Jorinde Seijdel

DE WITTE RAAF

Editie 114 maart-april 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

In het hart van het ontstaan

De computer als werkplek van de kunstenaar

[…] de ruimten hebben zich vermenigvuldigd, ze zijn verbrokkeld en veelvormig geworden. Tegenwoordig vind je ruimten in alle soorten en maten, voor elk gebruik en voor alle doeleinden. Leven is van de ene ruimte naar de andere gaan en proberen je daarbij zo min mogelijk te stoten.

Georges Perec, Ruimten rondom

 

Voor steeds meer kunstenaars is de computer een basisstation aan het worden, waarin gewerkt wordt en van waaruit verbindingen worden gelegd met de buitenwereld. Als productie-, presentatie- en opslagruimte voor data en beelden is de computer ook een ruimte die voor een zekere ‘ontruimtelijking’ zorgt, en voor een problematisering van traditionele plekken als het atelier, de opslagruimte en de tentoonstellingsruimte. Wat is de computer letterlijk voor context? Wat kan er gezegd worden over de generieke aard en de condities van de computer als werkruimte? En in hoeverre kunnen deze het denken over de kunst en haar ruimten in het algemeen beïnvloeden?

De computer kan opgevat worden als een virtuele en abstracte, in principe eindeloze digitale werkruimte, maar ook als een – tenminste in eerste instantie – fysieke plek. Uitgaande van de bureaucomputer dient het bureau zich dan aan als tweede uitgangspunt om de computer-werkplek te overdenken. De computer als werkplek van de kunstenaar is hier dus om te beginnen een reële, concrete plek, gesitueerd in een specifieke tijdruimte, die wordt gemarkeerd door het fysieke apparaat: een ding met een toetsenbord en een zwart scherm. Deze louter topologische aanblik laat zich misschien vergelijken met die van de gesloten deur tot het atelier of de werkkamer. Om in de computer als werkplek ‘binnen’ te komen moet eerst de powerknop worden ingedrukt. Dan licht het scherm op en manifesteert zich het ‘bureaublad’ met daarop de iconen en interfaces van programma’s, mappen en files, van Word, Photoshop, Dreamweaver, Final Cut Pro, Adobe Illustrator, om maar wat instrumenten uit de digitale toolbox van de kunstenaar te noemen. De aanblik blijft vooralsnog statisch en verraadt nog niets van de achterliggende ruimte met data, software en codes. Alsof je kijkt naar een bureau waarop schrijf- en werkbenodigdheden en diverse gesloten documenten liggen. Wat kun je aflezen van de computerdesktop en de (gestandaardiseerde) grafische representaties die ‘erop’ staan? Vertellen ze bijvoorbeeld iets over de eigenaar/beheerder ervan, of over de ruimte waarin deze werkt? En hoe doen ze dat dan?

De Franse schrijver Georges Perec overwoog, in een tekst uit 1976, een geschiedenis te schrijven van enkele voorwerpen op zijn werktafel. Hij zegt hierover:

[...] het zal andermaal een manier zijn om mijn ruimte af te bakenen, een wat zijdelingse benadering van mijn alledaagse bezigheden, een aanknopingspunt om over mijn werk, mijn geschiedenis en mijn beslommeringen te praten, een poging om iets te grijpen van wat tot mijn ervaring behoort, niet op het niveau van verre echo’s en afstandelijke reflecties, maar in het hart van het ontstaan ervan. [1]

Perec begrijpt zijn werkplek niet als een neutrale fysieke faciliteit, maar als een subjectieve ruimte, letterlijk en figuurlijk als het ‘vertrek’ van zijn werk. Werk en werktafel zijn voor hem met elkaar verknoopt in netwerken van verwijzingen.

In de betreffende tekst, getiteld Aantekeningen betreffende de voorwerpen die op mijn werktafel liggen, geeft Perec, de meesterlijke maker van lijstjes en inventarissen, een opsomming van de voorwerpen op zijn werktafel:

Een lamp, een sigarettendoos, een eenbloemvaas, een lucifershouder, een kartonnen doos met kleine veelkleurige fiches, een grote inktpot van papier-maché ingelegd met schelpen, een glazen potloodhouder […] [2] 

Het is mede de materialiteit van deze dingen die verschillende narratieve, historische en biografische ruimten kan openen, ruimten die via de objecten een zintuiglijke, tastbare dimensie krijgen. De immateriële voorwerpen, in ‘gesloten’ toestand, op een digitaal bureaublad, dat wil zeggen de iconen van programma’s, van mappen of van documenten, ontberen dat vermogen. Ze zijn niet alleen gestandaardiseerd en op elke computer identiek, maar door hun digitale aard ook ongrijpbaar en zonder geschiedenis: in feite zijn het louter buitenkanten. Echter, toch vertellen ze, specifieker dan de folders en documenten die de gebruiker zelf aanmaakt, iets als een verhaal, en wel middels hun talige titels, die bedacht zijn door en het systeem volgen van die individuele gebruiker. Het is in het linguïstische proces van het benoemen van de computerbestanden, tevens een ‘beschrijven’, dat er een geschiedenis wordt geschreven en een ruimte wordt afgebakend, hoe rudimentair ook. Het is echter een beschrijven dat niet direct voortkomt uit, maar dat cirkelt rond ‘het hart van het ontstaan’, dat erlangs scheert.

