Jouke Kleerebezem

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Eigenaar, bewoner, huisbezorger

Ist der Mensch frei, weil er flüchten kann?

Vilém Flusser [1]

 

“Onverklaarbaar bewoond” grapten we als kinderen onder elkaar, als we zo’n donkerblauw geëmailleerd bordje met witte kapitalen “ONBEWOONBAAR VERKLAARDE WONING” tegenkwamen op een gammel pandje. Onverklaarbaar bewoond echode de werktitel van onderstaande overweging, tot het besef daagde dat ieder onbewoond huis ten dode is opgeschreven, omdat het juist dat verloren had wat het tot een uniek object maakt: bewoning als de beslissende voorwaarde waaronder het huis gerealiseerd en bezorgd wordt. De enige die een behuizing met recht onbewoonbaar kan verklaren is de bewoner zelf. Tot dat moment is hij veroordeeld om het in stand te houden. Waarvan akte. Geheel onverklaarbaar blijkt bewoning toch niet. Het valt te leren.

 

*

 

Een huis in eigendom is het ultieme duurzame bezit. Verwerving en behoud ervan zijn iedere investering waard. Wie zich niet de uiterste inspanning getroostte en zijn laatste cent uitgaf om een huis in bezit te krijgen, het ‘als een goed huisvader’ te onderhouden en er na zoveel mogelijk vruchtbare jaren verrijkt afstand van te doen, bij voorkeur bij overlijden, heeft niet waarlijk geleefd.

“Décédé au Moulin du Merle” staat op het kerkhof van Saint Germain des Bois gebeiteld in de grafsteen van Charles Davous, geboren op 1 januari 1814. We kunnen ervan uitgaan dat die geboorte ook in dit huis plaatsvond. Hij is namelijk de laatste eigenaar uit een familie die het gedurende bijna twee eeuwen in bezit had. Onder zijn beheer is halverwege de 19de eeuw de grote verbouwing uitgevoerd. Charles Davous geeft rond zijn veertigste levensjaar opdracht om een traditioneel gebouwd, bewoond en bedrijfsmatig geëxploiteerd object tot een even comfortabele als nutteloze villa te verbouwen. Een groteske stijlbreuk tovert een eenvoudige boerenopstal om tot een voor de streek volstrekt atypische behuizing met veranda’s, overdekte balkonnen, een veelheid aan met eenvoudige ornamenten getooide daken en afdakjes. Ook het interieur weerspiegelt een ander idee van het huis. In de nieuwe indeling worden kamers langs de zuidelijke gevel aan elkaar geregen: eetkamer, salon, kleine salon en bureau bieden in die volgorde toegang tot elkaar. Op de etage wordt voor de slaapkamers hetzelfde principe gevolgd. Zo’n indeling en galerie stelt een genietend schrijden, met uitzicht op de tuin, boven de economische tred tussen de functionele ruimtes van de oorspronkelijke molen. Het molenmechanisme wordt, na minstens 150 jaar dienst te hebben gedaan om een maalsteen aan te drijven, omgebouwd voor de opwekking van elektriciteit. Zolang het rad draait, brandt het licht in alle kamers. Om het te doven dient een schut gesloten te worden. In de grote slaapkamer boven de eetkamer bevindt zich hiertoe nog steeds een handwiel. De begane grond bevat naast de elektriciteitscentrale ook de andere utilitaire ruimtes – opslag, overdekte open galeries voor het drogen van de was, een grote keuken. De zolder herbergt het personeel. De twee woonetages liggen ertussen. In korte tijd ontstaat op de fundamenten van een van de talloze eenvoudige graanmolens in de streek een huis dat in de volksmond enigzins eufemistisch “le château” zal gaan heten. Er breekt voor de Moulin du Merle een nieuwe tijd aan. De familie Davous zal het binnen enkele decennia echter verlaten.

Ik lees een en ander in een e-mail van de achterkleinzoon van Charles Davous, geschreven in een spontane reactie op het internetdomein dat ik aan het huis toevoegde. Hij kwam er via een zoekmachine terecht. Als blijk van waardering voor de ‘liefdevolle aandacht’ die het huis van ons ontvangt stuurt de dan 77-jarige Pierre Davous me in september 2002 zijn stamboom. Zelf heeft hij de Moulin du Merle maar één keer gezien, in 1955. Hij kent la belle demeure voornamelijk uit de enthousiaste geschiedenissen van zijn vader en grootvader. Te overlijden in de Moulin du Merle blijkt niet zijn lotsbestemming. Hij beschikt ook over weinig andere informatie dan wat zijn afstamming laat zien. Het merendeel van zijn voorouders was molenaar, sommigen werden burgemeester. Ze vonden hun gades in de omliggende dorpen. Ze stichtten gezinnen en woonden in ons huis zoals wij nu in hun huis wonen.

