Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Architectuurcentrum ABC

Architectuurcentrum ABC in Haarlem heeft vijf zalen, een gang en een museumwinkel waar verschillende ontwerpers, filmmakers en/of fotografen naast elkaar exposeren. Grotere en kleinere tentoonstellingen wisselen elkaar af. De tentoonstellingen passen steeds min of meer in een jaarthema, maar dat wordt losjes gehanteerd. De exposanten financieren, ontwerpen en realiseren zelf hun presentatie, die daardoor deel uitmaakt van de boodschap. Het geeft de tentoonstellingen bij ABC een bezieling en een persoonlijke invalshoek die elders nog wel eens ontbreekt.

Ook nu lopen er totaal verschillende tentoonstellingen. Er is een overzicht van de eerste 20 maanden van Henk Döll, die ruim anderhalf jaar geleden brak met Francine Houben (en met Mecanoo) en een eigen bureau begon. Er is een kleine vertelling van Subash Taneja, Indiaas van origine, maar al jaren in Nederland werkzaam onder de naam Taneja Hartsuyker Architecten. Carel Weeber toont een selectie uit zijn reisvideo’s sinds 1968. Een gemeenschappelijke noemer zou ‘zoektocht’ kunnen zijn, of ‘heimwee’ of ‘hartstocht’. Zo zijn in ABC drie verschillende versies van Nederland verzameld: een Hollands Nederland, een Indiaas Nederland en een Alles Beter dan Nederland.

De tentoonstelling 20 maanden Döllab is de meest gewone. Mooi en liefdevol vormgegeven, is zij toch een hoofdzakelijk tweedimensionale presentatie van het werk van de laatste maanden, alsook van drie vroegere projecten. Het is interessant om te zien hoe Henk Döll 20 jaar Mecanoo achter zich laat en zoekt naar nieuwe begrippen om zijn bureau te positioneren. De rode draad in het nieuwe werk heet “Reflective Practice”, een term die Döll sinds een aantal jaar gebruikt om een synthese van creativiteit en innovatie te benoemen, en die een ondogmatische projectbenadering moet tegengaan. Het gaat Döll om de “interactie tussen de opgave en het ontwerp” door “open communicatie tussen de verschillende partijen”. Het zijn weinig concrete bewoordingen die niet direct overtuigen. Voorbeelden van interactie met het ontwerp zijn er wel. Wandvullende foto’s van fotografe Janine Schrijver laten zien hoe mensen een aantal eerdere (Mecanoo-)gebouwen in gebruik hebben genomen. Onscherpte benadrukt de beweging in voorbijlopende tieners in het Stedelijk Museum in Alkmaar en de Toneelschuur in Haarlem. Een lezende oude man zit aan een tafel in de bibliotheek in Almelo. Architecten werken achter bureaus in het nieuwe bureau naar eigen ontwerp. Het zijn mooie foto’s, maar meer dan dat de gebouwen naar behoren worden gebruikt, valt er eigenlijk niet uit op te maken. Wel veelzeggend is een aantal kleine projecten, dat zich nog in het ontwerpstadium bevindt. Het project AHOED in Goirle bijvoorbeeld. AHOED betekent Acht Huisartsen Onder Een Dak, maar eigenlijk is er sprake van acht artsen óp het dak. In een handomdraai wordt een futloos gebouwtje met plat dak omgetoverd tot een vrolijk ensemble, door de bakstenen wit te verven en de geneesheren er in een gifgroene doos bovenop te plaatsen. Op twee plekken in Rotterdam komen vrijstaande huizen die het traditionele zadeldak met dakkapel op eigentijdse en originele wijze interpreteren. Hopelijk zijn dit voorbeelden van ondogmatische en creatieve ontwerpen!

