David Nolens

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Deze schrijver en zijn pathetiek

De schrijver roept wat verstrooid ligt op een eigenzinnige manier bijeen. Daar heeft hij een houding voor nodig, letterlijk, een concentratie van de geest in en ondanks het lichaam. Zijn lijf is er, maar het moet voorbij zichzelf worden gedacht, opdat het in zijn schriftuur, in het geschreven woord opnieuw vaste vorm kan aannemen. Het is dus niet zijn woord dat vlees wordt, maar zijn vlees dat woord wordt in de beweging van het schrijven. Zijn concentratie moet worden bemiddeld. Ze ligt niet voor het grijpen, maar vraagt om een pose waarin ze zich kan manifesteren. Die pose is de voorwaarde om aan het schrijven te gaan, het harnas waarin hij zich moet dwingen. Het is een schrijven zonder enige aanleiding, want daar komt het hier op neer. Hij heeft geen materiaal dat, verspreid op tafel, klaarligt voor gebruik. Deze schrijver gaat zitten en neemt de draad op van gisteren, of hij begint aan iets nieuws. Misschien heeft hij een vaag idee of heeft hij wat plotlijnen uitgetekend, maar in wezen gaat het hierover: hij neemt plaats voor een leegte, nieuwsgierig naar wat zich aandient. Toch is die leegte altijd een valse leegte, omdat ze ‘omkaderd’ is. De schrijver verliest zich niet in die leegte, maar vult ze met heel zijn persoonlijkheid op; een andere keuze heeft hij niet. Voorts omkadert hij zijn blad papier of het klavier met attributen. Misschien dat hij verkiest om de woordenboeken links voor hem te plaatsen. De asbak moet rechts van hem staan. De koffiekan of waterfles zijn binnen handbereik. Een mens kan zowat alles tot zijn gewoonte, tot een dagelijks gebruik maken – ook het schrijven, maar specifiek aan dat schrijven is de weerstand die het oproept. Het loopt zelden zoals de schrijver het zich had voorgesteld. Zijn pose is nooit zomaar de sleutel tot de inspiratie die hij zich wenst.

 

1.

Gisteren schreef hij in een grote, donkere zaal waar in het midden een tafeltje stond met daarop zijn typemachine. Het lukte hem niet om eenzaam in het centrum van deze ruimte zijn lichaam en sores te vergeten en iets anders te kunnen horen dat de moeite waard was om op te schrijven. Het blijkt dat hij al te zeer op zijn pose was betrokken. In een totaal vreemde, zelfs beangstigende omgeving, dus met te veel vreemdheid die van buiten komt, wordt het moeilijk om nog het vreemde in zichzelf te kunnen vinden. Hij werd overmeesterd door zijn omgeving, of eerder: hij werd letterlijk overstemd. Hij verdronk in de grote, verduisterde ruimte. Zijn concentratie heeft immers bakens nodig. Daarom schrijft hij vandaag in een heel kleine kamer, niet groter dan een wc-hok. Hij kan zich slechts richten op het blad vóór hem. Gevangen tussen muren die zijn ellebogen raken, is elke vlucht van het schrift weg meteen een capitulatie. Om niet claustrofobisch te worden in dit schrijfhok, kan hij maar beter vluchten in de diepte van het blad. Gedwongen concentratie, tot hij de dwang vergeet en zich vermeerdert of vermindert in zijn schriftuur.

Morgen schrijft hij in een vol café. Wat een pretentie. Maar er is wel iets voor te zeggen om zijn lichaam, dat hem in de weg zit, te doen oplossen in de opgehoopte lichamen van anderen, om dermate aanwezig te zijn dat die anderen zijn lijf niet meer zien. Te midden van al wie beweegt, zit hij stil als een steen; dat doet hem genoegen. Misschien dat hij dan begiftigd is met een stem die wil roepen en slaan boven het warrige gekrioel des mensen. Dus heeft hij die mensen rondom hem nodig; zoniet wordt zijn stem tam.

