Eddy Bettens

DE WITTE RAAF

Editie 114 maart-april 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een flauwe grap

One of the most salient features of our culture is that there is so much bullshit.

Harry Frankfurt, On Bullshit

 

Een boek met de ondertitel Essays on the Writer’s Desk, dat wilde ik me niet laten ontgaan. Zeker niet toen ik las dat de schrijver, Kevin Kopelson (“one of today’s most important critics”, volgens de flap), zichzelf als een Barthesiaan beschrijft. Het boek zag er ook onweerstaanbaar uit: aangenaam dun, keurig ingenaaid, mooie foto van Yeats’ schrijftafel op de stofomslag. En de flaptekst beloofde een “poetics of the desk”, wat waarschijnlijk niets betekent, maar wel verleidelijk klinkt: “exploring the topography of literary creation by way of the topography of work space” zou Kopelson bij vijf schrijvers – Barthes, Proust, Bruce Chatwin, Tom Stoppard en Elizabeth Bishop – onderzoeken hoe hun “work habits relate to their published work”.

Ach, wat een sof. Kopelson is helemaal niet geïnteresseerd in de materiële omstandigheden waarin een tekst tot stand komt – niet in de werkgewoonten, niet in de notities, kladjes, revisies, en al helemaal niet in het ‘atelier’ van de schrijver, zijn schrijftafel. Daar maakt hij overigens geen geheim van. Aan het begin van zijn essay over de Engelse toneelschrijver Tom Stoppard citeert hij Stoppard die vertelt dat hij de meeste van zijn toneelstukken aan de keukentafel heeft geschreven. Je kunt je afvragen hoe die keukentafel eruitziet, zegt Kopelson. Hij vindt Stoppards werk classicistisch, dus stelt hij zich de tafel als zeer ordelijk voor. Stoppard heeft ooit verteld dat hij als autodidact de hele tijd “de dingen verbergt die hij niet weet”, dus vermoedt Kopelson dat die keukentafel een geheime lade bevat. (Van dat soort maffe redeneringen en flauwe diepzinnigheden loopt dit boek over.) Maar helaas, hij is er niet in geslaagd te ontdekken hoe die keukentafel eruitziet. Het kan hem eigenlijk ook geen zier schelen: “Nor do I care, because what concerns me now is how Stoppard dramatizes this kind of furniture.” Hij onderzoekt dus de dramatische functie van tafels – of tafelachtige objecten – in Stoppards werk: ze lijken op de scène zelf , vindt hij, en ze corresponderen met de dramatische ironie in zijn werk… Daarop volgt een compacte interpretatie van Stoppards toneelwerk, die eigenlijk alleen te volgen is voor wie grondig met dat werk vertrouwd is. (In de gegrondheid van die interpretatie heb ik overigens, na lectuur van het hele boek, weinig fiducie.) Hoe dan ook: we zijn mijlenver van de schrijftafel afgedwaald. Dat waren we eigenlijk ook al in het stuk over Elizabeth Bishop, dat een impressionistische verkenning is van het thema “mess” in haar werk. (Bishop schaamde zich omdat haar bureau altijd zo’n warboel [mess] was, vandaar.)

Zijn essay over Proust begint Kopelson met de mededeling dat Proust in bed schreef en dat hij de Recherche nooit voltooid heeft; met een flauwe woordspeling vraagt hij zich vervolgens af waarom Proust “did not put the book itself to bed”. (“To put a book to bed” betekent zoveel als: een boek in druk geven.) Die vraag beantwoordt hij niet echt; liever vraagt hij zich af waarom sommige schrijvers (Cocteau, Gide, Woolf) er niet of maar moeilijk in slaagden om de Recherche helemaal uit te lezen, en waarom Benjamin en Richard Howard slechts een deel van het werk hebben vertaald. Zo zijn we al snel twintig pagina’s verder. Vlak voordat het essay uitdooft, zegt Kopelson nog gauw – geïnspireerd door een bij Bachelard aangetroffen citaat van Pasternak, dat overigens niet over Proust gaat – dat het bed voor Proust een nest was.

Het stuk over Barthes brengt alle relevante en niet relevante citaten samen, maar dobbert al na enkele pagina’s richtingloos verder, tot Kopelson op de voorlaatste pagina alle citaten overboord gooit en aan het fantaseren slaat. Voor Barthes, beweert hij, bestond er een nauwe band tussen schrijven en masturberen. En Kopelson geeft zich over aan een rêverie: hij stelt zich Barthes voor, die aan zijn schrijftafel enkele regels schrijft, daarna wat op bed gaat liggen, een favoriete foto met een erotisch punctum opdiept, zijn riem losmaakt enzovoort. (Kevin Kopelson, moet u weten, behoort tot de representanten van de zogenaamde queer theory die dit soort fantasieën grensverleggend vinden.)