Een huis dankt zijn duurzaamheid aan opeenvolgende generaties eigenaar-bewoners. De enige garantie voor het behoud van het uitzonderlijke object dat ieder huis is, ligt in zijn bewoning. Een huis moet zonder mankeren in stand worden gehouden, gekoesterd, geschraagd. De lucht moet er bewegen, de ramen en deuren geopend, er moet schoongemaakt, ingericht, gerangschikt, voortdurend hersteld en incidenteel verfraaid, soms uitgebreid worden. Er moet muziek klinken, mensen moeten er elkaar ontmoeten, er moet gekookt, gegeten en gedronken worden, groenten en fruit schoongemaakt en ingemaakt, en bloemen in de vaas gezet. Er moet huisraad in geplaatst worden, meubels, stoffering, gebruiksartikelen. De boekenverzameling moet in een bibliotheek worden ondergebracht. De schoorsteen zal roken. Men moet er zijn hart luchten en de liefde bedrijven. Aan een huis moet gewerkt worden. Onder moeilijke omstandigheden moet het dag en nacht beschermd worden. Leegstand is achteruitgang, fysiek verval. Een leegstaand huis raakt overwoekerd. Het wordt gretig in bezit genomen door een buitenwereld die er gedurende de bewoning uitsluitend op uitnodiging welkom was. Een onbewoond huis verdwijnt snel in het verleden – in de meeste gevallen als een niet meer te achterhalen verhaal, verdwenen met de laatste bewoner.

We kunnen rustig stellen dat het huis zijn bewoner(s) is, zoals “de stad zijn stedelingen is”. [2] Aan dat feit alleen dankt het zijn duurzame betekenissen. Het vernieuwt zich met de komst van elke nieuwe eigenaar/bewoner – indien deze zich tenminste rekenschap geeft van de bijzondere voorwaarden waaronder huizen ‘leren’. Het bewonen van een huis vraagt in de eerste plaats echter om onze leergierigheid en is daarmee geen geringe opgave. Ik houd graag in het midden of iemand, om een huis te bewonen in de zin waarin ik erover spreek, er ook daadwerkelijk de eigenaar van moet zijn. Ik stel me eigendom niet als louter economisch begrip voor. Maar de gehechtheid die ik de afgelopen zes jaar aan het huis heb ervaren is onvoorwaardelijk met het eigendom ervan verbonden. Daar staat weer tegenover dat eerdere huizen ook in eigendom waren, het laatste zelfs gedeeltelijk naar eigen ontwerp, zonder dat er zich evenwel een bijzonder idee over of gevoel met ‘het huis’ ontwikkelde. Eigendom alleen betekent nog geen onvoorwaardelijke betrokkenheid. Bewoning komt met de bewoner. Die bewoner moet door het huis worden gewekt. Elk serieus huis verlangt vroeg of laat vol overgave bewoond te worden. Eerdere adressen waarop een koopakte op mijn naam rustte waren blijkbaar niet zulke huizen. Ze boden opslag en doorgang en waren een alleszins nuttige investering.

 