Op een dag beslist hij om elders, in een gehuurde kamer, te gaan schrijven. Hij heeft zich verbeeld dat hij elke dag als Odysseus het eiland Ithaca moet verlaten om na wonderlijke confrontaties, gevechten en bekentenissen, ‘s avonds het veilige eiland van zijn thuis weer op te zoeken. Inmiddels heeft hij, op zijn tweede adres, en in zichzelf, een vers spoor achtergelaten. Dat helpt hem dag na dag vooruit in zijn hopeloze queeste. ‘s Morgens als hij het huis verlaat, lijkt het alsof hij met elke stap naar zichzelf-maar-dan-anders toe wandelt; met elke stap breekt hij zichzelf iets meer open, om dan met gespleten borstbeen aan het schrijven te gaan. Hij vindt het mooi dat hij ‘s morgens vertrekt naar een adres waar de schrijver die hij zal zijn, al op hem zit te wachten.

 

2.

Hij zit nu op zijn stoel, het blad en de pen of het klavier voor hem. Zijn zintuigen hebben de neiging om zich willekeurig aan ‘buiten’ vast te hechten. Binnenin zijn lijf zit nog dat monster dat liefst van al de straat op wil om zich suf te neuken. Terwijl hij net uit datzelfde monster zijn energie, verlangen en verleidelijkheid wil putten. Zijn drift wordt immers op vele manieren aangewend, maar soms is ze zo hinderlijk, verwijst ze zo sterk naar het lichaam dat ze maakt, dat ze gekalmeerd moet worden. Daarom durft hij voor hij aan het schrijven gaat al eens krachtig te ejaculeren – om vervolgens, tijdens het schrijven, langzaam de drift weer op te bouwen en, in het beste geval, te verstuiven in zijn schriftuur.

Hij moet zich zowel binden als ontbinden. Eerst heeft hij zich gebonden aan zijn werkplek, nu moet hij zich net voldoende ontbinden opdat de stilte tussen zijn (of de) woorden hoorbaar wordt. Pas dan kan hij muziek maken. Als hij zich te veel ontbindt, wordt zijn stem losbandig. Als hij zich te veel bindt aan zijn lichaam op een stoel aan een tafel in zijn statuut van schrijver, blokkeert zijn pen. Dan moet hij ophouden. Hij moet verstrooiing zoeken totdat hij vergeet met welke zweep hij zich ranselt. Toch vindt hij dat hij best in de buurt van zijn manuscript blijft. Hij mag zijn zweep niet helemaal uit het oog verliezen, hij moet er een zijdelingse blik op bewaren, want stel dat zijn wonden dichtgroeien voor hij zichzelf nog eens kastijdt, dan zijn zijn bloed, zweet en tranen voor niets geweest. Inderdaad, de aloude idee van de gekwelde schrijver kwelt deze schrijver; daar heeft hij ooit zelf voor gekozen. Na verloop van tijd is hij, voor de goede orde, die keuze noodzaak gaan noemen.

Soms lijkt het hem te lukken dat hij louter gerichte aandacht wordt, dat zijn concentratie zo sterk is dat niets of niemand hem kan storen in de opbouw van zijn tekst. Dan zegt hij: alles zit goed. Dan pocht hij dat hij uren achtereen op zijn oude schrijfmachine ramde terwijl hij in een luchtbel zat. Dat lijkt wel zijn fantasma. Blind en doof voor alles rondom, in zijn kamer als een bunker, is hij helemaal schrijver geworden. Nu moet het allemaal van binnen komen. Op een dag zegt hij dat hij schrijft om zich ‘s ochtends niet te hoeven scheren. Dus om niet aan de ‘dagelijkse gemeenplaats’ te moeten beginnen, maar om nog in zijn pyjama op het witte blad te kunnen duiken. (Kristien Hemmerechts beweerde in een interview dat ze zich voor de arbeid van het schrijven soms graag opkleedt en schminkt, alsof ze naar een feest gaat. Hij vermoedt dat de ongeschoren schrijver en de opgeklede schrijver heel andere teksten produceren.)

