Rudi Laermans

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Populisme, democratie en politiek systeem

Mein Ausgangspunkt ist: wir kennen diese Gesellschaft nicht. Wir haben noch keine zureichende Beschreibung geleistet.

Niklas Luhmann

 

1.

In 1988 publiceerde Stuart Hall, ouderdomsdeken van de culturele studies, een nog altijd lezenswaardig opstel over “populaire democratie versus autoritair populisme”. [1] Hall beroept zich daarin op het werk van Antonio Gramsci, en deels ook dat van Ernesto Laclau, om het politieke succes van Margaret Thatcher en de electorale neergang van de Britse sociaal-democratie te verklaren. Vandaag komt deze associatie tussen politiek populisme en een consequent neoliberale politiek van deregulering en ‘ontstaatsing’ enigszins vreemd over. Althans in West-Europa wordt de term ‘populisme’ nu al een tijdje gereserveerd voor meestal extreem-rechtse partijen en bewegingen die zich nadrukkelijk op ‘(de wil van) het volk’ beroepen. Tot op zekere hoogte deed Thatcher dat ook al, maar dan zonder de paradoxale combinatie van ultrademocratische retoriek en ‘antipolitiek’ die het West-Europese populisme sinds de jaren ‘90 kenmerkt. Het nieuwe populisme hamert inderdaad voortdurend op ‘de kloof’ tussen het volk en zijn vertegenwoordigers of, algemener, tussen de geregeerden en hun regeerders (of in een andere, Vlaams-socialistische versie: tussen ‘de dorpsstraat en de Wetstraat’). Dat ligt overigens in de lijn van de reeds genoemde Laclau. Populisme, zo betoogde Laclau al in de jaren ‘70 in zijn analyses van de Latijns-Amerikaanse varianten, is de politieke en discursieve articulatie van “een populair blok” tegenover een als corrupt voorgestelde elite, en dit met het oog op politieke hegemonie. [2] Specifiek voor de recente golf van populisme in West-Europa lijkt echter de systematische koppeling aan – zo men wil: usurpatie van – de gangbare zelfbeschrijving van de (representatieve) democratie. [3] Deze zelfbeschrijving stelt democratie gelijk met volkssoevereiniteit: ‘het volk’ of ‘de volkswil’ is de enige bron van legitiem machtsgebruik. Precies op de ‘demos’ van de democratie beroepen populistische politici zich vandaag de dag gedurig.

Over de term ‘populisme’ wordt steevast gezegd dat het om een vage, veelzinnige, contextgebonden… uitdrukking gaat. Tegelijkertijd bestaat er ook in de relevante literatuur van langsom meer consensus over dat het politieke populisme in de huidige West-Europese context vooral de idee van volkssoevereiniteit bespeelt. [4] Daarom kan het niet zomaar op één lijn worden gesteld met bijvoorbeeld de toenemende neiging tot populisme in de massamedia, ook binnen openbare omroepen of bepaalde kwaliteitskranten. Uiteraard zijn er dwarsverbindingen, want de populistisch georiënteerde media gebruiken eveneens graag het schema ‘volk versus elite’ om een meer populair geachte taal en programmering te legitimeren. De verschillen tussen het massamediamieke en het politieke populisme, vooral op retorisch of discursief vlak, zijn echter niet minder belangrijk. Daarnaast moet men steeds oog blijven hebben voor de actuele West-Europese context waarbinnen populistische partijen en bewegingen ageren. De algemene contouren daarvan zijn voldoende bekend. Enerzijds zorgt de economische globalisering voor een relatieve desindustrialisatie die zowel de sociale integratie van ongeschoolde werkkrachten, en daardoor ook van een grote groep allochtonen, als de financiering van de verzorgingsstaat onder druk zet. Anderzijds zijn de meeste West-Europese overheden zich in snel tempo gaan herdefiniëren, deels onder druk van het succes van populistische partijen, in de richting van bestraffende veiligheidsstaten. De nationale soevereiniteit brokkelt af, zeker in EU-verband. Wil men de natiestaat en haar basistaken herprofileren, dan lijkt het dus evident om de klemtoon te leggen op het met harde hand bewaken van de interne veiligheid binnen de territoriale grenzen – wat per definitie ook een scherpe supervisie van de binnenkomers impliceert. [5]

