André Koch

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Droog design

De fervente designliefhebber zal ze voor het merendeel kennen, de klare ontwerpen met een spannende draai van Droog Design. Op tentoonstellingen, in monografieën en in vooraanstaande designtijdschriften waren ze de afgelopen 11 jaar vaak te zien. Om het 10-jarig jubileum te vieren van hun eerste activiteit (hun try-out op de Salone di Mobile te Milaan in 1993) en van de officiële oprichting van de stichting Droog Design in 1994, organiseerde het bureau zelf de reizende tentoonstelling simply droog, 10 + 1 years of creating, innovation and discussion.

Aan de wieg van Droog Design (of kortweg Droog) stonden kunsthistorica Renny Ramakers en ontwerper Gijs Bakker. Zij gingen elk vanuit hun achtergrond op zoek naar ontwerpen van jonge talenten die een helder concept koppelden aan een duidelijke uitwerking en een vleug droge humor. Intussen is Droog Design een goed gesmeerde organisatie met een staf van zes mensen en een eigen galerie annex winkel te Amsterdam. Toch is de expositie niet alleen maar een feest der herkenning, met de melkflessenlamp van Tejo Remy, de macraméstoel van Marcel Wanders, de verbluffende materiaalexperimenten van Hella Jongerius of het ‘herintredingsdesign’ van Jurgen Bey (die bestaande ouderwetse meubelen of lampen tot persoonlijke en eigentijdse beelden omtovert). Het ontwerpteam van de tentoonstelling – Bey, Ester van de Wiel, Sophie Krier en Toya Verberne – wil duidelijk maken dat deze ontwerpen in onderlinge samenhang een rol kunnen spelen binnen de wooncultuur. We zouden bijna vergeten dat de Droogobjecten, die voor een groot deel tot museumtrofeeën zijn uitgegroeid, als gebruiksvoorwerpen werden bedacht.

Het ontwerp van de tentoonstelling is verbluffend in zijn eenvoud en effectiviteit. Droog Design bedacht geen ‘museaal’ concept, maar ontwierp zes fictieve woonplattegronden waar hun design op zijn plaats valt. De fictieve ‘bewoners’ bezitten telkens een aantal Droogobjecten, naast andere spullen; maar enkel de Droogobjecten zijn aanwezig – de andere voorwerpen zijn met zwarte rubbercontouren aangegeven, zoals binnenhuisarchitecten dat doen met voorwerpen op het grondplan van een interieurontwerp. De omtrekken van deze ‘woonzone’ zijn met grijze tape op de museumvloer getekend, met daaromheen een rood-wit waarschuwingslint – geen barrière, maar een sterk visueel signaal dat de ontwerpen, waaronder prototypen, tegen fatale aanrakingen moet beschermen.

In deze woonsituaties werden een zestal leidmotieven van Droog Design geïntegreerd. In de ‘garage en bijkeuken van een twee-onder-een-kapwoning’ wordt bijvoorbeeld het thema ‘hergebruik’ aan de orde gesteld, met een stoel van oude vodden en metalen spanbanden (Remy) en alvast één voorstel van Andreas Möller als oplossing voor het mestoverschot: zowel de verpakking als de voedingsbodem van zijn doos met tulpenbol zijn van geperste mest. Dat niet alle hergebruik gehoorzaamt aan het oud-maakt-nieuwprincipe, demonstreren Djoke de Jong en Ed Annink. De Jong ontwierp een gordijn met kleermakerspatroon: als de gordijnen u vervelen, dan kunt u er een colbert van maken. Annink hergebruikte pictogrammen van de Duitse graficus Gerd Arnzt door ze toe te passen in kokos deurmatten. Martí Guixé, die in 1999 als eerste buitenlandse ontwerper door Droog werd geselecteerd, voorzag een bureaulamp uit de jaren vijftig van een tweede leven: hij hing de lamp aan een transparante nylondraad in de ruimte, en sloot de stekker aan op een contrastekker die bevestigd werd aan het plafond.

Het thema ‘eenvoud’ is ondergebracht in een studentenwoning. Droog Design in een studentenkot, is dat niet al te idealistisch? Daar vind je toch meestal wat oude spullen van ouders en grootouders, aangevuld met producten van een Zweeds woonwarenhuis? Jurgen Bey vindt desgevraagd dat je best alternatieven voor vanzelfsprekendheden mag aanbieden. Als je structurele oplossingen bedenkt, aldus Bey, hoeven Droogobjecten in een studentenbehuizing niet eens duurder uit te komen.

De resterende thema’s zijn ‘tactiliteit’, ‘ervaring’, ‘het onvermijdelijk ornament’ en ‘vertrouwd – niet zo vertrouwd’: ze hebben betrekking op menselijke behoeften, op emotionele relaties met objecten, op het verlangen naar het decoratieve of op de behoefte aan een spannende omgang met de dingen. Voor al deze wensen en behoeften heeft Droog Design ontwerpen voorzien. Door het samenbrengen van producten in eerder suggestieve dan realistische woonsituaties, krijgen we een beeld van Droog Design dat we nog niet kenden. De geschiedenis van Droog wordt getoond in kabinetjes, op een fraai nomadische manier, waarbij de transportkisten en -dozen een multifunctionele rol spelen. De vele projecten waarbij Droog betrokken is, de samenwerking met gerenommeerde merken als B & O, Rosenthal, Mandarina Duck en Levi’s en de talrijke publicaties duiken uit die assemblages van kisten op – al laat dit hele verhaal zich beter lezen in de catalogus die fraai vormgegeven werd door Thonik.

Door de massale media-aandacht voor Droog Design is een zekere overkill ontstaan, maar dat mag geen beletsel vormen om naar Den Haag af te reizen. De tentoonstellingscontext laat het aanwezige design op zijn plek vallen, het ziet er ineens weer fris en gloednieuw uit. Hier wordt pas echt duidelijk waarom inmiddels uit alle delen van de wereld enthousiast op deze producten wordt gereageerd.

 

• Simply Droog, tot 13 februari 2005 in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11; www.gemeentemuseum.nl).