Marc Holthof

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Fake/Not Fake

Onder de titel Fake/Not Fake heeft het Groeningemuseum in Brugge de moed gehad een behoorlijk ontluisterende tentoonstelling op te zetten over vroegere restauraties van de zogenaamde ‘Vlaamse primitieven’. Ontluisterend omdat een vraagtekentje wordt geplaatst bij de reputatie van die werken. Zes (weliswaar minder belangrijke) werken uit de 15de eeuw – van een Annunciatie en Geboorte van Christus door Petrus Christus, over een werk uit het museum van Doornik dat aan Van der Weijden wordt toegeschreven, tot anonieme werken – werden onder de loep genomen door het gespecialiseerde labo van de universiteit van Louvain-la-Neuve. De modernste beeldvormingstechnieken, infrarood- en ultravioletbelichting en pigmentanalyse, werden erop toegepast.

Het resultaat is ontnuchterend. De toplaag van de vandaag fraai ogende, goed geconserveerde werkjes uit de 15de eeuw, blijkt in feite – soms voor 80 % – het werk van de restaurateur te zijn. De onderliggende originele compositie bleef weliswaar in grote mate behouden, maar wat de toeschouwer vandaag te zien krijgt, blijkt voor een groot deel ‘nieuw’. De restaurateurs schrikten er niet voor terug om grote delen van het schilderij tot op het hout af te schrapen en gewoon opnieuw te beginnen. Figuren kregen nieuwe gezichten (zo de Maria en Jozef uit het werk van Petrus Christus), details werden bijgeschilderd of ook wel eens weggelaten, de compositie kreeg meer diepte. De restaurateurs brachten ook valse craquelures aan, valse signaturen en data, ja een vals devies van de secretaris van Filips de Goede werd op de achterkant van een paneel bijgeschilderd.

De argeloze toeschouwer die door de tentoonstelling loopt, vraagt zich af hoe dit soort vervalsing ooit is kunnen doorgaan voor ‘restauratie’. Het enige wat voor de ingrepen blijkt te pleiten is de vaak belabberde toestand van de originelen, zoals die uit oude foto’s blijkt, of de toestand van de originele verflagen.

De manipulatie die elk van de zes werken heeft ondergaan, wordt uitvoerig getoond met uitvergrote details en begeleidende documentatie. In een laatste zaal wordt meer verteld over de belangrijkste ‘schuldige’ van deze wel bijzonder ingrijpende restauraties. Er is flink wat origineel materiaal en documentatie over Jef Van der Veken (1872-1964) bijeengebracht. De man genoot het vertrouwen en de achting van de grootste kenners uit zijn tijd, zoals Max Friedländer, Georges Hulin de Loo of Eduard Michel. Nog in 1948 gaf Max Friedländer een certificaat van echtheid aan een door Van der Veken gerestaureerd schilderij. Grappig is dat diezelfde Jef Van der Veken werd opgeroepen als getuige op het proces van Han van Meegeren. Nochtans was Van der Veken een nauwelijks subtieler vervalser dan Van Meegeren. Er zijn virtuoze tekeningen van hem te zien waarop hij – zoals elke vervalser – zeer handig elementen van verschillende meesters combineert. Maar Van der Veken annoteert wel zijn combinaties: “platsmoel (naar) Holbein, ogen bisschop Holbein, mond Cranach”.

Van der Veken verwierf faam in 1927 toen hij verkondigde dat één werk op de tentoonstelling Flemish and Belgian Art 1300-1900 in Londen, een Mystiek Huwelijk van de Heilige Catherina, een vervalsing van zijn hand was. Hij kon het eenvoudig bewijzen met een foto van de dochter van zijn tuinman: hij had haar portret in het schilderij verwerkt. Wat hij niet vertelde was dat een groot aantal werken uit de toen befaamde collectie Renders van Vlaamse primitieven ook grondig door hem onder handen was genomen. Een ervan, de zogenaamde Renders-Madonna van Van der Weijden uit het museum van Doornik, wordt trouwens op de tentoonstelling ontmaskerd als een werk dat grotendeels door Van der Veken is geschilderd. Nog een overeenkomst met Van Meegeren is dat collectioneur Renders aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een twintigtal door Van der Veken gerestaureerde Vlaamse primitieven aan nazi-kopstuk Herman Goering verkocht.

Maar in tegenstelling tot Van Meegeren werd Van der Veken nooit verontrust. Integendeel, hij was dé technische expert op het gebied van de Vlaamse primitieven. Hij restaureerde voor de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel en Antwerpen, het Groeningemuseum en het Sint-Jans Hospitaal in Brugge. In 1933 nam hij deMadonna en Kanunnik Van der Paele van Jan Van Eyck onder handen, in 1937 de Adam en Eva uit het Lam Gods. Hij was het ook die de kopie van de gestolen Rechtvaardige Rechters maakte.

De tentoonstelling presenteert die biografische gegevens over Van der Veken, maar gaat helaas niet in op de vraag waarom hij zijn activiteiten zonder problemen heeft kunnen uitoefenen, ongetwijfeld met medeweten van de conservatoren van onze grote musea. We worden hier nochtans geconfronteerd met een interessant stukje receptiegeschiedenis van de 15de-eeuwse schilderkunst, een receptiegeschiedenis waarover twee jaar geleden de belangwekkende tentoonstelling 1902 revisited liep in het Arentshuis dat bij het Groeningemuseum hoort. Daarin werd mooi aangetoond dat de herontdekking van de ‘Vlaamse primitieven’ perfect in de romantische herontdekking van het verleden paste. Het geval Van der Veken is een gedroomd vervolg op dat verhaal. Van der Veken kreeg een opleiding als decoratieschilder in de academische traditie, wat resulteerde in een virtuoze techniek die losstond van elke artistieke ambitie. Je zou hem een laat vertegenwoordiger van de neogotiek kunnen noemen. Rond 1900 leidde hij de succesvolle ‘Early Art Gallery’ die pastiches van oude kunstwerken leverde aan de rijke burgerij. Toen die handel tijdens de Eerste Wereldoorlog instortte, vond hij met succes een nieuw afzetgebied in de restauratie.

De manier waarop Van der Veken restaureerde is door en door romantisch. Hij respecteerde niet de ‘letter’ maar wel – wat hij en zijn tijdgenoten opvatten als – de ‘geest’ van deze werken. Geen wonder dus dat de door hem behandelde collectie Renders in de jaren twintig en dertig zeer in de smaak viel bij het publiek. Hoe dubieus zijn praktijk vandaag ook is, zij markeert een niet te ontkennen fase in de receptiegeschiedenis van de 15de-eeuwse schilderkunst. De problematiek (het – zeer letterlijke – aanpassen van kunstwerken aan de smaak van de tijd) is veel ruimer dan het geval Van der Veken alleen. In dat opzicht is het jammer dat de tentoonstelling blijft steken in de wat simplistische fake/not fake-problematiek.

 

• Fake/Not Fake. Restauraties reconstructies falsificaties. Het conserveren van de Vlaamse primitieven in België (ca. 1930-1950), tot 28 februari in het Groeningemuseum, Dijver 12, 8000 Brugge (050/44.87.12; www.brugge.be/musea).