Bart Verschaffel

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Thierry De Cordier

De tentoonstelling van tachtig tekeningen in de Galerie d’art graphique van het Centre Pompidou toont hoe Thierry De Cordier in zijn recent werk zijn beeldwereld verder ontwikkelt: het werk verrast dus niet, maar treft door de manier waarop het een thematiek uitpuurt. De tentoonstelling bestaat uit twee grote kamers die samen een rechthoek vormen waarbij in het midden van een van de lange zijden een inkom is uitgespaard. Binnen vormt het versmalde deel een derde ruimte die de beide grote kamers verbindt. In de inkom hangt het bijna levensgrote (pseudo-) autoportrait comme Christ, “un tableau raté” – een olieverfschilderij – met een lijdensfiguur. In de verbindingsruimte ligt een langwerpige zwarte kist met de maten van een lichaam. De 36 tekeningen in de kamer links gaan over ‘huis’, de 44 tekeningen rechts gaan over ‘landschap’. Buiten, naast het kabinet, staat een monumentale Jardinière als eyecatcher voor de museumbezoeker en als referentiepunt voor de tentoonstelling. En naast de inkom hangt op de muur een tekening van het acrobaatje uit de reclame voor SPA, dat haasje over springt of danst over een opspuitende waterfontein. Deze tekening somt langs de neus weg, en vooraleer de tentoonstelling echt begint, het tegendeel op van alles waar de tentoonstelling over gaat: de kleine clown (tegenover het lijdende lichaam), de sprong en de lichtheid (tegenover de zwaarte en het huis). Maar binnen in de tentoonstelling is de tekening vlug vergeten.

Bij de tentoonstelling hoort een mooie publicatie Thierry De Cordier. Dessins/Drawings met een selectie van illustraties. De Liste des dessins exposés klopt echter niet: een aantal genoemde en afgebeelde tekeningen zijn niet in de tentoonstelling, en er hangen flink wat recente tekeningen die niet in de catalogus voorkomen. Verder bevat de catalogus een nogal braaf en dienstbaar essay van de conservator en tentoonstellingscommissaris Jonas Storsve die tot de conclusie komt dat de kunstenaar “la vie et l’art” wil verbinden “en ce monde et hors du monde”, en een vrij uitgebreide en interessante biografische nota samengesteld door een niet te identificeren E.B. Het boek opent – zoals de tentoonstelling – met het beeld van een lijdende zoon: een halflijfs portret van De Cordier met de rechterhand met gespreide vingers over de plaats van het Heilig Hart en de Doorboorde Zijde, met op de achtergrond een wazig beeld van een van zijn Madonnafiguren.

De kamer gewijd aan ‘La Maison’ gaat verder op De Cordiers interpretatie van het thema van het Huis van de Filosoof. Belangrijk hierbij lijkt dat twee lijnen in zijn oeuvre, die ook voorheen niet gescheiden maar wel onderscheiden konden worden, gaan samenlopen: de ironische plaatsbepaling van het artistieke/reflexieve werk ten opzichte van de Wereld (de Filosoof die verworpen wordt/mislukt/afstand neemt en zich terugtrekt in zijn ton, zijn boomhut, zijn keukenhuis, zijn schedel), en de mythische geografie die de zwarte terre/mère/mer verbindt met de godverlaten lege hemel door middel van het kind/de zoon/Christus/de paal. “Comment s’en sortir dans ce monde ridicule à partir d’une maison?” Het Keukenhuis van Schoorisse met zicht op de tuin en de hemel, het huis dat een keuken, een tafel en een haard is, en een plek om thuis te komen voor de filosoof- kunstenaar die in een barak achterin de tuin nadenkt en werkt, is nu een Winterhuis geworden, ontworpen door een “ultra-architect”: een gesloten zwarte balk die op een bevroren grond of op ijs staat, en waarin een leegte is uitgespaard voor een dode zoon – zoals bij het plat-horizontale kistschilderij van de dode Christus van Holbein. Het huis is niet, zoals nog bij La Jardinière, de incestueuze warmte onder de beschermende donkere rokken van de moeder, maar “un matrice-à-habiter”, of de donkere schoot zelf. Een van de tekeningen toont een zwart doosje met één wand die gevuld is met een open vulva tussen twee voorovergebogen billen. Een van de ‘manuscripten’ hors catalogue interpreteert de Kaàba van Mekka als een “ventre géométrique matrice en pierre… Oui, voilà le type de demeure dans laquelle je rêve de pouvoir habiter une fois, – ni rien ni plus qu’une grande boîte à habiter entièrement noire…” Men gaat het huis, “une grande ‘enceinte’ noire”, binnen langs “l’entrée vaginale”, en trekt zich zo uit de wereld waarin men gegooid werd terug in een ‘binnen’ zonder ramen en zonder licht, om er te blijven en dood te zijn. De ironisch-speelse pose van de 18de-eeuwse filosoof-moralist De Cordier zakt in dit soort werk bijna helemaal weg, en het thema van het huis wordt bijna volledig opgeladen binnen de private mythologie. De tekening die deze verschuiving het best verduidelijkt, is wellicht die van een bolle, heupvormige Jardinière, met zijn zwarte huid die doet denken aan paardenvel en aan een rok van ruw geweven stof, waar een rechte, ‘geometrische’, zwarte gemetselde muur in doorschijnt: de moeder-tent metamorfoseert tot een moeder-tombe.

