Jeroen Peeters

DE WITTE RAAF

Editie 114 maart-april 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Of the Presence of the Body

Onder deze programmatische titel brengt performancetheoreticus André Lepecki, assistant professor performance studies aan de New York University, negen academische opstellen samen die zich bewegen op de grens van dance studies en performance studies. Die jonge disciplines zijn te situeren in de traditie van de culturele studies, die wetenschap niet langer opvat als ongebreidelde kennisaccumulatie en overdracht, maar als een vorm van cultuurkritiek. Object en subject van onderzoek zijn immers niet van elkaar te scheiden, het erkennen van de ideologische implicaties daarvan een belangrijk kenkritisch gegeven. Specifiek voor dance en performance studies zijn niet enkel hun aandacht voor podiumkunsten, maar ook de concepten en strategieën die ze hanteren: bijvoorbeeld performativiteit als een instrument om het wereldscheppende karakter van handelingen en vertogen te duiden, of aandacht voor het lichaam als discursieve site.

In de inleiding geeft Lepecki aan dat in de moderne Westerse danspraktijken body en presence, het lichaam en zijn verschijning, niet per se samenvallen. Het lichaam wordt in dans altijd omgeven door afwezigheid. Door zijn vluchtige karakter is dans essentieel historisch, verbonden met herinneringen en associaties, pendelend tussen bewust en onbewust. De dans is anders gezegd altijd al verknoopt met de sporen die hij nalaat, in het lichaam, in het geheugen, in geschreven en technologische registraties. Lepecki vervolgt: “the notion of mnemonic trace emerges as a concept in crisis, […] a crisis of the visible, of how to approach the visible body as its dancing presence plunges into the past, into history, into a representational field that is perhaps too excessive to be regimented, contained, tamed.” (pp. 4-5) Dance en performance studies pogen die epistemologische crisis productief te maken en dans als een kennismedium in te zetten in diverse vakgebieden.

Of the Presence of the Body is een erg heterogene bundel die een idee geeft van de diversiteit aan thema’s die onderzocht worden in dance en performance studies. Het boek eist expliciet ruimte op voor de paradigmata van deze disciplines, maar draagt niet echt nieuwe inzichten aan. Het niveau van de teksten is wisselvallig; vernuftige epistemologische discussies vinden soms maar een halfslachtige toepassing of worden integendeel enkel schetsmatig uitgewerkt, en de schaarse artistieke analyses zijn al te zeer ondergeschikt aan theoretische denkbeelden. Er is veel aandacht voor gendervraagstukken en de artistieke focus ligt op dans in de 20ste eeuw, maar de rode draad is een groot epistemologisch (en politiek) enthousiasme.

Het boek opent met twee klassieke essays die dansvoorstellingen analyseren: Peggy Phelan bespreekt Trisha Browns opera-enscenering Orfeo (1998 in De Munt in Brussel) en verschillende interpretaties van de dood. Via een genealogisch model (Foucault) duidt Ramsey Burt paradigmatische verschuivingen in de culturele inscriptie van lichamen in een stukje recente dansgeschiedenis (Yvonne Rainer, Pina Bausch, Anne Teresa de Keersmaeker): “Where the materiality of the body troubles and disturbs the idea of aesthetic truths that are timeless and thus ever present on a metaphysical plane, normative historiography can sometimes contribute to the process through which the potentially subversive physicality of the body is in effect erased.” (p. 30) Genealogie als epistemologisch kader is er precies op uit om processen van normatieve subjectvorming en verzet ertegen op het spoor te komen.

Door het transporteren van concepten en paradigmata naar andere disciplines en contexten, kunnen bestaande inzichten opnieuw gemobiliseerd worden, kan kennis een kritische inzet krijgen. In het derde deel van Of the Presence of the Body, gebruikt Mark Franko bijvoorbeeld de theorie van de gift bij Mauss en Derrida om te onderzoeken of dans een weerwoord kan bieden op een catastrofe als 11 september. Karmen MacKendrick gaat dan weer bij Bataille en Blanchot te rade om exces en transgressie in dans te theoretiseren, met aandacht voor stillness en intensivering als concrete strategieën. Om het fundamenteel historische karakter van dans aan te geven, onderzoekt Lepecki in zijn bijdrage Inscribing Dance de spanning tussen dansen en schrijven, waarbij hij Derrida’s theorie van het spoor en zijn opvattingen over dans onder de loep neemt. Het middendeel Dancing Othering is interessant omdat het de omgekeerde weg bewandelt: wat kunnen inzichten uit dance en performance studies betekenen voor andere vakgebieden?

Randy Martin vraagt zich af welke analytische modellen de cultuurkritiek vandaag hanteert om een algehele (identiteits)crisis af te kondigen: “it is far form clear whether the world, the means of representing it, or the relation between the two, is in crisis.” (p. 47) Martin merkt op dat subject en object, theorie en praktijk, in dans altijd op elkaar inspelen, zowel in tijd als in ruimte. Als deze zogenaamde crisis te maken heeft met een ambigue houding tegenover representatie en verwijzing, dan biedt dans mogelijkheden om daarmee om te gaan: de instabiliteit in de betekenissen, hun beweeglijkheid, vormen in dans juist een fundamentele karaktertrek. Verder onderzoekt Martin identiteitskwesties die voortkomen uit het verdwijnen van de natiestaat als referentiekader voor een ideaal burgerschap. Welke modellen van identiteitsvorming en socialisatie hanteren we vandaag? Dans is voor Martin bij uitstek de plaats waar een zekere mate van twijfel en instabiliteit aan de orde zijn, een onzekerheid die hij afweegt tegen de neoliberale cultus van zelfbeschikking.

Thomas DeFrantz heeft het over hiphop, zwarte identiteitsvorming en activisme. Wat ging er precies verloren toen de sociale streetdance bekend werd via de massamedia, en argeloos werd toegeëigend door een ruim blank publiek en door kunstenaars? En wat werd erdoor gewonnen? Susan Manning neemt spirituals uit de jaren dertig tot vijftig als onderwerp voor een casestudy, en gebruikt haar bevindingen om te kijken naar verschuivende representaties van ras, gender, seksualiteit en nationaliteit in Amerikaanse moderne dans. Ook medische antropologie komt aan bod in een bijdrage over borstvoeding van Barbara Browning. Ze bevraagt metaforen van vloeibaarheid en infectie, verbindt beschouwingen over candomblé en samba met persoonlijke zwangerschapservaringen en discussies omtrent het UN aidsprogramma. Zoals lichamen altijd ook sociaal en politiek zijn, zo bestaat er voor Browning geen natuurlijk moederschap. Ze toont aan dat de metaforen, rituelen en vooroordelen die moedermelk in bepaalde situaties omgeven minstens even infectueus (of helend) zijn als de substantie zelf. Vragen omtrent identiteit, hiërarchie, zichtbaarheid en stabiliteit worden telkens weer aan de orde gesteld via dans, via lichamen als cultuurproducten, via de instabiele plek van toeschouwers en waarnemers: hier ligt de politieke inzet van Of the Presence of the Body.

 

• André Lepecki (red.), Of the Presence of the Body: Essays on Dance and Performance Theory, Middletown CT, Wesleyan University Press, 2004. ISBN 0-8195-6612-8.