Irene Cieraad

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ons huis is een gatenkaas

Ons huis is een gatenkaas. Dit moet een beangstigende gedachte zijn voor al wie zijn huis liever ziet als een fort dat beschermt tegen invloeden van buitenaf. Met hun gesloten rolluiken en stevige voordeuren lijken vooral veel Belgische huizen op onneembare vestingen. Geen voortuintje dat mensen als een welkomstmat over de drempel lokt. Ook de gladde hardheid van de gevelbekleding oogt meer als een bepantsering dan als een ademende huid.

Dergelijke gesloten huizen geven de indruk van een naar binnen gekeerde wereld, waar het daglicht maar mondjesmaat wordt toegelaten. Ook de geluiden schijnen niet door te dringen. Het suggereert een verstild en zelfs autarkisch bestaan dat geheel op zelfvoorziening gericht is. Toch zal dat niet de beleving van de bewoners zijn, maar hooguit een illusie die ze vaak in stand houden tegen beter weten in. Zo zullen de meeste bewoners van deze gesloten huizen niet hun eigen groente kweken, maar gewoon naar de supermarkt gaan om hun leeftocht te halen. Ze zullen ook niet hun eigen elektriciteit opwekken, maar als ieder ander van het landelijke elektriciteitsnet gebruikmaken. Mogelijk hebben ze wel een septische put in hun tuin, maar binnen agglomeraties zullen ze op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten. Verder zijn ze ook aangesloten op het landelijke telefoon- en glasvezelkabelnet dat het radio- en televisiesignaal in huis brengt en de internetverbindingen voor de computer mogelijk maakt.

Eigenlijk is het een algemeen idee geworden dat ons huis een fort is. Pas wanneer er vloeren, wanden en straten opgebroken worden, om leidingen te repareren of aan te leggen, denken we eraan dat dit huis ondergraven is met buizen, kabels en leidingen die dwars door onze buitenmuur naar nog grotere buizen en dikkere kabels onder de straat leiden. En als de buren problemen met de riolering hebben, dan weten we dat ook wij ze krijgen. Bij stroomstoringen zijn zelfs hele stadswijken de klos. Alleen op zulke crisismomenten daagt het besef dat we dag en nacht in open verbinding met de buitenwereld staan en dat we voor ons huiselijk leven geheel afhankelijk zijn van publieke voorzieningen. Door de gaten van ons huis gaan leidingen, buizen en kabels die ook de buren, de straat en de hele stad bedienen en die als een groot onzichtbaar, onderaards wortelstelsel iedereen met iedereen verbinden.

 

Enter

Hoe zorgvuldig we de mythe van het gesloten en autarkische huis in stand houden, blijkt uit onze gedrevenheid om kabels, buizen en leidingen aan het oog te onttrekken. De moderne techniek helpt ons daarbij een handje, niet alleen met draadloze en mobiele telefoons en met laptops die op accu’s werken, maar ook met onzichtbare satellietverbindingen en zendmasten die voor een wereldwijde onzichtbare communicatie zorgen. Een kleine veertig jaar geleden was onze afhankelijkheid van nutsvoorzieningen heel evident en zichtbaar. Watertorens en gasfabrieken bepaalden het stadsgezicht en de elektriciteits- en telefoonkabels hingen open en bloot aan palen langs de kant van de weg. Met de toenemende onzichtbaarheid van nutsvoorzieningen is, vreemd genoeg, de angst voor de nog zichtbare manifestaties alleen maar toegenomen. Zo wordt de veiligheid van het wonen in de buurt van hoogspanningsmasten, windmolenparken, gasverdeelstations en zendmasten tegenwoordig ter discussie gesteld, terwijl de onzichtbare, grensoverschrijdende infrastructuur die onder de huizen doorloopt, geheel genegeerd wordt.