Bij dit algemene plaatje hoort een meer specifieke ‘crisis in/van de politieke representatie’ – ‘representatie’ in de brede zin van zowel ‘afbeelding’ of ‘voorstelling’ als ‘delegatie’ of ‘vertegenwoordiging’. Deze crisis is minstens viervoudig. Eén, nationale én transnationale politieke actoren hebben het steeds moeilijker om hun turbulente omgevingen te interpreteren en politiek te (her)articuleren. Debet hieraan is onder meer een sterk verkokerde en overwegend op administratie gerichte bestuurspraktijk die slechts moeizaam nieuwe, vaak contradictoire omgevingsinformatie absorbeert. Twee, mét de welvaartsstaat kwam ook de naoorlogse neocorporatistische belangenbemiddeling onder druk te staan. Het georganiseerde overleg en de buitenparlementaire belangenrepresentatie in sectoren als arbeid of gezondheidszorg bemoeilijken immers een reorganisatie van de verzorgingsstaat. Het resultaat zijn kwakkelende onderhandelingen en, algemener, een groeiend onvermogen van bijvoorbeeld vakbonden om de specifieke eisen van welbepaalde electorale groepen, zoals ongeschoolden of werklozen, adequaat te representeren. Drie, in de externe representatie van politieke beslissingen en de publieke meningsvorming hebben de massamedia het voortouw genomen. In Vlaanderen was deze evolutie synoniem met de (relatieve) ontzuiling van massamedia en openbare omroep. Maar ook in andere regio’s of landen verbrokkelden de formele en informele netwerken tussen partijen, sociale en culturele organisaties, “organische intellectuelen” (Gramsci), publieke fora… binnen het zogenaamde middenveld. Daarom richten partijen zich thans zoveel mogelijk rechtstreeks via de media tot hun potentiële kiezers, wat enkel kan voorzover zij zich voegen naar de wetmatigheden van de massamediamieke communicatie. Het gevolg is hoe dan ook een verlies aan openbaarheid, het opgeven van een belangrijk deel van de ‘civiele maatschappij’ waarbinnen actief aan politieke meningsvorming wordt gedaan. Vier, politieke partijen kunnen steeds minder op vertrouwde sociale identiteiten terugvallen, zoals die van katholiek gelovige of werknemer. Zo fungeert die laatste sociale positie thans veel minder als een persoonlijk identificatiepunt, zeker in vergelijking met de consumentenrol (zie de veralgemening van de lifestyleretoriek). Het individualiseringsproces zit daar voor veel tussen, maar cruciaal is ook het opschuiven van de West-Europese sociaal-democratie richting brede middenklasse en het navenante inleveren op ideologisch profiel (dat heette nog niet zo lang geleden the third way beyond left and right…).