Hij experimenteert. Enkele glazen whisky leveren een andere bevlogenheid en een andere tekst op. Hasj verschilt dan weer danig van cocaïne. Dat soort geestestoestanden hebben het voordeel dat ze het lichaam, dat hem in de weg zit, makkelijker doen vergeten, omdat de zenuwen verdoofd worden of omdat er net ‘iets heerlijk anders’ door zijn zenuwbanen raast. Maar er blijken helaas meer nadelen dan voordelen te zijn: zijn verstand, zijn logisch en associatief vermogen functioneren onder forse invloed zo anders dat het resultaat al te particulier wordt. Dat komt omdat hij in zijn narcistische roes alleen nog zichzelf wil leren begrijpen, door zichzelf tot in het uiterste te beleven. Hij communiceert dan nog slechts vanuit zijn door de drug verwrongen spiegelbeeld; geen lezer die zich in dat beeld herkent. Zo vreest hij toch.

 

3.

Deze schrijver liegt zich voor dat hij aan iets belangwekkends gaat beginnen. Zonder het geloof in deze leugen kan hij niet. Zijn dag begint altijd in de naïviteit van de werklust. ‘s Morgens zet hij zich aan tafel en begint te schrijven. Rond elf uur raakt het botte mes van de twijfel zijn eerste zenuw. Zijn geloof begint te wankelen. Na de middag slaat de lamlendigheid toe. Hij zwerft door het huis, tracht in een van de vele spiegels iets van zijn gelaat af te lezen. Het is allemaal hopeloos, denkt hij. Hoe halen mensen het in hun hoofd om te schrijven aan iets dat nog niet bestaat? Hij legt zich op bed, leest tijdschriften, kijkt televisie, snoept. Om drie uur is er een lichte opflakkering. Hij leest na wat hij die ochtend heeft geschreven. Het is zo slecht nog niet, vindt hij, en hij zet zich om er een vervolg aan te breien; maar de wanhoop van de laatste uren heeft hem te veel gekleurd – en hij houdt niet van het doffe cynisme dat zo in zijn schriftuur sluipt. Rond vijf uur komt zijn lief thuis. Ze kraken een fles wijn, eten een gebraad. Tegen negen uur zijn ze goed dronken en hij denkt: wat een onzin deze namiddag. Ik moet volharden, dag na dag, dan komt alles vanzelf goed. Morgenvroeg ga ik weer aan de slag en ik werk heel de dag stevig door. Je zal zien hoe dat zijn vruchten afwerpt. – Rond twaalf uur gaan ze slapen. Hij is heel erg voldaan en vol dronken moed. Zo gaat dat elke dag.

Hij moet schrijven over wat hij niet gezegd krijgt. De reden waarom hij elke ochtend aan zijn tafel gaat zitten, is zijn geloof ‘dat er iets is’. Hij geloofde al zowat elke namiddag dat alles zinloos is, maar in de beleving van de bijna alles verpletterende zinloosheid doemt als een soort fata morgana ook telkens weer het ‘er moet toch iets zijn’ op. Dat zet hem in beweging. Want wat sluit er beter aan bij zijn hopeloze queeste dan het witte blad waarmee er telkens opnieuw begonnen mag worden? Uiteraard komt dat ‘iets’ nooit te voorschijn. Het is niet zo dat het er op een dag staat, zoveel woorden nettowinst. Hij is voldoende nuchter om te weten dat het er nooit zal staan. Maar hij gelooft wel dat het er is. Waar dan? Dat kan hij niet zeggen. Maar het is er wel. Onder zijn huid. Als een splinter in zijn oog. Als iets wat hem steeds ontglipt en als een spook door zijn zenuwstelsel waart. Want in zijn zenuwbanen voelt hij het, als het ‘s morgens op kruissnelheid komt en hem treiterend toeroept: kom me dan pakken. ‘s Middags is hij ontgoocheld. ‘s Avonds is hij dronken van de gedane sisyfusarbeid. Dan ligt hij languit op straat en kijkt verveeld naar de zwerfkat die haar eigen staart najaagt.

Niemand moet schrijven. De mens moet niet. Dat mag dan al waar zijn, toch krijgt hij niet aan zichzelf uitgelegd waarom hij schrijft, denkt te moeten schrijven, wenst te schrijven, dikwijls tegen beter weten in, waarom hij aan de inkt moet.