De vraag is vervolgens in hoeverre het hart van het ontstaan bij de computer als werkplek überhaupt valt te ontsluiten of te lokaliseren. Hiervoor moet hoe dan ook eerst de ruimte achter de documenten en programma’s worden geopend. Een ander bureau, ouder nog dan Perecs werktafel maar met profetische technische eigenschappen, doet zich dan voor: de Memex van Vannevar Bush. Deze Amerikaanse informatietechnoloog publiceerde in 1945 een artikel getiteld As We May Think [3], waarin hij de Memex (acroniem voor ‘memory extension’) introduceerde, een conceptuele, technische constructie bedoeld voor geavanceerde informatiewerking. Bush:

A Memex is a device in which an individual stores all his books, records, and communications, and which is mechanized so that it may be consulted with exceeding speed and flexibility. It is enlarged intimate supply to his memory. It consists of a desk, and while it can presumably be operated from a distance, it is primarily the piece of furniture at which he works. On the top are slanting translucent screens, on which material can be projected for convenient reading. There is a keyboard, and sets of buttons and levers. Otherwise it looks like an ordinary desk.

Dit nooit gerealiseerde ‘bureau’ kon beeld en tekst verwerken, indexeren, met elkaar verbinden en projecteren.

Het interessante aan de Memex, in de context van dit betoog, is dat het via de ontwerptekening letterlijk inzicht biedt in ‘het hart van het ontstaan’, en wel in het technische deel daarvan, het besturingssysteem. Bovendien zie je tegelijkertijd ook de fysieke ruimte van het bureau, de virtuele ruimte van de daarop geplaatste schermen, én de wijze waarop ze met elkaar verbonden zijn. In de hedendaagse bureaucomputer, beschouwd als de technische verwezenlijking van de Memex, zijn deze cruciale ‘ruimten’ – in kunsttermen in feite vergelijkbaar met de productieruimte, presentatieruimte en opslagruimte – van elkaar losgekoppeld. Chip en code zijn afgeschermd en onzichtbaar gemaakt, terwijl het oppervlak van het scherm is opgewaardeerd tot de ultieme, in het oog springende ruimte. Een ruimte waarin realistische user interfaces de abstracte aard van de computer en de mathematische basis van digitale beelden en teksten verhullen. Het hart van het ontstaan is in die zin ontoegankelijk gemaakt voor de gebruiker. Mediatheoreticus Friedrich Kittler pleit er daarom voor elke machtsanalyse in deze context te richten op de computerchip zelf, voorbij het scherm en de grafische interface. [4] Naar zijn mening wordt de huidige computergebruiker onderdrukt door de computer als ‘bureaucratische’ machine, terwijl aanvankelijk, bij de eerste computers, geen onderscheid gemaakt werd tussen instructies en data.

Wat behelst de computer nu als mnemisch apparaat, als geheugenruimte?

Sigmund Freud voerde de Wunderblock, de magische lei, op als metafoor voor het onbewuste. Bij dit ‘notitieblok’, dat we vooral kennen als kinderspeelgoed, kunnen de tekeningen of schrijfsels aangebracht op het oppervlak van het ‘scherm’, bestaande uit een dun velletje plastic, volledig worden uitgewist door dit vel omhoog te halen, van de ondergrond van was af. Sporen van het schrijven of tekenen blijven echter zichtbaar op die ondergrond. Freud vergeleek dit met het mechanisme van het onbewuste, waarbij indrukken van de buitenwereld lijken te verdwijnen uit het psychische systeem, en geen sporen meer achterlaten in het bewustzijn, maar intussen als onbewust geheugen worden opgeslagen in een diepere laag.

