Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 115 mei-juni 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dionysiac

Onder de titel Dionysiac groepeert het Centre Pompidou veertien hedendaagse kunstenaars die volgens conservator Christine Macel allemaal in een ‘dionysische’ sfeer werken. Ze verwijst daarbij naar Nietzsche die deze term al gebruikte in Die Geburt der Trägodie uit 1878. Vandaar ook de ondertitel L’Art en excès de flux ou le tragique contemporain, en het motto “Ce qui est tragique, c’est la joie”, dat ontleend is aan Gilles Deleuze.

Het zou dus gaan om kunst die de uitspattingen van het leven en de losbandigheid van de vernietiging in zich verenigt; het dionysische staat immers tegenover het apollinische, tegenover maat en orde, redelijkheid, sereniteit en zelfbeheersing. De tentoonstelling “désigne un rapport spécifique de l’art à la vie, un oui contre la résignation, qui passe autant par la colère et le plaisir de la destruction que par l’exaltation du flux. Ces artistes travaillent dans l’excès, la transgression et le rire, avec ironie et une certaine subversion, si tant est qu’elle soit encore possible.”

Dionysiac wil aantonen dat subversieve kunst vandaag nog mogelijk is. Misschien zijn er mensen die nog steeds geshockeerd worden door dergelijke tentoonstellingen (al was het maar omdat er geen vrouwelijke kunstenaars in opgenomen zijn, iets waartegen een groep gereactiveerde Guerrilla Girls tijdens de opening protesteerde), maar voor de rest bewijst Dionysiac het tegendeel. Ondanks de radicale standpunten, de ironische kritiek, de overspannen chaos, de intimidatie en de provocatie, neutraliseert deze kunst zichzelf doordat ze enkel functioneert binnen de context van het kunstgebeuren.

De belangrijkste kritiek op de tentoonstelling die in de Franse pers te lezen was, gold het feit dat deze zogenaamde subversieve kunst gegeerd wordt door verzamelaars en duur betaald wordt. Ze wordt dan ook vertegenwoordigd door een handvol belangrijke galeries die druk en invloed uitoefenen op musea en tentoonstellingen. Dit zegt echter meer over het Centre Pompidou dat niet verder kijkt dan de galeries die in de mode zijn. Een verwijt dat ook reeds bij de tentoonstelling Cher peintre… (2002) te horen was.

Bijna alle kunstenaars realiseerden nieuw werk voor deze tentoonstelling; Dionysac bestaat dan ook hoofdzakelijk uit grote installaties die meestal door het Centre Pompidou werden geproduceerd. Cynici merken op dat het geen toeval kan zijn dat er binnenkort in Frankrijk enkele belangrijke privé-musea opengaan die, om een ruim publiek te trekken, nood hebben aan spectaculaire werken. Dat het publiek daar ondertussen mee vertrouwd gemaakt wordt, is alvast meegenomen.

Deze tentoonstelling breekt geen potten. De trashesthetiek van Paul McCarthy en Jason Rhoades is ondertussen gekend. Interessant is wel de aanwezigheid van Richard Jackson (Sacramento, 1939) die reeds in de jaren zestig inging tegen de conventies van het toenmalige minimalisme en die daardoor een belangrijke generatie Californische kunstenaars beïnvloed heeft – onder wie zijn leerling Jason Rhoades. Jacksons Pomp Pee Doo – een reeks fel gekleurde beren die in een pissoir pissen, waarbij de urinoirs en de berenhoofden soms met elkaar verwisseld zijn – is echter niet meer dan een gelegenheidsgedicht.

Grappig zijn wel de plasticineschilderijen van het Oostenrijkse collectief Gelatin. Het zogenaamde kunstterrorisme van Kendell Geers is een losse flodder. Geers’ pornografische tekeningen, die in een soort graffitistijl op de muur gespoten werden, zijn zogezegd geïnspireerd door Bataille en de Sainte-Vierge van Picabia. Het resultaat is echter flauw. Het pseudo-intellectuele missiewerk van Thomas Hirschhorn wordt almaar pretentieuzer. Maurizio Cattelan is gelukkig steeds zichzelf. Het engagement van Malachi Farrell, die een waanzinnige sweatshop of een atelier clandestin installeerde, wordt gelukkig gedragen door zijn plastische inventiviteit, en met Salon de béton maakte John Bock een intrigerende film. Ook het werk van Christoph Büchel, die de restanten van een feestje op de opening van de tentoonstelling in een container heeft ingevroren, waardoor een prachtig stilleven ontstond, heeft poëtische kwaliteiten. Als een van de weinigen op de tentoonstelling heeft hij begrepen waar het in essentie om gaat. “Si la poésie est dionysiaque par ses origines, elle est apollinienne dès qu’elle est poésie” (H. Delacroix).

 

• Dionysiac, nog tot 9 mei in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).