Wouter Van Acker

DE WITTE RAAF

Editie 114 maart-april 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Stanley Brouwn

Vier decennia geleden stelde de Amsterdamse kunstenaar Stanley Brouwn zichzelf de opdracht om zijn artistiek onderzoek enkel en alleen te richten op de begrippen ‘afstand’ en ‘beweging’. Dat resulteert in een groot aantal projecten waarin met uiterste consequentie afstanden worden geteld en opgemeten. Stanley Brouwn ontwikkelt daartoe een persoonlijk maatsysteem (de sb-voet, de sb-el en de sb-stap) dat hij systematisch confronteert met het universele metrieke stelsel en met in onbruik geraakte lokale maateenheden. Tijdens de late jaren ‘60 en ‘70 inventariseert hij afstanden, in de vorm van getallen op afzonderlijke steekkaarten, in een kaartregister of in boekvorm. Of hij zet de afstanden als lijnstuk op grote vellen papier. Vanaf de jaren ‘80 materialiseert hij afstanden in opgerolde staaldraad, aluminium platen en strips, houten en metalen kubussen. Deze laatste objecten hanteert hij tevens als meetinstrument om ruimtes te ‘portretteren’. Zijn meest recente werk beperkt zich tot een titel die een imaginaire afstand weergeeft.

De retrospectieve die momenteel in het Van Abbemuseum in Eindhoven loopt, toont een overzicht van deze verschillende fasen. Naast het ‘concrete’ conceptuele materiaal, tentoongesteld op schraagtafels die de kunstenaar zelf ontwierp, realiseerde Brouwn tevens enkele in situ-installaties. In een ruimte trok hij bijvoorbeeld een aantal paden met behulp van twee evenwijdige lijnen. De paden zijn enkele stappen lang en lopen telkens in de richting van een andere hoofdstad.

Stanley Brouwn is altijd trouw gebleven aan het credo van de conceptuele kunst dat een idee geen fysieke gestalte moet krijgen en dus evengoed als tekst kan geformuleerd worden. Niettemin heeft hij steeds gezocht naar werk dat zijn elementaire feitelijkheid bewijst. Werken als stalen plaat 1 voet x 1 el of Zonder titel, metaal, 1/10 m x 1 voet zijn simpelweg wat ze van zichzelf beweren. Titel en kunstwerk, gedachte en realiteit, vallen samen en zijn inwisselbaar. Brouwn wil immers niet alleen de realiteit omvatten zonder haar te representeren, hij wil dat zijn werk ook een heldere en concrete realiteit op zich vormt. Zo identificeerde hij de naamloze zalen van het Van Abbemuseum via hun afmetingen op een titelbordje. Terwijl de zalen zich manifesteren als sculpturaal object, verwijzen de afmetingen naar een uitgepuurd en zelfstandig gegeven. In gedrukte vorm zijn de afmetingen even ‘concreet’ als de ruimte die ze omschrijven. Dit spel tussen concreet object en concrete beschrijving wordt verdergezet in een nieuwe deuropening die Stanley Brouwn realiseerde in een wand van het Van Abbemuseum, exact volgens de afmetingen van een bestaande deur in een ander gebouw in Eindhoven.

Doordat zijn werk enkel en alleen (ver)wijst en geen interpretatie vergt, doordat het slechts concrete feitelijkheid produceert en elke abstraherende waarneming weigert, verdraagt het volgens Brouwn geen verklaringen of beschrijvingen. Brouwn wil de esoterische zuiverheid van zijn werk beschermen door elke ‘commentaar’ te beperken tot zijn handelen: objectief aanduiden. Sinds jaar en dag weigert Brouwn elk interview en vermijdt hij dat er over zijn werk wordt geschreven. Tentoonstellingscatalogi blijven angstvallig gespaard van foto’s, biografische of bibliografische gegevens. Bij de retrospectieve in het Van Abbemuseum werd dan ook geen catalogus gepubliceerd, maar een klein en goedkoop ‘kunstenaarsboek’ dat afstanden documenteert. Voor wie zicht wil krijgen op ‘het materiaal’, geldt wat in de catalogus van de documenta 7 (1982) staat: “Stanley Brouwn refers to his works in the exhibition.”

Maar precies deze extreme feitelijkheid mondt uit in een verregaande mythologisering van Brouwn als figuur en als kunstenaar. Dit manifesteert zich al bij zijn eerste conceptuele werken uit 1960. Terwijl het werk op zich objectief lijkt, is de daad die het aanwezig stelt altijd subjectief gecodeerd – door ‘Brouwn’ zélf. Voor het werk pedestrian footsteps on paper liet hij tijdens het lopen van een punt a naar een punt b een serie papieren vellen op het trottoir neerdwarrelen. Nadat de vellen waren bedrukt met de voetsporen van een anonieme voorbijganger, werden ze verzameld als documentatiemateriaal van het parcours dat Brouwn zelf had afgelegd. Parallel hieraan ontstond wellicht Brouwns bekendste werk: de serie This Way Brouwn. Brouwn vroeg passanten om de weg naar een bepaalde plek in de stad te verduidelijken met behulp van pen en papier. De schetsen van de toevallige voorbijgangers werden nadien voorzien van de stempel “this way brouwn”. Hoewel deze twee vroege werken zich aandienen als een psychogeografische studie van een omgeving, op basis van het gedrag van individuen, geven ze geen uitzicht op een verhaal. We komen niet te weten wat het traject inhoudt of wat plaatsgevonden heeft tussen plaats a en plaats b. De enige informatie die de titel ons verstrekt is dat Stanley Brouwn een bepaalde afstand heeft afgelegd. De verschillende werken bewijzen dat die opdracht met bepaalde tussenafstanden is volbracht. Die ‘personalisering’ wordt vanaf 1970 verder doorgetrokken, wanneer Brouwn de nadruk legt op het identificeren en het aantonen van een afgelegde afstand aan de hand van lengtematen. Zo draagt hij zichzelf onder meer op om dagelijks zijn eigen voetstappen te tellen en te registreren. Al deze trajecten worden geficheerd en geïndexeerd. De resulterende fiches bieden echter geen beschrijving of ‘beeld’ van het afgelegde traject. Het zijn slechts abstracte condensaties van Brouwns mobiele bestaan. In een serie dozen die steekkaarten bevatten, met in oplopende volgorde de afstanden van 1 tot (bijvoorbeeld) 1000 millimeter, wordt een bladwijzer tussengevoegd die een bepaalde lengte aangeeft van een Stanley Brouwn-stap: “858 mm”. De enige werkelijke referentie van deze afmeting is de ikpersoon, terwijl juist hij angstvallig buiten beeld wordt gehouden. Door ruimte te ‘mappen’ via een persoonlijk maatsysteem, kantelt de objectieve indicatie in een autobiografische registratie. De ruimtes of afstanden zijn niet zozeer ‘concreet’ doordat ze naar de maat van Brouwns lichaam verwijzen; ze zijn concreet door zijn fysieke inbreng en door de suggestie van zijn – onvermijdelijk ontoegankelijke – persoonlijke ervaring. Brouwns mythische terughoudendheid heeft eenzelfde omgekeerd effect. Zijn nadrukkelijke afwezigheid maakt hem nadrukkelijk tegenwoordig. In zijn afkeer van elke exposure is hij aanweziger dan ooit.

 

• Stanley Brouwn. werken 1960-2005, tot 17 april in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, 5600 AE Eindhoven (040/238.10.00; www.vanabbemuseum.nl)