Het negeren van die infrastructuur gebeurt niet uit achteloosheid – dat bewijst onze angst wanneer we aan die onzichtbare infrastructuur herinnerd worden. De makers van horrorfilms spelen daar graag op in. Ze maken die angst bovenal zichtbaar. Denk aan de paniek die veroorzaakt wordt door monsters die zich razendsnel vermenigvuldigen in de stadsriolen en die van daaruit de woningen binnendringen om er dood en verderf te zaaien. Of de mysterieuze ziektekiemen in de waterleiding, of de spookachtige ontregelingen van de elektriciteitsvoorziening die onschuldige slachtoffers maken in de beslotenheid van het privédomein.

Terwijl de oudste nutsvoorzieningen een eenrichtingsverkeer regelden – een bevoorrading of ontlasting van de woning – veranderde dat met de communicatietechnologie. De telefoon is het vroegste voorbeeld van tweerichtingsverkeer. Het telefoonverkeer functioneert echter nog geheel volgens het oude principe van het huisbezoek, waarbij de beller zich aankondigt met een belsignaal en de ontvanger al dan niet opneemt. Dat verandert pas echt met internet. Met de gewenste communicatie liften tegenwoordig allerlei ongewenste contacten mee, en er kan zelfs ongemerkt informatie worden onttrokken als men on line is. Daar komt geen Hollywoodhorror aan te pas; er sneuvelt geen raam of voordeur, er wordt geen kraan opengedraaid en geen stekker in het stopcontact gestoken. Men hoeft alleen maar de knop van de computer in te drukken.

Ondanks de infiltratie van SPAM en virussen is het moderne woonideaal dat van het digitale hutje op de hei, waarbij men op een afgelegen plek kan wonen en toch met de hele wereld in contact kan staan. Het is de stuwende kracht achter de zoektocht van velen naar het isolement van een oude, afgelegen boerderij op het Franse platteland. Liefst een huis met dikke muren, waar men de illusie van onafhankelijkheid en autarkie hoog kan houden: “we kweken onze eigen groente, we maken zelf wijn en jam, en we bakken ons eigen brood.”

 

Woonillusies

Dergelijke mythen en illusies zijn geen persoonlijke eigenaardigheden, maar culturele verschijningsvormen – dat is mijn overtuiging als cultureel antropoloog. Zo is het contrast tussen het gesloten huis en zijn feitelijke doorlaatbaarheid voortgekomen uit rivaliserende, 19de-eeuwse utopieën over het wonen, kortweg de landelijke en de stedelijke utopie. De 19de-eeuwse industrialisatie dreef grote groepen werkzoekenden van het platteland naar de stad. Steden konden de toevloed amper aan en raakten verstopt. Opgepropt in donkere kelders, muffe kamertjes en vochtige zoldertjes zonder enig comfort werden deze paupers een gevaar voor de stedelijke volksgezondheid. Het uitbreken van de cholera-epidemie heeft vervolgens veel zaken in een stroomversnelling gebracht. Hygiënisten, artsen die zich het lot van de verpauperde bevolking aantrokken, hebben stadsbesturen aangezet tot de aanleg van waterleiding en afgesloten riolen.

In hun verlicht liberale of socialistische opvattingen over ‘het nut van het algemeen’ hebben zij de stedelijke utopie gestalte gegeven. Door de aanleg van collectieve voorzieningen waar de hele stadsbevolking van zou profiteren, zou ook het algemene beschavingsniveau op een hoger plan gebracht worden, was de gedachte. Het grote obstakel bij de uitvoering van collectieve voorzieningen waren de toentertijd nog onoverbrugbare standsverschillen. De 19de-eeuwse maatschappij was een ostentatieve standenmaatschappij, niet alleen in huisvesting en consumptiepatronen, maar ook in kledingcodes en aanspreekvormen. Arbeiders woonden bijvoorbeeld in arbeiderswijken, in arbeidershuizen met een arbeiderskeuken en een arbeidersinrichting. Mensen mochten niet boven, maar ook niet beneden hun stand leven. Men was zich aanvankelijk dan ook pijnlijk bewust van het standsoverschrijdend karakter van de eerste collectieve voorzieningen als waterleiding en riolering. Dat die voorzieningen vanwege bevriezingsgevaar onder de grond moesten worden weggestopt, heeft beslist tot hun acceptatie bijgedragen: zo werd de gegoede klasse in haar smetvrees tegemoetgekomen.

