Dorine Van Hoogstraten

DE WITTE RAAF

Editie 115 mei-juni 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Tuinsteden

Een huis met een voor- en achtertuin, dat is het ideaal van het grootste deel van de Nederlanders. Dat huis moet in een wijk staan waar de kinderen veilig buiten kunnen spelen, waar de bomen langs de straat volwassen zijn, waar de heester vol en groen en parkeren gratis is. Het verlangen naar suburbia is een open deur maar verkoopt goed. De foto op de kaft van het boek Tuinsteden tussen utopie en realiteit van Harm Jan Korthals Altes verbeeldt het ideaal aardig – alleen jammer dat het herfst is op de foto, want daardoor zijn de bomen kaal.

De laatste tijd is de tuinstad een geliefd thema bij architecten, stedenbouwkundigen, architectuurhistorici en sociaal-geografen. En bij uitgevers, want er kwamen verschillende boeken uit die direct of zijdelings over tuinsteden handelen.

De oorsprong van het begrip tuinstad ligt in Engeland, waar Ebenezer Howard in 1898 het model voor de tuinstad ontwikkelde. Hij publiceerde het in zijn boek Tomorrow, a Peaceful Path to Real Reform, in 1902 herdrukt onder de naam Garden Cities of Tomorrow. Het boek van Korthals Altes begint daarom met een enorme portretfoto van Howard. Het begrip tuinstad definieert Korthals Altes als een utopisch sociaal-ruimtelijk model, ontstaan als reactie op de ellendige woontoestanden van grote groepen mensen in de Britse industriesteden. Howard wilde zowel de stedelingen als de industrie naar ruim opgezette, groene tuinsteden op het platteland brengen. Iedere tuinstad zou de voorzieningen en de gemêleerde bevolking van de stad hebben, maar dan met veel frisse lucht, overvloedige groene ruimte en het eenvoudige landleven binnen handbereik. De grond zou in gemeenschappelijk eigendom zijn, wat de tuinstad tot revolutionaire materie maakte. Howards publicatie leidde tot een omvangrijke tuinstadbeweging in Europa en Amerika.

Tuinstad tussen utopie en realiteit is het resultaat van een promotieonderzoek en dat is te zien aan de academische opzet. Ieder hoofdstuk volgt hetzelfde stramien en wordt afgesloten met een kopje ‘conclusies’ – in het laatste hoofdstuk heten ze ‘eindconclusies’. In de inleiding krijgen we bovendien een leeswijzer voorgeschoteld voor het geval de lezer er niet uitkomt. De tabellen en analysemodellen in het boek verraden dat het om sociale wetenschappen gaat. Gelukkig zijn er ook foto’s, schetsjes en plattegronden afgedrukt zodat er voor architectuurfanaten wat te zien is, al is het niveau van de illustraties mager.

Maar buiten deze schoolse rarigheden, is Tuinstad tussen utopie en realiteit een prachtig werk. Na de beschrijving van de herkomst van het begrip tuinstad en de definiëring ervan, legt Korthals Altes uit hoe het tuinstadmodel inEngeland leidde tot de bouw van tuinstadjes als Letchworth en tuinwijken zoals Hampstead Garden Suburb. Amerikaanse, Duitse en Oostenrijkse enthousiastelingen gaven hun eigen interpretatie van Howards ideeën en verbogen ze tot samenlevingsvormen die pasten binnen de nationale sociale en stedenbouwkundige tradities. Zo ontstonden bijvoorbeeld Radburn in New Jersey en de Hufeisensiedlung van Bruno Taut in Berlijn.

Met behulp van een door hem ontwikkeld analysemodel gaat de auteur ook Nederlandse tuinsteden te lijf. Intrigerende voorbeelden van fabrikanten met goede bedoelingen komen aan bod. Zij bouwden uit bezorgdheid om hun werknemers, die ook hun kapitaal vormden, en om revolutionaire bewegingen zoveel mogelijk de wind uit de zeilen te nemen. Resultaten waren onder meer het Agnetapark in Delft voor werknemers van de Gist- en Spiritusfabriek en woningen voor mijnwerkers van Staatsmijn Emma in Zuid-Limburg. Maar ook woningbouwverenigingen en gemeenten hielden zich met de ontwikkeling van de tuinstad bezig. In Rotterdam had je Vreewijk en in Amsterdam Betondorp. Hier begint zich het karige illustratieniveau te wreken. Bijna alle voorbeelden zijn in architectonisch opzicht zeer interessant, maar dat komt met een plattegrondje en een overzichtsfoto in zwart-wit niet uit de verf. De diepgang van de tekst maakt gelukkig veel goed, omdat de vormgeving daarin als belichaming van de sociale idealen wordt geanalyseerd en in een bredere context wordt geplaatst.

