscheiden. Aan de andere kant is architectuur misschien wel nooit zo gepassioneerd bedreven als in die tijd. Meer dan ooit gebeurde dat door brede lagen van de samenleving, niet alleen door architecten, misschien nog wel het minst door de ontwerpers zelf, maar des te meer door bewoners, wetenschappers en politici. Het tijdperk van provo en flower power laat zich oppervlakkig bezien het best herkennen aan het woonerf (architectuur), de zitkuil (interieur) en de fondue (culinair), maar wordt in wezen gekenmerkt door een volledig gepolitiseerd leefklimaat. Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) heeft aan deze periode een tentoonstelling gewijd met als titel Woonerven en Zitkuilen. De kritiese jaren zeventig. De verzorgingsstaat Nederland werd in de jaren zeventig langzaam maar zeker een multiculturele samenleving, waarin Nederlanders voor het eerst te maken kregen met gastarbeiders. Er was sprake van een bewustwordingsproces dat onder andere tot uiting kwam in maatschappelijk protest: bewoners streden voor hun wijken, vrouwen voor hun recht op pil en abortus, politieke actiegroepen voor internationale solidariteit. Het was het hoogtij van de volkshuisvestingspolitiek, maar ook de tijd waarin men zich – na het rapport van de Club van Rome en twee oliecrises – bewust werd van de grenzen aan de welvaartsgroei en de negatieve neveneffecten hiervan. Grootschalige ontwikkelingen waren niet langer de weg naar een betere wereld. Als tegenhanger voor de immer grimmiger buitenwereld werd de behoefte van de bloemenkinderen aan bescheidenheid, vertrouwdheid en kleinschaligheid in de woonomgeving groter. Tegen de wederopbouwwijken met hun hoogbouw en massale karakter groeide het verzet. In de binnenstad werden doorbraken voor snelwegen of metrolijnen hartstochtelijk bestreden. Het Volk kwam niet alleen aan de Macht in de vorm van een links kabinet, maar ook dichter bij huis namen burgers het heft in handen. Bewoners eisten inspraak en verenigden zich in actiecomités. Aangezien macht en architectuur al eeuwenlang samengaan, kwam de machtswisseling in de jaren zeventig ook tot uiting in de architectuur. Het was in deze periode dat de architect uit zijn ivoren toren kwam en zich opwierp als vertolker van de nieuwe machthebber, het ‘volk’. Dat volk was niet geïnteresseerd in de verbeelding van macht of uniformiteit in hun huizen, kantoren, scholen en ziekenhuizen, maar in de menselijke maat. Veel architecten sloten zich daarbij aan. Aldo van Eyck en Theo Bosch, Paul de Ley en Jouke van den Bout, en Ben Loerakker stelden kleinschalige (of kleinschalig ogende) plannen voor die aansloten bij de karakteristieken van bestaande, binnenstedelijke wijken. Herman Hertzberger ontwierp zijn beroemde Muziektheater Vredenburg waarin laagdrempeligheid het sleutelwoord was. Maar vooral in de buitenwijken werden woningen gebouwd. De ingewikkelde, onoverzichtelijke lay-out van het woonerf heeft succesvol weten te verhullen dat de jaarlijkse woningbouwproductie in de jaren zeventig hoger was dan ooit. Typerende elementen in deze nieuwbouwwijken waren variatie, aandacht voor individuele woonwensen en experimenten met bouwmaterialen, constructies, plattegronden en verkavelingsvormen. Het merkwaardige is echter dat deze schier oneindige pluriformiteit toch heeft geresulteerd in een tamelijk homogeen eindbeeld. Ondanks de Kasbahwoningen van Piet Blom in Hengelo, het multifunctioneel centrum De Meerpaal (Dronten) van Frank van Klingeren of woonwijk Oostgaarde van Benno Stegeman, is het overheersende beeld van de ‘jaren-zeventig-architectuur’ een collage van rijtjeshuizen in baksteen, hout of een combinatie daarvan, schuine kappen, doodlopende straten en bielzen in de tuin. Dat idee wordt in de tentoonstelling bevestigd. Daar kan het NAi overigens weinig aan doen, het is gewoon de realiteit. Het belet overigens niet dat De kritiese jaren zeventig een goed gedocumenteerde presentatie biedt met veel invalshoeken, veel aandacht voor minder bekende gebouwen en zelfs een compleet overzicht van de bouwproductie tussen 1971 en 1980. Voor wie tijd heeft, is vooral dat laatste interessant. Door de wanden te beplakken met alle gebouwen die in het tijdschrift BOUW werden gepubliceerd, leggen de samenstellers de ziel van de jaren zeventig bloot. Als het ware tussen de regels van de tentoonstelling ontkiemen carrières van inmiddels bekende architecten, zoals Rob Krier en Pi de Bruijn; groeien bureaus in omvang, zoals Abma + Hazewinkel (waaraan later Dirks en De Haan zijn toegevoegd); en bereiken Onno Greiner, Leo de Jonge en Evers & Sarlemijn het toppunt van hun roem. Hoe ongecompliceerd de samenleving er anderzijds uitzag, ondanks de complexiteit van de hierboven aangehaalde ontwikkelingen, blijkt evenwel uit de beschrijving van een woonhuis van Hein Salomonson in 1973: “Het huis is ontworpen voor een plezierig gezin met vier kinderen zonder representatieve problemen.” Eveneens geruststellend is de ontdekking dat architecten ook toen al niet tevreden waren over de manier waarop hun gebouwen werden gedocumenteerd. “Vooral ontwerpers – meer dan de lezers – kritiseren wel dat tussen voltooiing en publikatie (sic) zo weinig tijd ligt, zodat het gebouw niet is ‘ingegroeid’ of ‘ingewoond’. Zij zouden liever zien dat de sporen van gebruik – en met mate: van enige slijtage – in de publicatie zichtbaar werden.” Deze woorden van hoofdredacteur Gert Jonker bij het jaaroverzicht van 1974 in het tijdschrift BOUW zijn zowel kenmerkend voor het beeld van de jaren zeventig, alsook hoogst verrassend wanneer men weet dat architecten tegenwoordig de fotograaf liefst langs sturen voordat het gebouw überhaupt bewoond is, teneinde storende details die op ingebruikname wijzen te vermijden. In deze expositie liggen nostalgie en vertedering op de loer. “Ach ja, dat deden we toen zo”, zal menig bezoeker verzuchten, wanneer hij bijvoorbeeld de zitkuil aanschouwt. Dichtbij genoeg om persoonlijke herinneringen te hebben, lang genoeg geleden om niet langer ‘gevaarlijk’ te zijn. Laat dat echter geen reden zijn om niet op de details te letten. In de verborgen hoeken en kanten van de tentoonstelling en in de bijbehorende publicatie wordt het hardnekkige architectonische cliché van de jaren zeventig gecomplementeerd en verklaard met een grote hoeveelheid meer en minder bekende gebouwen.

 

• Woonerven en Zitkuilen. De kritiese jaren zeventig loopt tot 3 oktober in Zaal 1 van het NAi, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00; www.nai.nl). Het boek De kritiese jaren zeventig. Architectuur en stedenbouw in Nederland 1968-1982 verscheen bij NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33; www.naipublishers.nl). ISBN 90-5662-383-4.