Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 113 januari-februari 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

51N4ESPACEPRODUCERS/JAN DE COCK

Architectuur, zo wordt al eens gefluisterd, huppelt zo’n twintig jaar achter op de ontwikkelingen in de hedendaagse kunst. De believers van deze dooddoener kunnen zich alvast in de handen wrijven met twee recente publicaties over Belgische jonge goden uit beide disciplines: een korte blik op 51N4E Space Producers – van het gelijknamige architectenbureau – maakt duidelijk dat architectuur tegenwoordig omschreven kan worden in kernwoorden alsatmospheresplay for realbring it on! of “marblecum-polyester”; termen die herinneren aan de participatiegedachte, de bricolage- materialen of de atmosferische esthetiek die vanaf de vroege jaren negentig ingang vonden in de hedendaagse kunst. Maar vreemd genoeg biedt de vergelijking tussen deze architectuurmonografie en het boek Denkmal van Atelier Jan De Cock een minstens even overtuigende argumentatie voor de non-believersDenkmal is vormgegeven als een kunstwerk op zichzelf; een bijbels opgezette ode aan de sculpturale ruimtelijkheid die dit Brusselse kunstenaarsatelier rond Jan De Cock telkens weer creëert. Maar terwijl de architectuurmonografie terugblikt op de kunst van de voorbije twee decennia, vindt De Cock veel inspiratie bij de avant-gardearchitectuur van minstens 60 jaar geleden: Bauhaus, Mies, Wright – maar net zo goed Borromini. Meteen wordt duidelijk dat elk debat over wie nu wie achternaholt, volledig zinloos is. Als beide publicaties iets duidelijk maken, dan is dat het feit dat hedendaagse kunst en architectuur het idee hebben dat ze verwikkeld zijn in een intense formele en conceptuele uitwisseling, en dat ze die wisselwerking allebei gebruiken om een bepaalde, persoonlijke ruimtelijkheid te ontwikkelen. Maar bovenal legt die vergelijking bloot hoezeer beide zoektochten naar een specifieke ruimte telkens weer onzacht botsen op de grenzen van de eigen discipline.

Los van alle inhoudelijke vergelijkingen delen beide boeken in elk geval hetzelfde type hoofdrolspeler: zowel de kunstenaar Jan De Cock als de architecten van het bureau 51N4E zijn rond de dertig, bijzonder ambitieus, gehaaide marketeers, artistieke ondernemers. Beiden staan ze op het punt om hun eerste passen op een groot buitenlands podium te zetten: het architectenbureau won de prestigieuze Nederlandse Maaskantprijs en wordt internationaal uitgenodigd voor prestigieuze wedstrijden, de kunstenaar werkt aan zijn eerste solotentoonstelling in Tate Modern. Beiden hebben ten slotte net hun eerste monografie vormgegeven en uitgebracht. Deze overeenkomsten gaan wellicht ook op voor andere personages uit de Belgische kunst- of architectuurwereld, maar de cruciale analogie tussen De Cock en 51N4E is dat ze hun monografie eenzelfde centraal thema hebben meegegeven: de definitie van een alternatieve ruimtelijkheid. Op dit punt stopt de gelijkenis echter abrupt, want de ruimtelijkheid die beide boeken beschrijven is totaal tegengesteld.

De ruimtelijkheid in Denkmal wordt gedirigeerd door ordes, verhoudingen, ritmiek en perspectief. De beelden van De Cocks oeuvre tonen telkens een perfect getimmerde houten constructie, meestal in een museum. De constructies zijn zo groot dat ze de bestaande architectuur voor een groot deel bedekken en dat bezoekers erdoorheen kunnen lopen of erin kunnen zitten. Intern zijn de constructies geordend door weerkerende ritmes van kolommen, openingen, balken, platen. De projecten in Bozar of in de Gentse Universiteitsbibliotheek tonen bovendien dat die interne ordening gebaseerd is op ritmes van de bestaande architectuur of op conceptuele referenties. De beelden van de realisaties van Atelier Jan De Cock worden in het boek getoond tussen honderden artistieke, architecturale, filmische en historische referenties: van het Pergamonaltaar via Dürer, Le Corbusier of Brancusi tot Vanessa Beecroft en Sophia Loren. De veelheid, de presentatie en de lay-out van deze 54mm dikke bundel maken de bedoeling van Denkmal overduidelijk: hier wordt een oeuvre getoond. Een coherent werkoverzicht van een ‘jong maar briljant’ kunstenaar. En dat gedirigeerde oeuvre wordt getoond met een al even gedirigeerde maar verfrissende en overtuigende grootspraak.