De kamer met de tekeningen over ‘Het Landschap’ toont werk dat erin slaagt een verband dat tevoren nog via de hulpconstructie van de woordspeling ‘terre/mère/mer’ liep in één beeld samen te ballen. De Cordier zocht in zijn oudere landschapsbeelden ook steeds de aarde-als-zee: het ging hem nooit om groene natuur maar steeds om winterse zwarte aarde, met sneeuwresten op de ploegvoren die schuimkoppen op golven lijken, zodanig dat men de aarde ziet alsof zij een zee was. Dergelijke landschappen zijn in deze tentoonstelling uitsluitend nog te zien in de kamer over het Huis, omdat ze het Huis een omgeving geven. De meer recente druilige ‘landschappen’ in de tweede kamer zijn echter essentieel ambigu: elk landschap – met de titel van een van de werken – Could be a sea-scape. Het gaat om zeer gelijkende tekeningen en schilderingen met nagenoeg steeds een gelijk aandeel lege blauwgrijze vlakte onderaan en lege blauwgrijze luchten bovenaan, soms om een witgrijze vlakte afgezet tegen een witgrijze sneeuwlucht. Het is telkens onbeslisbaar of het om een mère/mer of om een mère/terre gaat. Deze landschappen zijn evident geen ‘zichten’ meer, ze tonen De Wereld niet: ze tonen het grijs-zwarte van de inkeer, ze tonen wat men ziet wanneer men de ogen sluit – wat men ziet wanneer men zich van de wereld afkeert en Het Huis terug binnengaat: “ce plat de paysage”, het vervloeien van de wereld tot een “planche noire”. Het zwarte kubushuis en het verduisterde landschap komen op elkaar te liggen in het beeld van een zwart vierkant – het is onmogelijk niet onmiddellijk aan Malevich’ icoon en aan het zwart als de ‘grondlaag’ van de iconentraditie te denken. Het vierkant roept binnen de context van deze tentoonstelling onmiddellijk de maison-mère op, maar terwijl alle andere landschappen een ‘liggend’ formaat hebben, wordt dit vierkant wel Le dernier paysage genoemd. Dit werk, dat de beeldreeks van de catalogus afsluit, ontbreekt echter op de tentoonstelling.

De tentoonstelling heet Un homme, une maison et un paysage. De ‘mens’ verschijnt enkel in de figuur van de Lijdende, als begin en beginsel – als het ‘principe’ van de tentoonstelling. De Cordier is al lang letterlijk gefascineerd (het Latijnse fascinans staat immers voor het opgerichte lid) door de bijzonder merkwaardige manier waarop Lucas Cranach de royaal uitgevallen lendendoek van Christus aan het Kruis (Alte Pinakothek, München) omvormt tot een enorme fallus. De lendendoek van De Cordiers Lijdende Mens bedekt zijn schaamte echter niet maar exposeert het geslacht: hij omzwachtelt de fallus zodat de vorm ervan benadrukt wordt. Alles doet pijn: het Orgaan/de paal van de Mens (de man dus) doet pijn, en is in doeken gewikkeld zoals een lichaam na het lijden. Het dubbel van dit lijdende lichaam – de zwarte woning-kist in de doorgangsruimte – is helemaal gesloten op één gaatje in de zijwand na. De bezoekers kijken er bijna allemaal eens in, alsof er iets te zien zou zijn. Maar de kist is geen kijkdoos, het is binnenin helemaal donker. Mogelijk is het acrobaatje hierlangs in extremis ontsnapt uit een beeldwereld die steeds denser en daardoor sterker en mooier wordt, maar zich ook helemaal sluit.

 

• Thierry De Cordier, Un homme, une maison et un paysage, tot 31 januari in het Centre Pompidou (Galerie d’art graphique), Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).