 

4.

Vandaag is er als vanzelf een nieuw schema ontstaan waarin hij zich voorgoed wil inpassen. Tussen zijn schrijftafel met stoel en zijn comfortabele fauteuil liggen enkele meters. Al heel de dag beweegt hij zich tussen de twee. Er is op deze tafel een schrift waarin hij schrijft en een roman waaraan hij werkt – en er is op de armleuning van de fauteuil de roman Reis naar het einde van de nacht van Céline. Naast de warme radiator leest hij er enkele passages uit, waarop de drang ontstaat om zelf ook enkele woorden te schrijven, zodat hij naar zijn tafel wandelt en deze woorden aan het blad toevertrouwt. Zo gaat dat maar door, uren aan een stuk, tot het avond zal worden. Dat heen en weer tussen twee punten in zijn kamer, die wisselwerking tussen passief en actief; het leek hem het perfecte schema, iets waarin hij misschien voorgoed zou kunnen bestaan.

Aan het werk is nu zijn dubbelganger. Hij weet niet of hij van hem houdt. Hij is er gewoon, steeds meer ook. En vooral, hij is benaderbaar. Veel meer dan de anderen kan hij hem van binnenuit bekijken, kunnen ze samen op zoek naar inzichten. Hij kan zijn dubbelganger opvoeden, maar eigenlijk voedt die hem op. Misschien is dit wel zijn kleinere vorm, waar hij goed in past. Hij stelt zich voor dat hij eindelijk heeft gevonden wat hij al zolang wenst: een ruimte waarin zijn dubbelganger vrij is om zich te bewegen, zo goed als hij kan, waarin hij kan trainen om soepel en vaardig te worden. Zijn woorden, zijn korte adem als ultiem atelier.

Hij aanvaardt voortaan geen moreel of esthetisch argument meer om iets niet op te schrijven. In zijn ruimte beschouwt hij zich niet langer als een privé-persoon. Dat maakt hem daarom nog geen publiek persoon, maar hij is maar persoon in zoverre hij publiek bestaat. Hij gooit zich terwijl hij schrijft ten volle op de markt. Hij spaart niemand, zichzelf noch zijn naasten. Deze schrijver is een hoer, maar dan letterlijk. Dagelijks wordt hij als dubbelganger geneukt door zijn voeder. De dubbelganger schrijft en wordt geschreven. De voeder heeft een dagelijks bestaan en stoffeert de dubbelganger. Misschien dat ze ooit samenvallen. (Onmogelijk, tenzij misschien als de dubbelganger schrijft over de dood die de voeder op datzelfde moment ook overkomt; het potlood valt dan samen met de adem stil.)

 

5.

Al wat hem belet te schrijven, moet overboord gegooid worden, of meegenomen in wat hij schrijft. (Er zijn ook schrijvers die een leven lang schrijven over schrijven en over het schrijven over schrijven.) Voortaan schrijft hij alsof het niets is, alsof er geen hindernissen te nemen zijn, alsof hij vanuit het bed op het blad valt. Maar helaas, er bestaat niet zoiets als een ongedwongen schriftuur. Er bestaat wel een schriftuur die ongedwongen lijkt.

Na een uur schrijven valt zijn concentratie uit en moet hij zich in de kamer ernaast met ontbloot bovenlijf honderd keer opdrukken. Dan legt hij zijn manuscript op zijn rug om na te gaan hoe zwaar het weegt én of hij het kan dragen. Laat het spierpijnen na? Veroorzaakt het littekens? Zonnebrand? Als hij het lichaam heeft uitgeput, begint zijn geest opnieuw te spreken en vat hij het schrijven weer aan. Sommige manuscripten wegen zo licht dat hij ze niet eens voelt. Hij heeft dan honderden pagina’s meringue geproduceerd: schuimgebak van stijfgeklopt eiwit met fijne kristalsuiker. Een andere keer schrijft hij een gedicht van twaalf woorden, plakt het velletje papier met kleefband op zijn rug en hij raakt niet verder dan vijf push-ups. Dagenlang heeft hij pijn; hij heeft een loden kogel gegoten. Eén keer – en dat is te gek, maar niet voor woorden – heeft hij een bloedmooie vrouw beschreven in drieduizend woorden en de bladzijden met een nietje op zijn rug bevestigd. Hij heeft zich toen honderddertig keer opgedrukt en voelde nauwelijks de inspanning; hij vloog. Nadien had hij het overal warm in zijn lichaam. Toen hij het de volgende dag met dezelfde vrouw opnieuw probeerde was de betovering al verbroken; dat soort verbeelding laat zich enkel vers consumeren. Maar sinds de vrouw op zijn rug, werd schrijven een plezier, terwijl het voordien hard labeur was dat vergezeld ging van een knorrig mensbeeld en obligate zelfhaat.