Tegenover dit zware geschut leest het boek 51N4E Space Producers als een implosie van een collectie kortverhalen. Terwijl Denkmal een ruimtelijkheid definieert binnen een bestaande architectuur, presenteert de architectuurmonografie een ruimtelijkheid die net zo goed in een tuinhuis, in een museum of in een bos kan worden opgezet. Terwijl de ruimtelijkheid van Denkmal ontstaat tijdens de eigenlijke opbouw van het werk, spreekt het 51N4E-werk overwegend via provocerende 3D-montages en wervende schema’s. Terwijl Denkmaleen ruimtelijkheid definieert vanuit een gedirigeerde ordening van vlakken, lijnen en perspectieven, dirigeert het architectenbureau veeleer de intense gebruiksmogelijkheden van hun ruimte. De ruimtelijkheid van Denkmal is ingevuld met figuranten, door De Cock uitgezet in een strakke regie die bij momenten herinnert aan taferelen van Visconti. De ruimtelijkheid van 51N4E wordt daarentegen opgevuld met toevallige passanten die, aangenaam verrast, de nieuwe kwaliteiten en mogelijkheden van de context ontdekken. De confrontatie tussen beide definities van ruimte, en bij uitbreiding tussen beide publicaties, roept onmiskenbaar herinneringen op aan de centrale confrontatie van de 20ste-eeuwse avant-garde: het geordende, abstracte en daarom ‘elitaire’ modernisme versus het levendige, ‘populistische’ antimodernisme. Het werk dat Atelier Jan De Cock presenteert in Denkmal, grijpt uitdrukkelijk terug naar de architectuurtraditie die door het modernisme werd uitgedragen: een ruimtelijkheid van massa, oppervlakte en plan. Maar tezelfdertijd wordt ruimtelijkheid er beschouwd vanuit een conceptueel en minimalistisch standpunt. Binnen het huidige kunst- en architectuurdebat is De Cock allerminst de enige die deze twee tradities op een dubbelzinnige manier aanboort, maar de formele coherentie van zijn werk levert in elk geval een welkome en duidelijke bijdrage aan de discussie.

Toch maakt precies diezelfde formele coherentie van Denkmal duidelijk dat de architecturale referenties van De Cock op een zeer specifieke manier binnengehaald worden. Wanneer Le Corbusier drie raadgevingen meegeeft aan het begin van Vers une Architecture, ageert hij tegen de eigentijdse praktijk van anekdotische decoratie en stijlenvermenging. Hij presenteert massa, oppervlak en plan als werk- instrumenten om ordening, abstractie en sculpturaliteit te geven aan bouwwerken, maar zijn uiteindelijke doel is een ruimtelijkheid die op een andere en expliciet grotere schaal bedacht en ervaren wordt. Precies hetzelfde gaat op voor het merendeel van de architecturale referenties die Denkmal presenteert. Maar in het eigen werk dat Denkmal toont, wordt het ruimtelijke instrumentarium van Le Corbusier bij momenten vertaald in een quasi-anekdotische sculpturaliteit. In het werk dat Atelier Jan De Cock realiseerde in de Universiteitsbibliotheek van Gent (een modernistisch gebouw van Henry van de Velde) werden leestafels, boekenkasten en houten luifels vertimmerd tot een overweldigende sculptuur die zich over de hele zaal uitspreidde en talloze referenties bevatte naar het meubilair en de basisstructuur van de ruimte. Maar in de leeszaal zelf presenteerde datzelfde project zich eerder als een ruimtelijke sculptuur dan als een ruimtelijke ingreep met een schaalvergroting in de corbusiaanse zin. Zo wordt duidelijk dat er een aanzienlijk contrast bestaat tussen deze sculpturale ruimtelijkheid en de ruimtelijkheid van de ambitieuze referenties in het boek. Precies deze tegenstelling tussen realisaties en ambities zorgt bij momenten voor een vreemde anekdotiek in een publicatie, en bij uitbreiding een oeuvre, waarin zo weergaloos gedirigeerd wordt met grootspraak, coherentie en ordening. Ondanks alle ruimtelijke aanspraken en referenties presenteert Atelier Jan De Cock zich met Denkmal duidelijk als een sculptuuratelier dat af en toe op de limieten van de eigen discipline botst.

Het is opvallend dat hetzelfde min of meer opgaat voor 51N4E Space Producers. In navolging van toonaangevende architectuurmonografieën van de laatste twintig jaar neemt het boek een conceptueel standpunt in, eerder dan een loutere opeenvolging van projecten te geven. In de publicatie zijn dan ook veel onuitgevoerde projecten opgenomen, naast kunstwerken of teksten die getuigen van een gelijklopende mentaliteit. De poëtische, scenografische ruimtelijkheid die het boek zo promoot, wordt niet getoond met een coherent oeuvre maar verschijnt als een continu groeiende verzameling van inzichten en multidisciplinaire referenties. Dat daarbij een zekere anekdotiek optreedt, is onvermijdelijk. Het valt op dat hier wél voortdurend gespeeld wordt met ruimtelijke schaalvergrotingen, dat architecturale werktuigen integraal ingezet worden. De vlagen anekdotiek van de 51N4E-publicatie zijn daarom allerminst te wijten aan sculpturaliteit; ze doen zich voor bij enkele projecten waarvan de betekenis voor de eigentijdse ruimtelijkheid die 51N4E wil voorstellen, bedolven wordt onder een overweldigende mediatisering of conceptualisering. Net als Denkmal maakt dit boek duidelijk dat de presentatie van een jong oeuvre zonder probleem kan gebeuren met een overweldigende grootspraak. Maar tegelijk tonen beide boeken dat precies deze grootspraak door de mand valt wanneer de publicatie te veel registers buiten de eigen discipline wil bespelen.

 

• 51N4E Space Producers, NAi Publishers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33;www.naipublishers.nl). ISBN 90-5662-359-1.

• Jan De Cock – Denkmal, Atelier Jan De Cock, Auguste Gevaertstraat 15, 1070 Anderlecht (02/520.89.75). ISBN 90-8084-241-9.