Ook de landelijke woonutopie ontstond naar aanleiding van de stedelijke congestie, maar was juist gebaseerd op een vluchtreactie van de gegoede klasse. Vanwege de vervuiling en de stijgende criminaliteit zocht zij haar heil buiten de stad en liet grote villa’s in de vrije natuur bouwen. Er werden eind 19de eeuw zelfs speciale villaparken in bos en duin aangelegd, waar de elite een veilig heenkomen vond. In tegenstelling tot de 18de eeuw, toen rijke patriciërs hun zomerhuizen buiten de stad lieten bouwen, waar ze hun gezin vooral in de zomer onderbrachten, waren de 19de-eeuwse villa’s permanente behuizingen en pendelden de heren dagelijks. Zij koesterden zich in het idee van het landelijke isolement en werden zo de voorhoede van de terug-naar-de-natuur-beweging die in de jaren ‘70 een veel bredere groep zou omvatten.

Deze elitaire voorhoede had weliswaar een hang naar het rustieke, maar geen behoefte aan een primitief bestaan. Onder een nostalgische rieten kap ging dan ook niet zelden de meest geavanceerde woontechniek schuil, die weliswaar kunstig verstopt en weggewerkt was om de rustieke landhuissfeer niet te verstoren. Dat betekende dat ze behalve eigen waterpompinstallaties ook eigen generatoren voor de opwekking van elektriciteit hadden. Het aangescherpte ideaal om ook wat de voedselproductie betreft zelfvoorzienend te zijn en zich voor het leven in harmonie met de natuur enige offers te getroosten, kreeg in Nederland pas in de 20ste eeuw breed gestalte. Een ideaal bleef het, want de werkelijkheid vereiste toch een auto om de afstand te overbruggen tussen wonen en werken.

Onze huidige woonidealen, illusies en angsten dragen de sporen van deze voorgeschiedenis, waarin de landelijke utopie het van de stedelijke utopie heeft gewonnen. Alle mooie initiatieven die er met name in het eerste kwart van de 20ste eeuw geweest zijn om ook het huishouden te collectiviseren, zoals het oprichten van wijkkeukens waar maaltijden afgehaald konden worden, of het inrichten van washuizen waar huisvrouwen met behulp van machines de gezinswas konden doen, zijn uiteindelijk stukgelopen op het chiquere ideaal van de individuele, onafhankelijke huishouding met een eigen machinepark. Zo willen jonge huishoudens in hun stadsappartementen een goed geoutilleerde keuken, terwijl zich tegenwoordig op zowat iedere straathoek in de stad een cateraar bevindt, waar men snel even een kant-en-klaarmaaltijd kan afhalen. Er worden grote bedragen besteed aan een professionele keukeninrichting, terwijl de bezitters, vaak hardwerkende tweeverdieners, door de week zelden thuis eten. Ook in deze aanschaf schuilt een illusie, namelijk die van de gedroomde thuisdineetjes met scharen vrienden en familie. Ze zullen wel eens plaatsvinden – die dineetjes – maar vaker dan een paar keer per jaar zal dat niet zijn. De keuken is het prominente symbool geworden van de gastvrijheid van de bezitters, het is het warme hart van het huis, waarin relaties letterlijk gevoed en gecultiveerd worden.

 

Water en vuur

In de ideeën over de relatie tussen binnen- en buitenwereld zijn in de loop van de 20ste eeuw interessante verschuivingen opgetreden. De verschuiving van het praktische, stedelijke ideaal van gedeelde voorzieningen naar het geprivilegieerde landelijke ideaal van de ‘stand-alone’ huishouding spoort met een waardeverschuiving van efficiëntie naar emotie. De keuken heeft hierin de hoofdrol gespeeld, als ruimtelijk onderdeel van het huis en als zenuwcentrum in de huishoudelijke organisatie. De bijrollen werden vervuld door het uitdijende arsenaal aan huishoudelijke apparaten. Aanvankelijk aangeschaft om de huisvrouw zo veel mogelijk tijd en energie te besparen, worden zij steeds inefficiënter ingezet om aan persoonlijke voorkeuren tegemoet te komen.