De vlucht naar huis

We bevinden ons aan de Beuvron, in de Franse Nièvre, departement 58 – bekend als “la belle Nivernaise”, de westelijke Bourgogne, 220 kilometer ten zuiden van Parijs. De bevolkingsdichtheid bedraagt er 9 inwoners per vierkante kilometer. De Beuvron is een van de talloze stroompjes die het glooiende rurale landschap in de zomer groen houden en ‘s winters overspoelen. Dertig jaar geleden kwam hier nog wilde forel voor. Tegenwoordig wordt er eens per jaar gekweekte forel uitgezet. De rivierkreeft die we achter het huis opvissen is de in het begin van de 20ste eeuw geïmporteerde en inmiddels als schadelijk bekendstaande vraatzuchtige ‘écrevisse américaine’ (Orconectes limosus), die in heel Europa oorspronkelijke soorten verdrong. Er zijn echter ook plekken waar hij onder invloed van vervuiling weer verdween. Hier gelukkig niet. Hij is eetbaar. Waar tussen de gehuchten Ouagne en Thurigny het dal enigszins versmalt, ligt de Moulin du Merle, aan een aftakking van het riviertje: de molengang met haar schutten om de watertoevoer op een rad te reguleren. Zeker sinds 1697, het jaartal dat in het oudste gedeelte van de oorspronkelijke molen in een sluitsteen staat gebeiteld, stond hier een watermolen die de naam van huis en plek vestigde. De vernoemde “merle” is niet de huismerel, de Turdus merula die aan het begin van de 20ste eeuw uit de bossen naar de woonomgeving emigreerde, maar de Cinclus cinclus, de ‘merle d’eau’ of waterspreeuw, die al eeuwenlang langs de Beuvron broedt. Het rad dat sinds november 2002 af en toe weer draait is een reconstructie van de hand van Kees van Citters sr. die er slechts het hout van een omgewaaide populier en een doos verroeste spijkers van de déchetterie voor nodig had. Bewoonbare huizen trekken bijzondere aandacht en vaardigheden.

Soldaten van Napoleon III lossen in 1851 enkele schoten op het terrein om de republikein Davous, die op dat moment zijn verbouwing voorbereidt, schrik aan te jagen; Alfonso XIII van Spanje wordt voor zijn exil in 1936 ontraden om het te kopen omdat het niet ommuurd is; de voorvorige eigenaar verliest er een dochter en laat het huis onmiddellijk achter in de handen van het beheerdersechtpaar Paris, dat met vier zonen de zolder en begane grond voor zich alleen heeft; chansonnier Serge Gainsbourg is geïnteresseerd maar te zeer uit het lood geslagen om tot zaken te komen. In 1976 redt de vorige eigenaar het van een zeker verval. 22 jaar later staat het in het Nederlandstalige tijdschrift Maison en France te koop. Aannemer-eigenaar Jean-Bernard Follope kan het wegens een arbeidsongeval inmiddels niet meer zelfstandig onderhouden. Hij verkoopt het zeer tot zijn verdriet, maar slaat een hoger bod af om het ons te gunnen. Volkomen onvoorbereid en zonder enige intentie in deze richting nemen we in drie dagen een besluit. De advertentie was ons op 12 juli 1998 in de leesportefeuille van Café Danzig in Amsterdam toevallig onder ogen gekomen. Op 30 maart 1999 brengen we er onze eerste nacht door. We hebben het inmiddels al ruim een half jaar in eigendom. Ik slaap licht in de enige slaapkamer waarvan we het ameublement overnamen, aan de voorkant van het huis. Het geluid van het riviertje aan de achterzijde hoor ik er zes jaar later nauwelijks meer, maar hield ik in die nacht meerdere malen voor het geronk van de verhuiswagen die in de vroege morgen de huisraad uit Amsterdam zou aanvoeren. Het water stond luidruchtig hoog. We wisten niets van het huis of van de plek. We vonden het volmaakt leeg en schoon, geveegd en aangeharkt achtergelaten. Het ademde geschiedenissen en had ons voor de voortzetting daarvan bestemd.

In het fascinerende How Buildings Learn verhaalt Stewart Brand over de manier waarop huizen en andere gebouwen onder opeenvolgende eigenaren veranderen. [3] In dat proces spelen drie factoren een rol: de geschiedenis van het huis, waarvan vorm, maat en indeling rond een oorspronkelijk gebruik zijn ontworpen en uitgevoerd; de voortzetting van dit of soortgelijk gebruik door een nieuwe eigenaar; en de aanpassing aan nieuwe gebruikswijzen. De voorbeelden in het boek tonen de vaak complexe maar altijd leesbare groei van “het enige door de mens gemaakte object dat zich in de loop der tijd verbetert, indien het tenminste de gelegenheid wordt geboden”, aldus de auteur. Stewart Brand is een internetpionier, medeoprichter van de WELL, en van de Long Now Foundation, de hoeders van de Clock Of The Long Now, een door computerdeskundige Danny Hillis ontworpen klok die eenmaal per jaar tikt en eenmaal per 100 jaar slaat. [4] Uit Brands en Hillis’ curricula mag blijken dat een fascinatie met tijd en duurzaamheid evenveel aandacht voor versnelling als voor vertraging met zich meebrengt. Als door weinig andere objecten kunnen tijd en duurzaamheid, het tijdsverloop dat tussen constructie en verval wordt opgespannen, door een bewoond, onderhouden huis worden voorgesteld.