De schrijvende mens is een volstrekt hopeloos specimen dat niets anders doet dan liegen en zich via allerhande trucs tracht te wettigen. Zitten, zwijgen, schrijven. Er is al dagen geen noemenswaardige gedachte in hem opgekomen. Er is al dagen die schuld omdat er maar geen noemenswaardige gedachte in hem opkomt. Wie arm is, moet de rijkdom elders zoeken. Maar al dagen kan geen enkel boek hem nog bekoren. De dofheid die zich in zijn wezen heeft verspreid, is dodelijk. Maar ook om te sterven vindt hij geen voldoende reden. Zo voelt hij zich dus: feitelijk eenzaam, stil en rond, als een ei. Het ei breekt niet meer open. En als het openbreekt, is het leeg, op een droge, korrelige substantie na. Ook beeldspraak kan hem niet van de ondergang redden. Hij beseft: als de taal – en de taal maakt wat hij is: niets, alleen maar ‘mogelijkheid’ – mij in de steek laat, wat dan? En hij bedenkt: ik strooi maar wat letterkoekjes in het rond, en niemand raapt ze op. Zegt dan een stem: afschuwelijke beeldspraak, ge komt er nergens mee. En hij weet: wat een toestand! Deze schrijver en zijn pathetiek!

Hij had zonet een schitterend idee en nu hij het wil opschrijven, is hij het vergeten. Vervolgens zit hij de godganse rest van de dag in zijn armchair te suffen, en schroeit de zon door het dakraam zijn kalende kruin.

 

6.

‘s Nachts droomt hij voor de zoveelste keer hoe hij een gevlochten touw van kurkdroog snot uit een neusgat trekt. Het blijft maar komen. Aanvankelijk vindt hij het de gewoonste zaak, maar als blijkt dat er aan het touw geen einde komt, groeit zijn weerzin. Bijna al zijn dromen zijn makkelijk te verklaren, alsof zijn symboliek voor kinderen is gemaakt. Ook als hij schrijft, kan hij het niet laten in zijn neus te pulken. Na het ontbijt, de drie koppen koffie, de vijf sigaretten, moet hij zijn darmen ledigen; dat is een voorwaarde om met het schrijven te beginnen.

Soms zit hij gekneld tussen twee verlangens. Enerzijds wil hij meteen schrijver zijn, en zo voelt hij zich alleen tijdens het schrijven zelf. Anderzijds wil hij nu naar buiten en zich verliezen in de verstrooiing van dagelijkse handelingen, zoals naar de winkel gaan of zijn fiets herstellen. Of hij nu voor het een of het ander kiest, in beide gevallen voelt hij zich tekortgedaan door wat hij gekozen heeft. Net omdat de keuze zich aan hem opdringt, is hij zich al te zeer bewust van de willekeur waarmee hij handelt. Het doel dat hij voor ogen heeft, dat per definitie vaag is en nooit wordt bereikt, altijd slechts ‘uitgestelde voltooiing’ is, doemt nu op in al zijn vrijblijvendheid. Niemand zit te wachten op wat hij wil doen, behalve hijzelf, die zich al die jaren vooral in dat wachten geoefend lijkt te hebben. Ook daarom heeft hij een tergend besef van de voortgang van de tijd waarin hij wegsterft. Het gebeurt maar zelden dat hij de tijd uit het oog verliest, en niet kijkt naar de wijzer van de klok. Hij is zich dagelijks bewust van de positie die hij op zijn tijdslijn inneemt, terwijl hij goed weet dat hij daar niet mee bezig zou mogen zijn, al was het maar omdat die tijdslijn fictief is; hij weet immers niet wanneer ze eindigt. In het verlengde hiervan ligt zijn belachelijke, niet te onderdrukken hebbelijkheid om van schrijvers die hij bewondert het jaar van hun debuut op te zoeken en uit te vlooien op welke leeftijd ze succes hadden. Vervolgens vergelijkt hij dit met zijn eigen vorderingen. Het vergelijk kan hem gelukkig stemmen: er is nog tijd – of lamleggen: waar ben ik mee bezig.