Het technisch regime van de efficiëntie, als het streven naar optimale doelmatigheid in de besteding van tijd, energie en middelen, is vanuit de industriële organisatie in de jaren ‘20 overgeplant naar de organisatie van het huishouden en met name naar het werk in de keuken. Dat kon ook alleen daar gebeuren, omdat de keuken toentertijd niet beschouwd werd als het hart van het huis – dat was namelijk de woonkamer. De hogere standen in de steden hadden al sinds de 18de eeuw een apart keukenvertrek onderin het huis, waar door dienstbodes gekookt en afgewassen werd, maar de lagere standen kookten op het vuur of (later) de kachel in hun enige woonvertrek. De vaat werd gedaan bij de pomp in het spoelhok, of bij de sloot buiten. Met de invoering van de woningwet in het begin van de 20ste eeuw werd verplicht gesteld dat iedere nieuw te bouwen woning een aparte kookkeuken kreeg. Het spoelhok werd ruimtelijk gepromoveerd tot keuken, maar bleef gevoelsmatig het semi-private bijgebouw van het huis, waar de buizen van de waterleiding, afvoer en gasvoorziening ook zichtbaar langs de vloer en de wand liepen.

Hoewel het stedelijk ideaal van de collectivisering van het huishouden het meest efficiënt was, is de efficiëntiegedachte in de jaren ‘20 en ‘30 vooral toegepast in de ruimtelijke organisatie van de privé-keuken. Dat betekende dat de keuken vooral klein en overzichtelijk moest zijn. De kombuis stond model voor de efficiënte keukeninrichting, waarbij de huisvrouw alles onder handbereik had en geen onnodige stappen hoefde te zetten. De keuken werd dan ook voorgesteld als de fabriek van het huishouden waarin de voedzame gezinsmaaltijd zo efficiënt mogelijk werd bereid, alsof het van de lopende band liep. Koken was het eenzame werk van de huisvrouw in de afzondering van haar keuken.

Achteraf lijkt het een bizarre gedachte, zeker als we zien dat de woonkamer met open keuken vooral in Nederland ingeburgerd is geraakt – het betreft een open ruimte waar kinderen en katten vrijelijk ronddollen tussen aanrecht en sofa. De huisvrouw van toen zou beslist een flauwte hebben gekregen bij de gedachte dat de stoffering van haar woonkamer in aanraking zou komen met kookluchtjes, en dat de afwas er zichtbaar of de keukengeluiden er hoorbaar zouden zijn. Niet dat de woonomgeving de keukenhygiëne zou aantasten, maar juist andersom: de onreinheid van de keukenbezigheden en vooral van het koken en afwassen zou de woonkamer als hart van het huis ontheiligen. Volgens de structuralistische interpretatie in de antropologie gaat de onreinheid van keukenhandelingen terug op de transformatiepraktijken die er plaatsvinden. De keuken is de plek waar het rauwe voedsel gekookt, het koude opgewarmd, en het vuile schoongemaakt wordt. Ruimtes waar dergelijke transformaties plaatsvinden, zijn in de meeste culturen onrein, maar tegelijk grenzen ze vaak aan de meest heilige ruimte – denk aan de wasruimtes naast moskeeën of synagogen. Het onreine veronderstelt het reine en andersom. Die afgescheiden nabijheid geldt nog steeds voor de huidige woonkamer met open keuken, want het is niet de bedoeling dat er aan de salontafel afgewassen wordt. Er is een zonering van de ruimte, vaak zichtbaar aan de overgang in de vloerbedekking. Aan tafel mag best gefonduud, gesteengrild of gegourmet worden, maar het afwasteiltje moet in de gootsteen blijven. De vuile vaat wordt het liefst gereinigd in een afgesloten vaatwasmachine in de keukenhoek. De combinatie van water en vuur, die vooral in de vormgeving en de inrichting van de efficiënte keuken gestalte heeft gekregen, ligt nog steeds moeilijk. Het vuur – ooit onderdeel van het woonvertrek – is met de open keuken opnieuw in de woonkamer opgenomen, maar de aanwezigheid van de waterleiding en van een afvoer, in het hart van het huis, wordt het liefst genegeerd en verstopt.

