Geert Bekaert

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jo Crepain

Het boek is als de man: stevig, prettig, overdadig. 352 volgepropte pagina’s volstaan amper om de beelden- en woordenvloed in te dammen. De vitaliteit spuit er langs alle kanten uit. De ergernis ook. Architect Jo Crepain acht het ogenblik gekomen om een aantal zaken recht te zetten. Als ‘de anderen’ hem niet de erkenning geven die hem toekomt, hem zelfs uitsluiten, zal hij hun ongelijk nu eens op een overtuigende wijze laten zien door zelf zijn levensverhaal onomwonden uit de doeken te doen, en te overdonderen met zijn exuberante oeuvre. Van dat laatste vond er, naar aanleiding van het verschijnen van het boek, ook een uitvoerige overzichtstentoonstelling plaats in het Design museum in Gent.

Het verhaal, dat Maarten Delbeke een schelmenroman heeft genoemd, slaat een luchtige toon aan en schuwt de ironie niet. De naar Vlaamse maatstaven indrukwekkende groep medewerkers wordt in een non-descripte omgeving geportretteerd voor ‘Frituur André’. De gesprekken die Crepain voert met zijn ghostwriter, Max Borka, zijn van dezelfde strekking: cafépraat. In de sfeer van architectuur kan cafépraat verfrissend zijn, maar hier dient hij alleen om achter een schijnbare luchthartigheid een diepe gekwetstheid te verbergen.

Jo Crepain voelt zich miskend en komt daar openhartig voor uit. Hij begrijpt niet dat hij, die zich zo genereus heeft ingezet om de kwaliteit van de architectuur op te krikken, niet alleen door zijn eigen werk, maar ook door zijn bemoeienissen op politiek en institutioneel vlak, om zo te zeggen wordt doodgezwegen door een kliek van critici die het blijkbaar voor het zeggen hebben. Daarvoor kan hij zelfs doorslaande argumenten aanvoeren. Terwijl hij in eigen land niet op zijn waarde wordt geschat, krijgt hij in Italië de prestigieuze Palladioprijs en wordt hij overal in Nederland met grote opdrachten overstelpt.

Die situatie is minder zwart-wit dan ze in het boek wordt voorgesteld. Het aantal opdrachten in Vlaanderen en de uitvoerige bibliografie die eraan is gewijd, bewijzen op zich al dat Jo Crepain van meet af aan een markante plaats heeft ingenomen in het Vlaamse architectuurlandschap. In geen enkel overzicht ontbreekt zijn naam. Het is echter juist dat hij niet hoort tot de selecte groep van diegenen die door de kritiek als maatgevend of spraakmakend worden beschouwd. In die discrepantie tussen het professionele succes en de kritische waardering ligt de kern van het probleem. Het boek heeft dit niet aangeraakt, laat staan opgehelderd.

Het talent van Jo Crepain is onbetwistbaar. Hij heeft er te over. Het straalt van elke bladzijde van het boek. Met een uitzonderlijk gemak tovert hij de meest uiteenlopende projecten uit zijn hoed. “Uitbundigheid, laat ons het daar over hebben” begint de tekst. Die uitbundigheid wordt onmiddellijk vastgeknoopt aan emoties, “het belangrijkste materiaal dat de architectuur hanteert”. Bij Crepain ziet het er echter naar uit dat die uitbundige emoties niet de tijd krijgen om in een werk te beklijven. Ze storten zich uit in vluchtige invallen, de ene al inventiever dan de andere, met als culminatiepunt de Villa van de Waanzin – eigenlijk de villa’s, want het gaat om vier identieke villa’s, een voor elk seizoen, een voor elk klimaat. Uitgevoerd in legobouwstenen, was het project een mix van Rossi en Bofill. Het feit dat het op de achterflap van het boek is afgebeeld, wijst op het belang dat Crepain eraan hecht. De zonderling die de villa’s van de waanzin bedenkt, wil alles ineens omvatten en vastleggen. Op die manier verdrukt hij bij voorbaat elke echte, spontane en onvoorziene emotie. Emotie kan maar architectuur worden door er afstand van te nemen, door het werk zelf in zijn inwendige structuur de tijd te laten om te groeien. In de tekst worden op een irritante wijze alle begrippen door elkaar gehaspeld. Woorden hebben hun betekenis verloren. Maar ook in het werk zelf brengt die discursieve vlotheid met zich mee dat de architectuur naar buiten gekeerd blijft, dat zij er in de eerste plaats niet op uit is om iets te zijn, maar om iets te laten zien. Tussen emotie en de manifestatie ervan in een zelfstandig werk ligt een afgrond. Het werk moet de gelegenheid krijgen zich van zijn ontwerper los te maken om zichzelf te kunnen worden.

Heel wat kenmerken van het oeuvre van Crepain zijn vanuit die instelling te verklaren. In de eerste plaats de trendgevoeligheid. Crepain beschrijft zelf op een openhartige wijze de verscheidenheid van zijn werk als een geleidelijke evolutie ten gevolge van een bezinning op de uitoefening van zijn vak. Overtuigend is dat betoog niet. Het gaat overigens niet om de verscheidenheid op zich, maar om de wijze waarop ermee wordt omgegaan. Als Schinkel voor eenzelfde opgave een gotische en een classicistische versie van zijn project voorstelt, maakt dat geen verschil uit voor de inwendige coherentie van het ontwerp. Het is het naar buiten gericht zijn van het werk dat een verklaring biedt zowel voor het publieke succes als voor de kritische reserves. Door zijn briljante assertiviteit geraakt men in de ban ervan, maar tegelijk vormt die opvallende kwaliteit een schild dat belet dieper in het werk door te dringen en er zich ‘emotioneel’ in te verliezen. Het boek is een perfecte weergave van dit oeuvre.

 

• Jo Crepain Architect ’73-’03 van Max Borka en Koenraad Janssens, uitgegeven in 2003 door Stichting Kunstboek, Legeweg 165, 8020 Oostkamp (050/46.19.10; www.stichtingkunstboek.com). ISBN 90-5856-114-3.