Subash Taneja legt uit wat heimwee voor hem en zijn architectuur betekent. “In elk ontwerp, in elke gedachte zit dat verlangen naar mijn geboortegrond. […] Toen ik naar Nederland kwam, heb ik me voorgenomen die openheid van het India van toen in mijn ontwerpen te laten terugkomen.” Dat gegeven maakt dat Taneja ook andermansheimwee goed begrijpt. In een sloop-nieuwbouwproject aan de Damaststraat en omgeving in Haarlem bouwt Taneja Hartsuyker Architecten een nieuw wijkje met ondergrondse parkeermogelijkheden. In een collage van verleden, heden en toekomst zijn luikjes verwerkt. Hierachter bevinden zich portretten van mensen in hun – af te breken – interieurs met in het onderschrift een herinnering aan de buurt. Verhalen over opgroeiende kinderen en sneeuwballengevechten vermengen zich met de beelden van het nieuwe ontwerp. Een andere collage toont zonder woorden hoe Taneja de romantiek van Indiase nostalgische beelden heeft leren koppelen aan Nederlandse zakelijkheid. Het zijn alledaagse, maar zeer kleurrijke Indiase en Nederlandse taferelen, gescheiden door kleurenreeksen in RAL-waaiers. India zit ook in de ontwerpen voor een drietal woonzorgcomplexen in Nederland, waar in het hart van het plan de ouderen wonen en daaromheen hun familie en vrienden. Het zit zelfs in de ontwerpen voor Indiase particuliere opdrachtgevers op twee vrije kavels in Hoofddorp. In plaats van een opsomming van opgave, vierkante meters, concept en realisatie typeert Taneja zijn ontwerp voor een woonhuis aan de hand van de woorden van de toekomstige Indiase bewoner: “The days one spends in the sunshine – either in the garden, along the water or on the terrace. In the evenings our family life continues in our courtyard, with grandmother singing traditional Punjabi songs and we all, clapping and singing with her, until everyone gets tired and slowly retreats in their rooms for the night rest.” Geen computerpresentaties, nauwelijks plattegronden of gevelaanzichten, wel knip- en plakwerk, een maquette en verhalen. Bij Taneja zit de mens in zijn hoofd en in zijn handen.

Waar Taneja inmiddels in Nederland verankerd is, probeert Carel Weeber het land steeds weer te ontvluchten. Weeber is geboren in Curação, was hoogleraar aan de Technische Universiteit in Delft van 1970 tot 2003 en jarenlang partner bij de Architecten Cie. Sinds een aantal jaar noemt hij zichzelf “exarchitect” en heeft hij zich uit het Nederlands architectenregister laten schrijven. Hij is nauw verbonden aan Nederland, maar te allen tijde bereid het land te ontvluchten. Hij beschouwt Nederland als “een optische gevangenis waar esthetische steriliteit en monotonie het land overgevoelig maken voor ruimtelijke verandering. Waar overal elders sprake is van stochastische stadsbeelden (op toeval gebaseerd), overheerst hier de terreur van de esthetische staatscontrole, het Welstandstoezicht. Nederlanders en vooral architecten moeten zo vaak mogelijk op reis om van hun angst voor visuele chaos verlost te worden, gaan zien dat het anders kan, dat het anders moet.” Daarom reist Weeber al decennialang over de hele wereld. Samen met filmmaker Paulien Bremmer bewerkte hij 60 uur reisvideobeelden tot een dubbelpresentatie op twee grote schermen. De bezoeker reist met Weeber van Kyoto 1969 naar Isfahan 1999, van Chicago 1987 naar Ramala 1999, van Glasgow 1968 naar Jekaterinaburg 1997, van Helsinki 1973 naar Dakar 2004. Deze aan elkaar gemonteerde beelden van wegen, voertuigen, water, mensen, markten, hoogbouw, blauwe luchten, uitgestrekte vlakten en hutjes lijken inderdaad in niets op Nederland. Hun ontstaansgeschiedenis moge op toeval berusten, de compilatie doet dat niet. Het is het curriculum vitae van Weeber op Super 8 en digitale video. In Vietnam was hij in 1974 te gast bij het Vietnamese bevrijdingsleger. Een fascinatie voor gridsteden bracht hem in Rusland, China en Zuid-Amerika. Wolkenkrabbers in Noord-Amerika en Azië bezocht hij als medeoprichter van de Stichting Hoogbouw, en in Senegal bekeek hij zijn eigen ontwerp voor de residentie van de Nederlandse Ambassade in Dakar. Een fascinerende autobiografie.

 

• 20 maanden Döllab (tot 2 februari 2005), Subash Taneja (tot 30 januari), Carel Weeber – reizen met de exarchitect (tot 6 februari 2005) in Architectuurcentrum ABC, Groot Heiligland 47, 2011 EP Haarlem (023/534.05.84; www. architectuurhaarlem.nl).

• Löst in Space – zoektocht naar de betekenis en maakbaarheid van de openbare ruimte loopt van 3 februari tot 2 maart 2005 in Döll – atelier voor bouwkunst, Haringvliet 100, Rotterdam.