Het koken, de maaltijdbereiding en het gezamenlijk nuttigen van de maaltijd zijn tegenwoordig de belangrijkste huiselijke rituelen, waarin het gezinsleven en de vriendschapsbanden gecelebreerd worden. Dat verklaart ook waarom het technische regime van het efficiency-denken al sinds de jaren zeventig op de keuken is afgeketst. In materiaal- en vormgebruik zijn we sindsdien nostalgisch geworden. We houden het meest van een keuken die ouderwets lijkt, maar achter de ouderwets geprofileerde kastdeurtjes zitten wel hypermoderne koel- en vrieskasten verstopt. Uit esthetische overwegingen vervangen we een efficiënt en onderhoudsvrij aanrecht in roestvrij staal door een kwetsbare hardstenen uitvoering. Ook de huidige afzuigkappen lijken in hun proportie steeds meer op de ouderwetse schouwen. Een strakke roestvrijstalen uitvoering vinden we tegenwoordig vooral in het imitatierestaurantfornuis, maar wordt zelden voor een hele keukeninrichting gebruikt. Het visuele centrum is het fornuis, of het nu een glimmende Smeg of een klassieke Aga betreft. De oude industriële toekomstvisies op het huishouden, waarbij receptenautomaten, kookrobots of keukencomputers het koken moesten gaan overnemen, worden nu wat lacherig en met ongeloof bekeken.

Reinheidsideeën, zo leren we in de culturele antropologie, geven als geen andere aan welke mentale en cognitieve begrenzingen mensen hanteren. Met de transformatie van de keuken, tijdens de afgelopen dertig jaar, is de mentale kaart van het huis dus grondig hertekend. Althans op de begane grond. Op de bovenverdieping met de afzonderlijke slaapkamers lijkt er minder veranderd. Maar ook dat is schijn. De muur tussen ouder- en kinderslaapkamers staat nog stevig overeind, maar in het gedrag van de bewoners is de scheidslijn al vager. Kleine kinderen betreden de slaapkamer van hun ouders tegenwoordig zonder enige schroom. Ze zien het vaak als een grote gemeenschappelijke gezinsruimte waar ook het ouderlijk bed door de kinderen gedeeld mag worden. Sommige jonge ouders slapen zelfs met hun kinderen in een groot bed. Door de verminderde schroom wordt ook de scheidingswand tussen slaapkamer en aangrenzende badkamer steeds vaker doorbroken. Alleen de overgang in de vloerbedekking van bijvoorbeeld parket naar tegels geeft de zonering van de ruimte aan.

 

Communicerende vaten

Het vieren van de gezamenlijkheid in de gezinsmaaltijd en het benadrukken van het belang van aandacht en zorg voor elkaar en voor vrienden, hangt natuurlijk samen met de verzakelijking van menselijke verhoudingen in de buitenwereld. Grootschaligheid, anonimiteit en individualisering zijn vreemd genoeg hand in hand gegaan. De individualisering is ook het huiselijk domein binnengedrongen – daar hebben we bewust aan meegewerkt. Binnen- en buitenshuis zijn ook sociologisch gezien communicerende vaten. Zo is het vanzelfsprekend geworden dat kinderen hun eigen slaapkamer hebben en dat ze die nog maar zelden met een broertje of zusje moeten delen. De eerste verdieping van het huis draagt nog de meeste sporen van de individualisering. Sloten en naambordjes op de slaapkamerdeur, of afschrikwekkende teksten markeren het puberdomein. Met een eigen geluidsinstallatie, televisie of computer op de kamer wordt het territoriumgevoel alleen nog maar versterkt. Ook in de gemeenschappelijke badkamer is het gebruik van handdoeken, washandjes en tandenborstels volstrekt geïndividualiseerd, terwijl dat vijftig jaar geleden helemaal niet zo vanzelfsprekend was.