In de laatste hoofdstukken onderzoekt Korthals Altes de waarde en belevenis van de tuinstadgedachte tot op heden. Hij ondervroeg de hedendaagse bewoners van de oude tuinsteden over de manier waarop zij hun woonomgeving beleven en bespreekt recente toepassingen van Howards model in onder andere Almere. Via een aantal voorbeelden uit de 20ste eeuw komt hij uiteindelijk terecht bij de Amerikaanse beweging van de Traditional Neighborhood Development en de hedendaagse Nederlandse bouwpraktijk. Retrobuurten (met woningen die in vormgeving refereren aan architectuur uit de jaren dertig), nieuwe buitenplaatsen en landgoedwijken zijn – om voor de hand liggende redenen – populair. Korthals Altes doet tot slot aanbevelingen voor de toepassing van het tuindorpmodel in verschillende hedendaagse situaties. Eigenlijk is het enige wat Tuinsteden tussen utopie en realiteit niet behandelt de urgente opgave van de herstructurering van naoorlogse tuinwijken. Maar daar springt een ander boek over tuinsteden in: De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad.

Dat boek mag echter het woord tuinstad in de titel hebben, er staat geen enkele foto in van een lommerrijke groene woonwijk vol bakstenen huizen met schuine daken. De onderzoeksmethode, schrijfstijl, illustratiewijze en zelfs het onderwerp zijn tegengesteld aan die van Korthals Altes. De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad is het resultaat van ontwerpateliers waar in teamverband onderzoek gedaan is naar drie naoorlogse woonwijken die aan herziening toe zijn omdat de stedenbouwkundige en architectonische opzet niet meer aansluiten bij de hedendaagse woonwensen: De Poptahof in Delft, Klein Driene in Hengelo en Broersveld in Nijmegen. De stedenbouwkundige opbouw, de architectuur, het groen, de sociale samenstelling, het parkeren en de voorzieningen in de wijken werden onderzocht; en zoals het architecten betaamt, bedachten zij in alle gevallen creatieve oplossingen voor de wijkproblemen.

De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad is mooi uitgegeven, met leesbare schetsjes, sprekende illustraties en een heldere opzet. Ook de thematiek is actueel; allerlei publicaties en tentoonstellingen over de problemen van de naoorlogse groene wijken zien de laatste tijd het licht. Andere voorbeelden zijn de tentoonstelling en het mooie boek De Grote Verbouwing van Jacqueline Tellinga in het NAi en Lelijk is geen argument, een tentoonstelling die door Nederland reist op initiatief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De initiatiefnemers van De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad, Bas Liesker en Jurgen van der Ploeg, zijn dit project gestart omdat ze zagen dat bij de aanpak van naoorlogse wijken vaak het kind met het badwater wordt weggegooid. Veel wijken hebben immers toch de nodige kwaliteiten. Het is zonde om daar zomaar met een bulldozer, een pot vrolijke muurverf en een schoffel aan de slag te gaan.

Voor de lezer wordt niet duidelijk welke kwaliteiten de initiatiefnemers bedoelen. En zo zijn er nog wel meer vragen te stellen bij dit boek, zoals: wat bedoelen de auteurs eigenlijk met een tuinstad, en voldoen naoorlogse wijken wel aan die definiëring? Wat weten de onderzoekers over de historische achtergronden van die wijken? Is er meer onderzoek gedaan dan het werkbezoek dat wordt genoemd? “Architectuur en stedenbouw sloten naadloos op elkaar aan”, staat te lezen over naoorlogse woonwijken in het algemeen, “en de openbare ruimte kreeg een prominente rol in het ontwerp. In korte tijd werden aantrekkelijke wijken gebouwd met een ruime opzet en veel groen.” Dat lijkt mij kort door de bocht: de klacht was juist dat de wijken goedkoop en snel gebouwd moesten worden, dus hoe kunnen ze dan allemaal ruim en groen zijn? Wat dit onderzoek lijkt te missen, is een degelijke grondslag. Zo grondig Korthals Altes zijn onderzoek aanpakte, vanaf de basis van Ebenezer Howard, zo wankel is het fundament van De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad.

De tuinstad is in beide boeken vooral een term die een lommerrijk ideaalbeeld oproept bij de lezer, een term die samenvat hoe een groot deel van de Nederlandse gezinnen wil wonen. Met die associatie in het hoofd schreef de ene auteur een verantwoord en aangenaam droomboek en maakten de anderen een gedreven, energiek werkdocument dat de architect als onderzoeker en bedenker van geniale oplossingen op een lekker stevig voetstuk plaatst.

 

• Renée Schoonbeek, Bas Liesker en Jurgen van der Ploeg (red.), De Tuinstad is dood, Leve de Tuinstad! Herstructurering als culturele ontwerpopgave verscheen in 2005 bij NAi uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33; www.naipublishers.nl). ISBN 90-5662-451-2.

• Harm Jan Korthals Altes, Tuinsteden tussen utopie en realiteit verscheen in 2004 bij Uitgeverij Thoth, Nieuwe ’s-Gravelandse weg 3, 1405 HH Bussum (035/694.41.44; www.thoth.nl). ISBN 90-6868-356-X.