Er zijn dagen dat hij op het blad of op het scherm onophoudelijk zijn spiegelbeeld ziet. Wat een monsterlijk beeld. Is hij dat die daar uren verkrampt op een stoel zit, terwijl bij iedereen, behalve bij hem dan, dat schrijven vanzelf gaat? Maar als het al eens vanzelf gaat en hij na uren zijn pen neerlegt, dan is hij de koning te rijk. Dan wandelt hij in de avondschemering naar het café om de hoek, met een grijns van hier tot ginder, dan veren zijn zolen op het uitgerolde voetpad. Hij geniet van die voldane tinteling in zijn lijf. Hij kijkt de mensen recht aan, de handen losjes in de broekzakken. Zien jullie wat deze schrijver vandaag gepresteerd heeft? Maar, het moet gezegd, op dagen dat het schrijven slechts mondjesmaat lukt, wenst hij dat niemand zou weten dat hij de literatuur ambieert. Zodat niemand die lelijke frons op zijn voorhoofd zou begrijpen als een mislukte schrijversdag.

 

7.

Hij schrijft op een strookje: je moet nederig schrijven!, streept het uitroepteken door en prikt het papier in de kalk van de muur. De volgende dag leest hij wat daar staat en bedenkt: ja, ik moet nederig schrijven, maar ik moet niet schrijven uit nederigheid, want dat gaat niet of dat levert geen resultaat op. In zijn schriftuur moet minstens een snuif nederigheid terug te vinden zijn; anders bestaat het gevaar van klatergoud en dat irriteert aan de ogen zoals klinklank aan de oren. Het is ook niet goed om te schrijven uit hoogmoed. Een enkeling mag schrijven om te imponeren, omdat hij daar goed in is. Het is ook onzin om te beweren dat hij schrijft omdat hij niets anders kan. Dan kan hij evengoed vuilnis ophalen. Er wordt vandaag nogal wat geschreven vanuit de verkeerde intenties en ook hem overkomt dat wel eens; dat wisselt van dag tot dag. Hij heeft ontdekt dat hij schrijft uit angst voor de leegte waarin hij niet schrijft. Er is angst, zegt de zwaarmoedige met onverholen ernst, om de wereld in te gaan, om met mensen te verkeren. Maar vooral is er angst om daarbuiten iemand te moeten zijn, met naam en toenaam, met een beslissingskracht die hem een job oplevert. Of met knieën die niet knikken maar hem sterk doen staan. Wat hem betreft is de wereld hierbinnen altijd de enig mogelijke wereld, en is de wereld daarbuiten nog slechts een middel om ergens te geraken. Of ze is er voor het vertier of om grondstoffen te rapen. Hij heeft schrik om bedreven te worden in de omgang met die wereld.

Hij betrapt er zich soms op hoezeer hij doorheen dit schrijven iemand wil worden. Eindelijk iemand zijn. Hij zegt het voor zich uit, als een zucht: eindelijk iemand zijn wiens naam ook buiten familie- of vriendschapsbanden iets betekent. Niet zomaar iets betekent, maar iemand van wie men zegt: die man heeft zijn bestemming gevonden. Daar hoort hij thuis. Die man heeft elke behaagzucht afgelegd. Waar hij is, is hij niets meer. Zijn behaagzucht is misschien wel de grootste kwelling van de laatste jaren. Hij probeert ze beetje bij beetje kwijt te raken. Hij vermoedt dat hij zich, door zich van die last te ontdoen, ook wat van de samenleving zal verwijderen. Uiteindelijk is het belangrijkste: de waarheid vinden die het beste bij hem past. En een stroom vinden waarin werk en leven dezelfde kant opgaan? Of houdt het werk net in dat hij het leven bevecht? Er hoort een hoekige bril bij en een mager, pezig lijf.