Huis en bewoner oefenen elkaar in bewoning. De kennisverwerving voltrekt zich schoksgewijs. Bewoner en huis kunnen elkaar te snel af zijn, maar ook tot stilstand brengen. Bij het betrekken van een huis kan een ontzettende dadendrang ontstaan. Er moet verbouwd worden. De eerste vijf jaar wonen we in de Moulin du Merle echter als in een hotel. De meubels passen er gemakkelijk in. Ze vallen wonderwel op hun plaats. We breken na grote aarzeling op de begane grond één scheidingswandje uit. Het voelt als een brutale stap, maar levert de ruimte op die we ons hadden voorgesteld. Het huis werd een beetje verbeterd. We kijken jarenlang tegen behang aan dat niet onze keuze is, of zou zijn. We houden de tuin zoveel mogelijk intact. Wat opkomt is er niet door ons ingezet. De enige toevoeging is een zich snel uitbreidende moestuin, op de plek waar er ooit een gelegen was, die door de vorige eigenaar werd opgeheven – net als de formele Franse tuin voor het huis die we alleen van een luchtfoto kennen, en waarvan de reconstructie ons niet aantrekt. Behoud komt voor verandering of reconstructie. De tijd verloopt weer langzaam.

Sommige routines moeten echter snel worden aangeleerd. Het dagelijks onderhoud aan huis en tuin duldt geen moment uitstel. Je wordt gemakkelijk op achterstand gezet. Met name het terrein van 1,76 hectare dwingt keer op keer tot voortvarendheid. Hier rukt de buitenwereld het hardst op. Het huis moet voortdurend opnieuw uit het terrein geknipt en gespit worden. Tot de voorzieningen die verder onze bijzondere aandacht vragen, behoren het drinkwater dat uit eigen bron wordt opgepompt en gefilterd, en de daarmee vergeleken zeer eenvoudige sanitaire afvoer op een traditionele beerput. Het huis heeft een bijzondere stofwisseling.

In de definitieve versie van het koopcontract is tot onze verrassing een ongebruikelijke clausule opgenomen, waarin de verkoper ons verzekert te allen tijde een beroep op hem te kunnen doen. We zullen zeker in het begin zijn kennis en ervaring inroepen om opnieuw te leren wonen. Maar Jean-Bernard Follope moet zich ook realiseren dat de Moulin onder ons beheer een nieuw leven begint. Hij legt steeds minder vaak de tien kilometer af die zijn huidige woning van het oude huis scheidt. De Moulin du Merle wordt aan een nieuwe eigenaar overgelaten.

 

Huizen bezorgen

In zijn opstel Haüser bauen uit 1989 stelt Vilém Flusser: “Het hele huis werd een ruïne, waar de wind van de communicatie door de scheuren blaast.” [5] De ontsluiting van huizen op de riolering, het elektriciteitsnet, of het plaatsen van televisieantennes zou ze dusdanig verzwakken en afhankelijk maken van een buitenwereld, dat er niets van de originele beschermende functie overblijft. Net zo min zou zo’n ‘doorboord’ huis nog als filter op de informatie uit die buitenwereld kunnen dienen. Flusser speculeert op een ander ontwerp voor het huis als ‘knooppunt in een netwerk’ – in een tijd dat het internet nog geen consumententechnologie is. Hij houdt ons voor dat de voorstelling van het huis als ‘thuis’, als veilige enclave in een zinvolle relatie tot, maar vooral ter bescherming tegen de buitenwereld, niet meer te handhaven is.

