Bart Verschaffel

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Rineke Dijkstra

Het Jeu de Paume toont tot eind februari de eerste grote overzichtstentoonstelling van Rineke Dijkstra. Na Parijs zal de tentoonstelling te zien zijn in Winterthur en Barcelona, en in het najaar van 2005 in het Stedelijk Museum van Amsterdam.

Zoals dikwijls of zoals steeds blijkt het verzamelen van een oeuvre een bijzonder vruchtbare oefening voor het verstaan en de kritiek. Zeker wanneer, zoals bij Rineke Dijkstra, het gekozen genre het portret is. Dit is immers een beeldgenre waarbij de individualiteit en de persoon van het model op het spel staan en het beeld een uniciteit wil vatten. Een overzicht van het oeuvre laat toe de beeldstrategieën te herkennen, en daarbij wordt duidelijk dat de portretsituatie voor Dijkstra enkel de mogelijkheid schept om met behulp van quasi-portretten haar eigen verhaal te maken.

De ruimtes van het Jeu de Paume dringen een parcours op: het begint in een grote zaal en een kleinere vierkante zaal op het gelijkvloers, voert achterin het gebouw via de trap naar boven, en keert dan terug richting inkomhal doorheen drie vierkante zalen. Op de verdieping is er dan nog een bijzaal, die echter ruimtelijk veel minder mogelijkheden biedt, en een zaal die in deze tentoonstelling gebruikt wordt voor een videoprojectie. De opstelling op de benedenverdieping is zeer sterk. In de grote zaal hangt het werk waarmee Dijkstra is doorgebroken: de foto’s van jongeren op het strand. Deze reeks volgt de conventies van het statieportret: het model staat frontaal en centraal in het beeld, levensgroot en ten voeten uit, het lage camerastandpunt geeft het lichaam volume en laat het lichtjes ‘uit de hoogte’ kijken, de beeldscherpte van de figuren en de voorgrond contrasteert met een vervagende, bijna onwerkelijke achtergrond. De paleisachtige grote zaal met niets dan deze strandportretten, het identieke formaat van de foto’s en het ritme waarin de foto’s rondom rond zijn opgehangen, de homogene beeldachtergrond waartegen de figuren variaties vormen: al deze elementen versterken de kracht en het besef van de waardige portretconventie waarvan deze beelden vertrekken. Het gegroepeerd tentoonstellen en de herhaling ontmaskeren en neutraliseren het effect niet, maar versterken integendeel en verduidelijken wat Dijkstra in elk beeld afzonderlijk doet: een plaats vrijmaken binnen een representatief beeldgenre, en die vervolgens vullen met te jonge halfgeklede lichamen en met onzekere gezichten die er niet in slagen de plaats waarop ze afgebeeld worden te ‘bekleden’. In de volgende vierkante zaal gebeurt het tegendeel: het gaat ditmaal niet om versterking door herhaling, maar om het inzetten van portretten en van portrettenreeksen in een verhaal. Bij het binnenkomen loopt men eerst langs de busteportretten van vier jonge torero’s onmiddellijk na de corrida, met bloedbevlekte kleren en gezichten. Op de muur daartegenover hangen de portretten van drie vrouwen onmiddellijk na de bevalling: rechtopstaand, naakt, met hun baby tegen zich aan. De vrouwenportretten zijn levensgroot en ten voeten uit, met scherpe en levendige blikken en gezichten, maar de onderlijven met de vermoeide buikspieren, de ziekenhuisslip, een straaltje bloed dat van een been loopt, en het litteken van de keizersnede flatteren niet. De mannen en de vrouwen hebben hier dus elk hun ‘gevecht’ geleverd, de stieren zijn dood en de kinderen leven, en men dient – zoals hier blijkt – soorten bloed te onderscheiden… Deze tegenstelling wordt gekruist met een tweede. Op de eerste binnenmuur hangen twee jongensportretten: een portret van een jongen die al iets te oud is voor de twee blote plastic poppen die hij tegen zich aan klemt – zoals de vrouwen dat met hun baby’s doen, maar dit keer met de kop naar de fotograaf gekeerd – met daarnaast een pokdalige schooljongen met zware oogleden en een schooldas. Tegenover de weinig bevallige jongens hangen, op de vierde muur, een vertederend portret van een klein meisje met een koekje, en een pubermeisje dat dromerig en licht melancholisch wegkijkt. De betekeniscontrasten blijven misschien wat eenvoudig, en de ruimtelijke omzetting is nogal letterlijk, maar de kamer ‘werkt’ wel, en wellicht formuleert Dijkstra precies wat ze wil zeggen.