Ook het stuk over Chatwin biedt niets interessants. Kopelson kan natuurlijk niet om de beroemde moleskin notebooks heen, de zwarte notitieboekjes waarin Chatwin zinnen, citaten, feiten en ideeën verzamelde. Maar aan wat Chatwins biografen daarover hebben gezegd, voegt hij niets toe. Hij had natuurlijk van Iowa naar Londen kunnen vliegen, om er in de Bodleian Library te gaan uitzoeken hoe Chatwin die notitieboekjes bij het schrijven van In Patagonia of The Songlines heeft gebruikt. Maar dat nauwgezette, trage tekstgenetische werk is aan Kopelson niet besteed. Liever verliest hij zich in vernuftige speculaties. Chatwin vertelt ergens dat hij als jongetje van vier de mijnenveger bezocht waarop zijn vader kapitein was; hij kreeg natuurlijk ook zijn kajuit te zien: “a calm, functional space painted a calm pale gray; the bunk was covered in black oilcloth and, on a shelf, there was a picture of me.” Die brits in zwart wasdoek gehuld – dat doet Kopelson natuurlijk aan iets denken. In The Songlines schrijft Chatwin namelijk over de “black oilcloth binding” van zijn moleskin notebooks. Wat we met die analogie tussen brits en notitieboek aan moeten, dat vertelt Kopelson er overigens niet bij.

Ruim de helft van Neatness Counts bestaat uit citaten. Kopelson bezit kennelijk een zeer efficiënt databaseprogramma. Vaak doet hij niet meer dan citaten aan elkaar schakelen, via flinterdunne bruggetjes en onnavolgbare associaties. In de voetnoten worden – om onduidelijke redenen – vooral Adorno’s Minima Moralia en Nietzsches Menselijk, al te menselijk geplunderd. Als hij in zijn eindeloos voortdobberende gebabbel zelf even het noorden is kwijtgeraakt, begint hij een nieuwe paragraaf zo: “Have I mentioned Adorno on revision?” En hop, weer een citaat van een halve pagina. Natuurlijk worden die citaten waar nodig bijgeknipt en vaak héél dubieus geïnterpreteerd. Eén voorbeeld maar: in Le Plaisir du texte van Barthes staat een fragment over een tekst die hem verveelt omdat hij babbelt: “Het gebabbel van de tekst is slechts het taalschuim dat zich vormt onder invloed van een eenvoudige schrijfbehoefte. We bevinden ons hier niet in de perversie, maar in de vraag. Bij het schrijven van zijn tekst kiest de scribent een zuigelingentaal: dwingend, automatisch, liefdeloos […] Je kunt uiteindelijk zeggen dat u deze tekst buiten ieder genot heeft geschreven, en tenslotte is deze babbeltekst een frigide tekst…” Een naam wordt in dit hele fragment niet genoemd, maar wat denkt Kopelson? Kopelson denkt dat deze passage over Proust gaat! En enkele bladzijden verder gebruikt hij ze al doodleuk als bron om duidelijk te maken wat Barthes écht van Proust vond.

Maar wat me nog het meest stoort in dit boek, is de giechelige grappenmakerstoon. Het boek staat vol mislukte woordspelingen en flauwiteiten. Als hij het over de analogie tussen schrijven en masturberen heeft, schrijft Kopelson: “Both activities, moreover, involve being on good terms with ‘wood’” Wat krijgen we nu? Wel, hij had eerder al Barthes geciteerd, die bij voorkeur aan een houten tafel schreef en “un bon rapport avec le bois” had. En “wood” kan in het Amerikaans ook “erectie” betekenen. Het heeft iets onuitstaanbaar zelfvoldaans, om dit soort onzin ook na verschillende revisies (mag je toch hopen) te laten staan.

Nog een voorbeeld. Ik had al een kwaaie streep getrokken naast een passage waarin Kopelson vermoedt dat Virginia Woolf “may have resisted finishing Proust because she felt engulfed by him – an eerie anticipation, as elsewhere in her oeuvre, of her own death by drowning”. Ik vind dergelijke “eerie anticipations” namelijk maar niks, zeker niet als ze alleen op metaforen en analogieën steunen. Enkele pagina’s verder was het weer prijs. Kopelson citeert Benjamin, die in een brief aan Scholem vertelde dat Proust bij hem soms “symptoms of internal poisoning” opwekte – woorden die (u raadt het) “anticipate or predict” Benjamins zelfmoord door morfine… Maar de klapper komt even later. Kopelson geeft een (uitvoerig) citaat uit de Recherche, waarin het personage Verdurin vertelt dat de reden waarom hij niet meer schrijft zijn morfineverslaving is. Tot mijn verbijstering schrijft Kopelson als commentaar: “The morphine addiction to which Verdurin attributes this renunciation also anticipates Benjamin’s death.” Wat doe je met een schrijver die zichzelf zo uitnodigend te kakken zet? Hij doet denken aan iemand die giechelig een flauwe grap vertelt, zelf overdreven hard schatert om te laten merken dat hij ook wel weet dat de grap te flauw voor woorden is, en dan doodleuk een nieuwe grap vertelt, al even flauw.

 

Het boek Neatness Counts. Essays on the Writer’s Desk van Kevin Kopelson werd in 2004 uitgegeven door The University of Minnesota Press, 111 Third Avenue South, Suite 290, Minneapolis, MN 55401-2520 (www.upress.umn.edu).