Wouter Van Acker

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dedicated to a proposition

Sinds november is Antwerpen een nieuw centrum voor hedendaagse kunst rijker. Extra City, gehuisvest in een gewezen graansilocomplex op het Antwerpse Eilandje, wil de ‘starre’ Vlaamse kunstscène verlevendigen met een ambitieus programma. Enerzijds wil deze kunsthal als schakel opereren tussen andere Antwerpse instellingen en initiatieven, zoals het MUHKA, Lokaal 01, Objectif en AIR; anderzijds wil Extra City de geografisch centrale positie van Antwerpen aangrijpen om internationaler te werken en de regio te situeren in een netwerk dat het Centre Pompidou, Tate Modern en de musea in Keulen en Düsseldorf omspant. Artistiek leider Wim Peeters plant vier tot vijf tentoonstellingen per jaar. Hij zal samenwerken met binnen- en buitenlandse kunstinstituten, en werkverblijven aanbieden aan buitenlandse kunstenaars of artistieke groeperingen. Vanuit deze internationale verankering wil de kunsthal een alternatieve koers varen en het beeld van de Belgische kunst in het buitenland bijstellen.

Extra City opent ambitieus met de tentoonstelling Dedicated to a Proposition. Naast werk van artists-in-residence Mike Bouchet, Terence Koh en Robin Rhode, is er erg uiteenlopend werk te zien van kunstenaars als Joost Conijn, Paul Graham, Enrique Metinides, Damian Ortega, Ana Torfs en Chris Burden – meteen een proeve van het internationale beleid dat Extra City beoogt. De titel Dedicated to a Proposition refereert aan de toespraak die de Amerikaanse president Abraham Lincoln tot de bevolking hield ten tijde van de algehele burgeroorlog in 1863. In die speech alludeerde Lincoln op het Amerikaanse beginsel dat iedereen gelijk voor de wet wordt geboren; het is meteen een duidelijke vingerwijzing dat deze tentoonstelling het maatschappelijk en politiek potentieel van de actuele kunst wil aanspreken.

De tentoonstelling opent met de multimediale installatie Great Balls of Fire van Leon Grodski. In een leefruimte staat een televisietoestel waarop een bedelaar op een bezwerende toon de kortzichtige reacties van het publiek in woelige politieke tijden aankaart. Met de rokende WTC-torens op de achtergrond peilt hij naar de opinies van de mensen. Van Francis Alÿs speelt hier een video van een performance waarin de kunstenaar test hoe lang hij in het centrum van Mexico City ongestraft met een 9mm Baretta kan rondlopen – een actie die hij nog eens overdeed als ‘re-enactment’ met medeweten van de politie. Sebastian Diaz Morales filmt een menigte die voor het parlementsgebouw in Buenos Aires protesteert tegen een wet die betogers zware sancties oplegt. Enrique Metinides monteerde opnames van allerlei ongelukken – van moorden tot aardbevingen – in een filmische sequens. Van Luc Tuymans hangt er onder meer Prisoners of War, een schilderij naar een televisiebeeld van vier gevangenen uit de Golfoorlog.

Hoewel de politieke daadkracht van de kunst het meest openlijke motief van de tentoonstelling vormt, wordt tegelijk een andere agenda bespeeld. Door de tentoonstelling loopt immers nog een ‘non-scenario’ dat het ruimtelijke en temporele karakter van de kunsthal wil bevragen. De sleutel voor dat scenario ligt besloten in twee markante ‘werken’: het krantenartikel over de schipbreuk uit 1816 waarop Théodore Géricault zijn schilderij Le Radeau de la Méduse baseerde en oude installatiefoto’s van het werk van Edvard Munch. Géricault wordt aanzien als de eerste kunstenaar die een gegeven uit de media ‘verwerkte’, een proces dat bij veel hedendaagse kunstenaars – en Luc Tuymans in het bijzonder – zeer populair is. Een stapel kopieën van het persartikel uit 1816 ligt in de tentoonstelling tussen de TV Commercials 1973-1977 van Chris Burden en het werk New Sexual Life Styles van Gerard Byrne. Beide hebben de impact van de media op de kunst tot onderwerp. Chris Burden kocht tien seconden reclametijd van twee televisiekanalen in Los Angeles. Drie geblokletterde aforismen – “science has failed”, “heat is life” en “time kills” – worden afgewisseld met een close-up van het gezicht van Burden die ze verkondigt. Gedurende vijf dagen werd het reguliere tv-programma 72 keer door deze Poem for L.A. onderbroken.

