Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 115 mei-juni 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jo Coenen - van stadsontwerp tot architectonisch detail

Het fenomeen Rijksbouwmeester staat momenteel hevig in de belangstelling, zowel in Nederland als in Vlaanderen. In oktober 2004 trad Jo Coenen af als Nederlands Rijksbouwmeester. Hij werd opgevolgd door Mels Crouwel. Ook in Vlaanderen vond onlangs een wisseling van de wacht plaats. In juni 2005 krijgt Vlaanderen een nieuwe Bouwmeester in de persoon van Marcel Smets, vooral bekend van zijn masterplan voor de stationsomgeving in Leuven. Zo dicht bij elkaar als Nederland en Vlaanderen liggen, zo verschillend is echter de architectuur en de ruimtelijke ordening. In Nederland worstelt men met de gevolgen van een (te snel) terugtredende overheid, waardoor een machtsvacuüm dreigt te ontstaan, waarbij veel kennis verloren gaat. De behoefte aan een centraal en onafhankelijk aanspreekpunt, zoals de Rijksbouwmeester, is in Nederland groot, ondanks of juist dankzij de terugtredende overheid. De Rijksbouwmeester is in Nederland de belangrijkste adviseur van het Rijk op het terrein van architectuur en ruimtelijke kwaliteit. Hij adviseert de Rijksgebouwendienst, de regering en het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. In Vlaanderen krijgt de overheid juist meer en meer greep op de ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij speelt de Vlaamse Bouwmeester een cruciale rol. Hij is vaak de directe gesprekspartner van lokale bestuurders inzake bijvoorbeeld architectenselecties, en de spil in een netwerk van informele ontmoetingen en collegiale adviezen. (Zie onder andere de conclusies van de uitwisselingsbijeenkomst PANORAMA NL <> VL tussen Nederlandse en Vlaamse deskundigen in november 2004, georganiseerd door de Nederlandse stichting Architectuur Lokaal.)

Of de voormalige Vlaamse Bouwmeester bOb Van Reeth voornemens is een boek uit te brengen over zijn ambtsperiode is mij onbekend, maar Coenen presenteerde eind 2004 een omvangrijk boekwerk. Jo Coenen, van stadsontwerp tot architectonisch detail moet verduidelijken hoe Coenen zijn pleidooi voor “meer historisch besef, meer diepgang, meer gevoel voor continuïteit” heeft vormgegeven, als architect en als Rijksbouwmeester. “Het architectonisch ontwerpen van stukken stad, van stadsensembles, van grote delen stedelijke omgeving, ervaar ik bij uitstek als mijn vak”, laat Coenen optekenen. Dat sluit in principe prachtig aan bij zijn taakopvatting als Rijksbouwmeester, waarin hij het architectonisch ontwerp op allerlei niveaus weer een belangrijke rol gaf – een rol die in de loop der jaren in de verdrukking was geraakt. Veelzeggend was een van zijn eerste beleidsdaden als Rijksbouwmeester: het omdopen van het Bureau Rijksbouwmeester tot het Atelier Rijksbouwmeester, en het verhuizen van dit Atelier uit het grote ministeriegebouw naar een kleinere en meer toegankelijke locatie. Die actie illustreert dat Coenen de grote en kleine bouwopgaven niet zozeer vanuit het beleid wil benaderen, maar vanuit het ontwerp. In de onlangs verschenen publicatie gaat het echter vooral over de architect Jo Coenen. Ontstaansgeschiedenis, toelichting op het ontwerp, plattegronden, doorsneden en foto’s: allemaal goed verzorgd. Toch is het meest interessante onderdeel het hoofdstuk dat gaat over zijn periode als Rijksbouwmeester. De verwondering van de ontwerper in een door tekst geregeerd universum: “Allereerst verbaasde ik me dat ik zoveel teksten moest doornemen, en dat dat normaal is op ministeries. Terwijl aan het plannen maken, en aan het onderzoek dat daarvoor noodzakelijk is, juist veel minder tijd wordt besteed dan nodig is.” De ontdekking dat zelfs de Rijksgebouwendienst in wezen geen ontwerpende organisatie is: “Ik ontdekte dat er van de 900 personeelsleden bij de Rijksgebouwendienst landelijk gezien maar 33 architect waren.” Het ombouwen van een ambtelijke afdeling naar een ontwerpbureau: “Het overzicht ontbrak […] Dus ik heb eerst een nieuwe structuur gemaakt, waardoor ik alles te weten kwam wat er passeerde. Welk [Rijks]project, wie is de projectleider, wie is de begeleider, wie is de architect. In welk stadium bevindt het project zich. Precies zoals ik het in mijn eigen bureau gewend was.” Vervolgens breidde hij zijn team uit, niet met ambtenaren, maar met ontwerpers en hij zocht samenwerking met allerlei organisaties, personen en instanties, op allerlei niveaus. “We gaan overal ontwerpateliers maken, met stedenbouwers, landschapsarchitecten, allemaal mensen met een ontwerpdiscipline.” En dan het gewenste resultaat: “Al vlug waren die [gesprekken] er door het hele land, ook bij de provinciale overheden, ook in de steden. Alles komt nu in onderling verband te staan, als een gigantisch uurwerk.” Een uurwerk dat nog lang zo zal functioneren, als het aan Coenen ligt: “Wat ik doe, is een noodzakelijke organisatie van het bureau tot stand brengen. Een ander kan daar een andere kleur aan geven, maar het land heeft behoefte aan dit bureau. Een bureau dat, als het aan mij ligt, ook weer zelf meer gebouwen gaat ontwerpen.” Spannende kost, en daarom is het erg jammer dat het boek niet dieper ingaat op de gevolgen van deze koerswijziging voor de Rijksontwerpen die nu in ontwikkeling zijn.

 

• Hilde de Haan, Jo Coenen, van stadsontwerp tot architectonisch detail, verscheen in 2004 bij NAi uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33; www.naipublishers.nl). ISBN 90-5662-371-0.