Inmiddels zouden we in zijn overwegingen een argument kunnen lezen om elders dan in het huis een ‘thuis’ te construeren. Nu de netwerken pas echt tot volle ontwikkeling komen, leren we enerzijds dat een thuis weinig huisafhankelijk is, anderzijds dat het huis vele andere vormen van bewoning kan dienen dan deze die erop gericht zijn een thuis te construeren, van waaruit de buitenwereld begrepen, en dus op afstand gehouden wordt. Bovendien vindt er al enige tijd een correctie plaats op de mediahype van de laatste tien jaar. We zien nieuwe media terugkeren naar oude plekken om geografisch precieze locaties te bezingen en te bezorgen. [6] We voelen ons anderzijds goed thuis in de uitgebreide sociale netwerken die we met behulp van intensief gebruikte communicatiemiddelen ondersteunen. Zulke netwerken bieden onderdak aan nieuwe gebruiken, waarin een thuis wordt geconstitueerd. Zoals John Berger opmerkt: “…home is represented, not by a house, but by a practice, or by a set of practices. Everyone has his own. These practices, chosen and not imposed, offer in their repetition, transient as they may be in themselves, more permanence, more shelter than any lodging. Home is no longer a dwelling but the untold story of a life being lived.” [7] Zoals we een thuis kunnen situeren in het ‘verhaal van een geleefd leven’, zo kunnen we ook het huis in een nieuwe bemiddeling beleven en bezorgen.

Ook Berger construeert het huis vooral in duurzaamheid, als hij het over permanence heeft. De duurzaamheid van het huis is van een andere orde dan die van de bewoner. Het huis overleeft zijn eigenaren. Het verwerft meer kennis, het leert meerdere gebruiken kennen dan de individuele bewoner die gebonden is aan de begrensde reikwijdte van zijn eigen set of practices. Voorzover diens herhaalde handelingen zich voltrekken in en aan het huis, spreek ik van bewoning, als de unieke mogelijkheid waarin Brands ‘door de mens gemaakte object dat zich verbetert’ inderdaad een nieuwe gestalte aanneemt.

Mijn eerste toevoeging aan ons huis, dat evengoed in de geschiedenis als in het landschap verankerd is, werd zoals gezegd het internetdomein lemoulindumerle.com. Een eigen internetdomein voegt letterlijk een dimensie toe aan een object. Zoals Charles Davous rond 1850 de oorspronkelijke boerenbehuizing elektrificeerde en in een nieuwe culturele en economische dimensie bracht, zo zal het huis als server nieuwe producten en ideeën genereren. Het domein is daarbij een concrete uitbreiding van het onroerend goed en kan met huis, bijgebouwen en grond van eigenaar veranderen. Het is een integraal onderdeel van het bezit. Met huis en land deelt het een andere, existentiële eigenschap. Het moet bewoond worden. Het internetdomein en de website moeten ‘gekoesterd en geschraagd’ worden in dagelijkse aandacht. Huis en land zijn de afgelopen jaren te gast geweest op andere sites dan die van het eigen domein. De sporen van die gastverblijven, vooral die in Notes Quotes Provocations and Other Fair Use, moeten verzameld, geredigeerd en verhuisd worden. [8] Een huishoudelijk dagboek, dat inmiddels op een voorlopig besloten locatie wordt voortgezet, zal bij gelegenheid ook publiek gemaakt worden op het eigen domein van de Moulin du Merle.

Juist een huis dat op elk niveau (het natuurlijke, culturele, sociale, politieke) en met alle mogelijke middelen op zijn directe en wijdere omgeving is aangesloten, leert ons dat bewoning deel uitmaakt van een samenstel aan voorwaarden, die (eventueel) het ontstaan van een thuis mogelijk maken. Het bewoonde huis dat wordt gedeeld, dat geïnformeerd wordt en informatie verschaft, leert sneller en beter dan het huis waar de rolluiken gesloten zijn en van waaruit geen signaal wordt opgevangen. Een huis als bunker zou wel de laatste thuishaven zijn. Iedere bunker draagt immers het ontwerp van de eigen vernietiging in zich, zoals Paul Virilio aanvoert. [9] De grootste kwetsbaarheid van het bunkermodel is precies de geslotenheid, waarbij de mogelijke aandacht voor wat er zich buiten afspeelt ingesloten blijft, terwijl die van de buitenwereld op een dikke huid afketst. De bunker houdt processen gescheiden en daarmee verandering tegen. Het oprukken van rolluiken en andere beveiligingen in de burgerlijke woonomgeving mag als veeg teken gelden. Hier wordt niet meer gewoond en geleerd, maar afgestompt en gevreesd. Verandering is de essentiële voorwaarde voor het ontstaan van informatie. Het vormt de basis van elk leerproces. Het huis als bunker is nooit een thuis geweest. Flussers doorboorde huis is het bewoonbare huis dat we willen bezorgen.