Ook de computer fungeert als een soort magische lei. Alle zichtbare input, tekst of beeld, kan met een druk op de deleteknop gewist worden. Er kan steeds weer opnieuw begonnen worden, met schrijven, tekenen enzovoort. Echter, de bestanden of programma’s zijn in de meeste gevallen alleen maar zichtbaar gewist: op de harde schijf blijven sporen en resten van de gewiste data achter. Een deskundige kan aldus de verborgen of onzichtbare, noem het ‘onderdrukte’ geschiedenis van een gebruiker en diens werk opnieuw manifest maken. De computer als bureaucratie, in de zin van heersend (ambtelijk) apparaat, laat zich dus ook op het niveau van het geheugenbeheer gelden: niet de gebruiker, die de rol van functionaris krijgt, beslist, maar het ‘bureau’, het administrerende apparaat – een proces dat zich afspeelt in het hart van de machine. De computer omvat een absorberend zwart gat, dat echter niet per se een negatieve ruimte is, of een louter cryptische, maar ook een ‘sprekende’ ruimte, gevuld met resten, met afval, met materialen die een alternatieve duiding van het zichtbare in zich dragen, of zouden kunnen opwekken. Het is een ruimte van duizelingwekkende metamorfose: in het hart van het ontstaan gaat niets verloren, maar staat ook niets vast.

De werktafel van Perec, de Memex, de Wunderblock, de bureaucratie: de figuren of modellen waarmee de computer als werkplek zich hier liet vergelijken, zonder met één ervan precies samen te vallen, leggen een aantal specifieke bepalingen ervan bloot. Het gaat om schijnbaar disparate ruimten, de uitkomsten van verschillende premissen, waartussen de gebruiker echter bewust of onbewust schakelt. De transmissie- en overdrachtsprocessen waartoe hij middels zijn ‘werken’ aanzet, doen die uiteenlopende ruimten aan, zonder ergens permanent te (kunnen) blijven hangen. Juist die topografische onbepaaldheid, ideologische onbestemdheid en onvastheid van het ingevoerde materiaal kenmerken de computer als werkplek.

Als werkplek van de kunstenaar voegt de computer aan traditionele, concrete plekken als de opslagruimte of het archief, het atelier en de tentoonstellingsruimte een extra discursieve dimensie toe. Gesteld dat de computer als werkplaats ook een bredere metafoor kan zijn voor de condities en paradigma’s waarbinnen de hedendaagse kunstenaar werkt, wordt duidelijk in hoeverre de opslag, productie en presentatie van diens arbeid plaatsvindt in elkaar perverterende ruimten, die slechts ten dele door de kunstenaar zelf beheerd of overzien worden. Het zijn ruimten waar andere ruimten, die historisch, sociaal, economisch, politiek, psychisch, publiek of privaat van aard kunnen zijn, achter schuilgaan, en die een chaotische constellatie vormen waarin het zoeken is naar, of gissen is over het hart van het ontstaan.

De beelden en teksten die de kunstenaar met de computer maakt, worden in grote mate door het apparaat zelf gevormd, zowel in technisch als esthetisch opzicht – de kunstenaar schrijft of ontwerpt de onderliggende codes (meestal) niet zelf. Zolang de werken in de ruimte van de computer blijven, zijn ze ook van de computer en volgen ze de logica daarvan; zodra ze op het ‘bureau’ belanden, op weg naar een buiten, verandert hun status, echter zonder dat ze de computerruimte volledig achter zich kunnen laten. De weg terug, naar binnen, blijft steeds aanwezig.

In Ruimten rondom, het “dagboek van een ruimtegebruiker”, vraagt Perec zich af “wat erom de leegte heen of erin zit” en probeert hij de starheid van onze ruimtelijke voorstellingen te doorbreken door uitgaande van de bladzijde in steeds wijdere cirkels in de ruimte uit te dijen. [5] De personal computer kon in 1974, toen hij de bundel publiceerde, nog onmogelijk tot zijn ruimte-eenheden behoren. Je kunt je nu alleen maar afvragen of Perec, als hij de ruimte van de computer wel beschouwd zou hebben, hij die misschien als uitgangspunt genomen zou hebben om niet naar buiten uit te dijen, maar om een samentrekkende vlucht naar binnen te maken, tot een punt van no return.

 

Noten

[1]       Georges Perec, in: Ik ben geboren (Aantekeningen betreffende de voorwerpen die op mijn werktafel liggen), Amsterdam, De Arbeiderspers, 2003, p. 10.

[2]       Ibid., p. 9.

[3]       Vannevar Bush, As We May Think, oorspronkelijk gepubliceerd in de Atlantic Monthly, juli 1945. Zie: http://www.ps.uni-sb.de/~duchier/pub/vbush/vbush.shtml

[4]       Zie Friedrich Kittler, There Is No Software, on line gepubliceerd in 1995 in CTheory, http://www.ctheory.net/text_file.asp?pick=74

[5]       Georges Perec, Ruimten rondom, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1998.

 

Illustratie

Frank Theys, Zelfportret, 2003, stills