De foto- en video-installatie van Gerard Byrne reconstrueert een discussie tussen seksuologen, feministische lesbiennes, masculinisten en biseksuelen over New Sexual Lifestyles. Het debat, dat in 1973 werd gepubliceerd in Playboy, wordt nagespeeld door twaalf acteurs in een dramatische setting, het laatmodernistische Goulding House op het Ierse platteland dat uit dezelfde periode dateert. De acteurs gaan een voortdurend gevecht aan met de geloofwaardigheid en authenticiteit van hun personage. De leefstijlen die in Playboy met verve worden bediscussieerd, zijn immers al lang gedateerd. Door de historiografische methode van de reconstructie toe te passen op een modieus, tijdgebonden en vergankelijk product als Playboy magazine, raakt Byrne aan de voortdurende spanning tussen actualiteit en geschiedenis. In de Playboy-discussie wordt het recente verleden steeds opnieuw als voorbijgestreefd afgedaan, om de actualiteit in de verf te kunnen zetten. Door de historiserende blik van Byrne komt het vergeten echter als motor van de actualiteit bloot te liggen. Zijn werk is dan ook erg toepasselijk in een kunsthal als deze. De kunsthal fungeert doorgaans als een tentoonstellingsmachine: geen bewaarplaats van het verleden maar een schouwplaats van het heden. Net als een ‘magazine’ presenteert en documenteert de kunsthal actuele trends en stromingen, waardoor de kunstwerken iets van persberichten krijgen die de volgende dag achterhaald zijn. Dat vergeten wil Extra City alvast indachtig zijn. Zo valt de aanwezigheid op van de recent overleden kunstenaar Guy Mees. Zijn recente werken ogen verrassend fris en gaan een bijzondere dialoog aan met de andere, overigens erg jonge kunstwerken.

De oude installatiefoto’s van de Noorse kunstenaar Edvard Munch thematiseren het ruimtelijke tentoonstellingskader van de kunsthal. Wanneer Munch in 1903 zijn schilderijen op één lijn tegen een witte muur hangt, zet hij een historische stap van de salonopstelling naar de witte kunstruimte. Het idioom van de white cube geldt tot op heden als de meest neutrale en evidente inrichting van tentoonstellingsruimtes. Extra City betrekt daarentegen een eigenzinnige en confronterende industriële ruimte die een rudimentaire renovatie onderging. De keuze voor dit type gebouw, dat in kunstmiddens erg populair is, was vooral pragmatisch. Extra City kwam immers met de eigenaar overeen om het pand te huren voor de symbolische prijs van één euro per jaar. De eigenaar droeg ook de kosten van de verbouwing. De grond is eigendom van de haven van Antwerpen, die in 2007 zal beslissen over de bestemming van het pand en dus over de ‘verblijfsvergunning’ van Extra City. Vanwege die onzekerheid en om budgettaire redenen beperkte Extra City zich tot het installeren van de noodzakelijke voorzieningen zoals water, gas, elektriciteit, en het afsluitbaar maken van het gebouw. De architecturale ingrepen zijn minimaal: de elementen die het instituut herkenbaar maken, zoals het directielokaal (in de vorm van een bureaucontainer) en de ontvangstbalie, werden ontworpen door B-architecten en los in de ruimte geplaatst. Dat levert een tijdelijk totaalbeeld op waarbij het instituut en de industriële hal los van elkaar kunnen worden gelezen.

Het enige werk dat op de architectuur van Extra City inspeelt, is de installatie van Gert Robijns. In het centrum van de T-vormige gang, die geflankeerd wordt door de betonnen compartimenten van de voormalige graanopslagplaats, plaatste hij een hek en een basketbalring. Een van de compartimenten bouwde hij om tot een garagebox, waarin ‘voorlopig’ een aantal buizen zijn neergelegd. De hal krijgt iets van een binnenstraat, of van de semi-publieke ruimte achter een appartementsgebouw. Robijns’ absurde compositie met hek en basketbalring toont de relativiteit van de transformatie van loods tot kunsthal: uiteindelijk is dit niet meer dan een tijdelijke speeltuin voor de kunst. Tegelijk stelt Robijns’ werk de vraag naar de toekomst van Extra City. Een permanent verblijf op deze locatie is allerminst uitgesloten. Extra City past immers netjes binnen de huidige stedenbouwkundige visie op het Eilandje, het belangrijkste stadsvernieuwingsgebied van Antwerpen. Met het toekomstige Museum aan de Stroom, de nabijgelegen Metropolis, de Filharmonie, het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de grootschalige woningbouwprojecten zal dit excentrisch gelegen stadsdeel ongetwijfeld uitgroeien tot een place to be.

 

• Dedicated to a Proposition, tot 20 februari in Extra City, Mexicostraat, Kattendijkdok, Kaai 44, 2030 Antwerpen (0484/421.070; http://extracity.org).