Het huis is net zo duurzaam als de aandacht die de bewoner ervoor opbrengt. Het heeft niet meer als enig doel een thuis te vormen. De rond het huis geconcentreerde aandacht loopt via de vele verbanden waarin het, ook buiten zijn locatie en materiële eigenschappen om, is verwikkeld. Een huis leent zich nog steeds in de eerste plaats om huis te houden: het ten volste te bewonen. Nieuwe activiteiten die in het huishouden ontstaan, nieuwe ruimtes die gecreëerd worden, of waarop bestaande ruimtes worden aangesloten, vinden altijd een plek die essentieel aan de bewoonbaarheid bijdraagt – ook als het inpassen niet vanzelfsprekend lijkt en er eerst lang moet worden gezocht. Een thuis ontstaat in de bijzondere combinatie van persoonlijke voorkeuren. Het bewonen van een huis vervult daar slechts een deel van. De vlucht naar huis is een keuze die concurreert met andere manieren om de aandacht te richten. In de aandacht voor een huis wonen vele vormen van aandacht. In de Moulin du Merle herrijst voor mij het ‘onherstelbaar verhalende’, de voorwaarde waaronder we leven en werk wederzijds relevant proberen te maken. [10] Met de titel van die tentoonstelling duidde ik op de gespannen relatie tussen de verhalen – de teksten en beelden die op een bepaald niveau altijd ongerijmd zijn, of alleen in zichzelf rijmen – en de beleving waaruit ze ontstaan en die ze oproepen. De scheiding tussen een symbolische orde en het leven waarin deze zijn betekenis heeft is poreus: net zo doorboord als Flussers woning.

De overvloed aan materie die huis en land me biedt, is me na tien jaar netwerkcultuur zeer welkom. Ik lees deze op een wezenlijk andere manier dan voor 1993. De voorzichtige informatisering van het afgelopen decennium – die vele weekhartigen al te veel, te snel, te brutaal is, maar de deur naar de echte datarevolutie pas op een kier zet – opent wegen naar nieuwe vormen van bewoning, als sociaal-cultureel en communicatief proces, waarin we onze gehechtheid aan het duurzame behuisde leven opnieuw zullen leren beleven en uitdrukken. In de samenhang tussen de compromisloze materialiteit van onze directe fysieke sensaties, de mythische omvang van de informatienetwerken en de mobiliteit van het dataverkeer vinden we nieuwe voorwaarden voor ons onverklaarbare bestaan.

 

Noten

[1]       Vilém Flusser, Für eine Philosophie der Emigration – Von der Freiheit des Migranten, Köln, Bollmann Verlag, 1994, p. 33.

[2]       Naar Jane Jacobs, auteur van onder andere Life and Death of American Cities (1958), Cities and the Wealth of Nations (1978), The Death and Life of Great American Cities (1992), Dark Age Ahead (2004).

[3]       Stewart Brand, How Buildings Learn, New York, Viking, Penguin, 1994.

[4]       Voor meer informatie over Stewart Brand, WELL en de Long Now Foundation, zie www.well.com/user/sbb/.

[5]       Flusser, op. cit. (noot 1); daarvoor ook al geciteerd in Remember Home?, geschreven voor de website van Doors of Perception 2, ‘Home’, 1994. Gearchiveerd onder www.nqpaofu.com/nqp/ciw_nqp6.html#rememberhome

[6]          Bijvoorbeeld fusedspace database, tentoonstelling (28 augustus – 12 oktober 2005) en symposium (28 september 2005), Stroom, Den Haag, www.fusedspace.org.

[7]       John Berger, And Our Faces, My Heart, Brief as Photos, New York, Vintage Books, 1984, p. 64.

[8]       vanaf NQPaOFU 10, www.nqpaofu.com/nqp/ciw_nqp10.html, 1999.

[9]          Paul Virilio, Un Paysage d’événements, Paris, Galilée, 1996, p. 109 e.v.

[10]     Tentoonstelling Het onherstelbaar verhalende / The Irremediable Narrative, Van Abbemuseum, Eindhoven, 16 december 1989 – 4 februari 1990.

 

Zie ook, aansluitend bij deze tekst en voor informatie over (werk)verblijven: http://www.lemoulindumerle.com/huisbezorger