De vanzelfsprekendheid van het geïndividualiseerde gebruik verdwijnt echter onmiddellijk op de benedenverdieping in de gemeenschappelijke woonkamer, waar niet iedereen zijn of haar eigen keukenhanddoek, theedoek, serviesgoed, bestek, stoel of televisie heeft. Het gebruik is gezamenlijk, en de inrichting van woonkamer en keuken is een uitdrukking van die gezamenlijkheid. Zo zal het aantal eettafelstoelen minstens voldoende zijn om het hele gezin aan tafel te kunnen laten zitten. Zelfs alleenstaanden zullen meer dan één eettafelstoel in hun woonkamer hebben staan en meer dan één gemakkelijke stoel. Niet alleen de meubelstukken, ook de activiteiten die in de woonkamer plaatsvinden horen aan die gezamenlijkheid bij te dragen.

Ook hier openbaart zich weer een spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid, want de techniek maakt het mogelijk dat gezinsleden zich naar believen aan die gezamenlijkheid kunnen onttrekken. Ze kunnen zichzelf met de magnetron op ieder moment van een warme snack voorzien. De een kan een telefoongesprek voeren of televisie kijken, terwijl de ander bezig is met het downloaden van muziek en een derde elektronisch piano speelt. Ze kunnen dit allemaal doen zonder elkaar te storen of ruzie te maken. Koptelefoons maken het mogelijk dat men fysiek in elkaars nabijheid verkeert, terwijl ieder toch zijn of haar eigen ding doet.

Techniek wordt dan ook vaak als zondebok gezien van zowel de toegenomen gezinsindividualisering als van de individualisering binnen gezinnen. Vooral de televisie is sinds haar introductie afgeschilderd als het koekoeksjong in het familienest. Met de komst van de televisie zou de echte gezelligheid van het samen praten en een spelletje doen verdwenen zijn. De contacten buitenshuis zijn daarmee ook afgenomen, en het verenigingsleven in veel dorpen en steden is op sterven na dood. Dezelfde verzuchtingen gelden vandaag de computer. Vooral kinderen zitten een groot deel van hun vrije tijd aan het computerscherm gekleefd. Het individuele karakter van de computerspellen heeft dit verwijt alleen nog maar versterkt.

Vreemd genoeg heeft de telefoon zelden dat verwijt gekregen, terwijl die van meet af aan een individueel gebruik heeft afgedwongen en de beller altijd onaangekondigd in de privésfeer is kunnen binnendringen. Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de telefoon steeds meer door vrouwen gebruikt voor het onderhouden van hun contacten en voor het gezellig bijkletsen in een telefonische thee- of koffievisite. Ook in de reclame voor elektrische huishoudapparaten uit de jaren vijftig werd de bijdrage aan de huiselijke gezelligheid benadrukt. Moeders zouden nu alle tijd krijgen om hun kinderen voor te lezen en een spelletje met ze te doen. Met andere woorden: de rol van techniek in huis is minder eenduidig dan ze wel wordt voorgesteld.

 

Reflecties

Ondanks, of misschien dankzij alle mogelijkheden om zich aan de gezamenlijkheid in de woonkamer te onttrekken, door zich op de eigen kamer terug te trekken of een koptelefoon op het hoofd te zetten, is er een hang naar ongedwongen samenzijn. Dat samenzijn is veel fysieker dan de ouderwetse gezelligheid waarbij men keurig op aparte stoelen rond de tafel zit. Met het grootste genoegen wordt er televisie gekeken, terwijl gezinsleden tegen elkaar aanhangen op de sofa. Het is geen centrale, maar een via het scherm gereflecteerde gezelligheid van het samen kijken naar hetzelfde, en het commentaar leveren vanaf de bank. In de reflectie op het televisiescherm van de kijkersgroep voor de buis wordt de gezamenlijkheid van dit groepsportret nog eens versterkt.