In de eerste zaal op de verdieping hangt een reeks portretten gemaakt in de Tiergarten in Berlijn. Deze reeks herneemt de formule van de strandportretten, maar ditmaal met een zomers park als locatie en als achtergrond. De modellen zijn – op een uitzondering na – jonge meisjes die tegen of tussen bomen staan. Ze lichten op tegen een donkere achtergrond die hier (anders dan bij een zeezicht) naar voor komt en de figuren omgeeft. Het bos, het spel van de vlekken zonlicht, en de subtiel bevreemdende houdingen en gelaatsuitdrukkingen van de meisjes verlenen deze beelden een surreële bijbetekenis. We krijgen de aanzet van een verhaal, het beeld gaat weg van het portret. Alles welbeschouwd doet Dijkstra dit – op verschillende manieren – in al haar foto’s. Dijkstra noemt August Sander als een van haar voorbeelden. Er zijn inderdaad duidelijk gelijkenissen in de beeldopbouw, maar de referentie is voor de lectuur van haar beelden toch zeer misleidend. Sander gaat er immers van uit dat hij posities en sociologische identiteit fotografeert, en hij fotografeert het model daarom in zijn eigen wereld, met de attributen van stand en beroep, en dikwijls ten voeten uit – precies om ze vast te ‘plaatsen’ in hun wereld. Bij Dijkstra daarentegen staan de ongemakkelijkheid waarmee haar modellen in het beeld plaatsnemen, de onzekerheid van de lichamen, de onpersoonlijke kleding, en het archaïsche en onsociologische van de aangeleerde identiteiten die ze kiest (man/torero/soldaat, kind/meisje/vrouw), voor de afwezigheid of onbereikbaarheid van een duidelijke en eigen ‘plaats’. Dat blijkt overduidelijk uit de portretten van Israëlische soldaten en van een jonge soldaat van het vreemdelingenlegioen, aan het einde van het parcours: het gaat in deze foto’s om de manier waarop jonge mannen en vrouwen iemand zijn of worden door in of uit een uniform te stappen. Dijkstra fotografeert de jonge mannen levensgroot en in gevechtskledij met de hand aan het geweer, en confronteert ze met een busteportret in burger van een van de mannen, die zonder uniform ‘eigenlijk’ een bedeesde schooljongen blijkt te zijn. Ze fotografeert eveneens vrouwelijke soldaten in en zonder uniform, maar enkel halflijfs en zonder wapens. In tegenstelling tot de mannen die in hun uniform ‘méér man’ blijken, zijn de vrouwen zonder uniform ‘vrouwelijker’ – en meer ‘zichzelf’? Wat hier en, algemener, in al de beelden van Dijkstra treft, en er de kracht van uitmaakt, is zelden of nooit dat ze lukken als portret. Wat treft is telkens de onmogelijkheid van een gezicht of van ogen om zich de eigen verschijning helemaal toe te eigenen, en – in het beeld – te zijn wie men ‘zelf’ is. Al de foto’s van Dijkstra, en ook de twee video’s die ze in Parijs toont, gaan over deze ongemakkelijkheid.

 

• Rineke Dijkstra, tot 20 februari in Jeu de Paume, Place de la Concorde, 75001 Parijs (01/47.03.12.50; www.jeude paume.org).