Hij zit met zijn hoofd in een dikke mist en weet nauwelijks dat er nog andere mensen zijn. Zijn lief komt in de kamer. Ze is naakt. Ze had niet op de deur geklopt omdat ze wist dat hij haar niet zou binnenlaten. Hij ziet haar niet staan. Hij leest hardop wat hij de laatste uren heeft geschreven, om het ritme, de muziek van de tekst te voelen. Tegelijk masturbeert hij, om zich te bevrijden van een hinderlijke drift. Zij wringt zich tussen de tafel en de stoel en gaat in één beweging met haar natte poes op zijn lul zitten. Meteen daarna komt hij. Hij kijkt haar kwaad aan en ze gaat weg. In de badkamer vingert ze zich soppend in zijn zaad klaar.

 

8.

Hoe dan ook, hij leeft bijna voortdurend in een ‘sfeer van schuld’, die voornamelijk wordt gevoed door de taal die hij noodgedwongen naar buiten brengt. Wat er binnen gebeurt, daar heeft hij net voldoende mee leren leven. Dat er binnen veldslagen plaatsvinden, kerkhoven worden gebouwd en weer omgespit, dat is eigen aan zijn slecht gemarineerde natuur. Maar waarom gaat bijna elke uitwisseling van binnen naar buiten gepaard met schuld? Bijna elke brief of e-mail, heel veel gesprekken, alles wat hij publiceert, geeft aanleiding tot schuld. Hij heeft dikwijls gedacht dat de schuld voortkwam uit de vermoede reacties van anderen. Hij is aandoenlijk goed in het zich voorstellen van hoe anderen op zijn gedrag reageren. Meestal heeft hij het fout. Nu weet hij dat de schuld een afgeleide is van de onmacht over alles wat hem én aan hem ontsnapt. Want praten en schrijven is altijd ontsnapte taal. Ze ontsnapt hem, eenvoudig langs de mond. Ze ontsnapt aan hem, omdat wat hij zegt nooit samenvalt met zijn intentie; er is altijd iets dat tegenstand biedt, schuurt. Het is over dat iets dat hij zich schuldig voelt. Hij stelt: elke literaire, filosofische of autobiografische tekst handelt over dat iets, is een altijd mislukte dus uitgestelde verzoening met dat iets. Om het heel pathetisch te formuleren: de eigenlijke Wiedergutmachung komt er pas met zijn dood.

Allemaal excuses om niet naar buiten te moeten gaan en iets te ondernemen, iets in beweging te zetten, desnoods iets kapot te maken, als hij maar iets verandert, als het maar iets doet aan zijn uitgebloede sensaties, zijn ongevoelige vingertoppen, zijn versleten syntaxis, zijn indolentie die zich in het schrijven tracht te rechtvaardigen. Het is een leven vanuit het universum van waaruit alles nietig en onbelangrijk schijnt. Een en ander hangt samen met zelfhaat. Dikwijls zet dit beeld aan tot schrijven.

 

9.

Elke gedachte neemt ruimte in. Het is eerder zo dat hij in de gedachte woont dan dat de gedachte in hém leeft. De stroom van zijn gedachten is nauwelijks te traceren, behalve in het schrijven, maar dan nog op een erg oneigenlijke wijze. De schrijfactiviteit zit de gedachte met een scherp potlood achterna en alleen al daardoor wordt de gedachte vervormd, in een stijl gedwongen, in een leugen. De mislukking van zijn schrijven ligt in wat hem ontsnapt aan niet nagestreefde betekenissen. Hij zegt: dat heb ik niet geschreven. En de ander antwoordt: jawel, zo heb ik het gelezen. – Dit geldt ook voor al het voorgaande.