De gereflecteerde gezelligheid beperkt zich niet tot het televisiescherm. Ook het samen bekijken van een digitale fotoserie op het computerscherm leidt tot grotere fysieke nabijheid, door het leunen op elkaar om maar niets van de beeldenparade te missen. Zelfs het verzenden en ontvangen van sms-berichten op de mobiele telefoon geeft in huiselijke kring aanleiding tot een goedmoedig verdringen om de teksten op het beeldschermpje te kunnen lezen. Hetzelfde geldt voor de foto’s en vooral de groepsportretten die met digitale camera’s of mobieltjes genomen worden en waarbij het de grootste lol is om die onmiddellijk op het kleine scherm te bekijken en te becommentariëren. Het is een gereflecteerde gezelligheid die vooral jongeren door de fysieke nabijheid als warmer en echter ervaren dan het converserend tafelen van de volwassenen.

Dat is tevens een van de redenen waarom niet stoelen, maar zitbanken in allerlei soorten en maten zo populair zijn in de huidige jongerenscene. De eettafel met stoelen lijkt zijn langste tijd te hebben gehad, want onderuitgezakt op de bank voor de buis wordt bij voorkeur ook gegeten, gedronken en gevreeën. Met de blik gericht op de buis krijgen de meeste conversaties op de bank, weliswaar in de nauwste fysieke nabijheid, toch een indirect karakter, waarbij de reacties van de gesprekspartners alleen vluchtig en zijdelings worden opgenomen.

Een direct gevolg van de dominantie van het beeldscherm in de meeste woonkamers is dat frontale gesprekken vaak niet meer binnen de beslotenheid van het huis plaatsvinden, maar elders, waar het bewegende beeld niet voor afleiding zorgt. Daardoor worden willekeurige voorbijgangers, omstanders of medepassagiers vaak ongewild oorgetuige van conversaties – al dan niet per telefoon – die niet voor vreemde oren bestemd zijn. Deze privatisering van de openbare ruimte betekent een inbreuk op haar neutraliteit en anonimiteit. Het fenomeen begon al met de transistorradio, en het lijkt met de populariteit van de mobiele telefoon alleen maar toe te nemen. De publieke sfeer wordt thans doorkruist met intieme conversaties en luidruchtige ontboezemingen die vóór het bestaan van mobiele telefoons voorbehouden waren aan dronkaards en psychisch gestoorden. Tenzij een nieuwe gedragscode voor het mobiele telefoonverkeer hieraan paal en perk stelt, betekent dit ook een uitholling van de private functie van het huis.

 

Verstoorde illusie?

We mogen dan de illusie koesteren dat ons huis een ondoordringbaar fort is, de werkelijkheid is anders. Niet alleen talloze kabels en buizen penetreren het huis, ook maatschappelijke krachten dringen er door – we brengen ze immers zelf mee. De ene keer doen we dat om ons ertegen af te zetten, en koesteren we illusies, een andere keer gaan we mee in maatschappelijke trends als de individualisering, en vinden we dat de kinderen thuis ook recht hebben op privacy. Die verhouding tussen binnen- en buitenwereld, als twee communicerende vaten, was vroeger eveneens beslist anders.

Maar al is het huis geen fort, het is nog steeds mogelijk om zich achter gesloten deuren en rolluiken terug te trekken en een afgezonderd bestaan te leiden. Niet alleen zonderlinge oudjes leiden een teruggetrokken leven, ook jonge gezinnen met schoolgaande kinderen kunnen zich behoorlijk afschermen in hun keurige rijtjeswoningen – tot een huiselijk drama hun verborgen leven aan het licht brengt. Zaken als incest, kinder- en vrouwenmishandeling zijn vaak zo moeilijk vroegtijdig te signaleren, omdat ze achter de gesloten gevel van het huis plaatsvinden. Bij navraag weten buren vaak niet meer te melden dan dat de familie nogal op zichzelf was en dat ook zij het niet vermoed hadden. De maatschappelijk geaccepteerde gezinsindividualisering leidt ertoe dat mensen tegenwoordig veel makkelijker in een sociaal isolement raken dan vroeger, toen er nog dagelijks leveranciers langs de deur kwamen en er meer sociale controle van buren was. De illusie in een fort te wonen heeft in dit sociale isolement mede haar voedingsbodem.