Meteen is duidelijk dat het recente electorale succes van populistische partijen en bewegingen, van het Vlaams Blok/Belang over het ‘Fortuynisme’, het Front National of Haiders FPÖ tot de Progressieve Partijen in Scandinavië, niet losstaat van de meer omvattende ‘crisis in/van de politieke representatie’. Niet dat die groepen zich druk maken over de ontoereikende sensibiliteit van het politieke systeem voor het kluwen van actuele ontwikkelingen. Integendeel, populistische politici houden het zoals bekend graag simpel. Daarentegen hanteren ze gewoonlijk wél een discours dat een sterke collectieve identiteit affirmeert, vaak met een etnisch-culturele inslag. Dat slaat aan, in de eerste plaats binnen de brede groep van ongeschoolden die zich niet langer vertegenwoordigd voelen door de partijen die afwisselend de macht delen. De meeste populistische partijen doen dan ook op een quasi-Gramsciaanse manier aan hegemoniepolitiek, zowel binnen als buiten de media. Er bestaat allicht een – meestal onbedoelde – affiniteit tussen het nieuwe mediapopulisme en het succes van populistische politieke vertogen. Wie het politieke bedrijf, met het oog op kijk- of luistercijfers, tot makkelijke oneliners en vlotte babbels vereenvoudigt, creëert ongewild een discursieve voedingsbodem voor politici met een simpele boodschap. Het neemt niet weg dat partijen als Vlaams Belang en Front National ook actief aan meningsvorming ‘van onderop’ doen, en dat niet enkel in verkiezingstijd.

Bij het articuleren van de publieke opinie nemen populistische politici en partijen in de regel een paradoxale positie in. Ze zeggen immers niet zélf te spreken. Hun partijen formuleren geen autonoom politiek programma, ze doen geen beleidsvoorstellen vanuit een overkoepelende ideologische visie. Integendeel, hun spreken is een afgeleid communiceren waarin de geadresseerde ‘volk’ direct en onbemiddeld aan het woord komt. Kortom, in het populistische discours beluistert ‘het volk’ enkel zichzelf. Daardoor positioneert dat vertoog zich op een nogal vreemde manier. ‘Het volk’ dat niet spreekt – de figuur van ‘de zwijgende meerderheid’ – krijgt alsnog een politieke stem dankzij de populistische politicus of partij en wordt dus ‘actief gesproken’; maar tegelijkertijd zou het gesprokene ‘de volkse gedachten’ enkel passief weerspiegelen. Alvorens in te gaan op deze specifieke discursieve paradox, sta ik even stil bij de meer algemene inbedding ervan in de dominante zelfbeschrijving van de moderne democratische politiek.

 

2.

In het postuum gepubliceerde Die Politik der Gesellschaft maakt Niklas Luhmann terloops een ironische en tegelijk verrassende opmerking: “De sluiting van het politieke systeem gebeurt daar waar het publiek van individuen, groepen en organisaties dat directieven ontvangt en administratief wordt belast, in het volk verandert; daar waar de ‘volonté de tous’ verandert in een ‘volonté générale’. Maar deze transformatie blijft een geheim. Ze kan enkel worden geformuleerd als een paradox. Het is de attractor van vele theoretische, vooral ‘democratietheoretische’ ondernemingen.” [6] Luhmann zinspeelt hier op de zogenaamde paradox van de volkssoevereiniteit. In een democratie gaat alle macht van het volk uit, maar deze ‘wil van allen’ dient tegelijkertijd ‘de algemene wil’ – en zo ook ‘het algemene belang’ – te belichamen. Hoe kan dat? Hoe kan bijvoorbeeld de loutere optelsom van individueel uitgebrachte stemmen tevens ‘de wil van allen’, ja zelfs de ‘volkswil’ representeren? Of nog: hoe verandert een publiek van louter individuele kiezers of beslissers in zoiets als een volk, met eigen strevingen en belangen? Bovendien rijst de vraag, die ons meteen naar het hart van genoemde paradox brengt, hoe het volk tegelijkertijd subject en object, bron en doel van machtsuitoefening kan zijn. Het is inderdaad een levensgroot enigma: het volk dat zichzelf regeert in naam van zichzelf…

Zoveel is meteen duidelijk: aan ‘we, the people…’ beantwoordt geen realiteit. Evenmin was dat ooit, in een ver en mythisch verleden, het geval. Het eengemaakte volk dat met één stem zou (kunnen) spreken, was en is feitelijk altijd al verdeeld in verschillende groepen, onder meer economische klassen, met uiteenlopende belangen. Deze diversiteit aan belangen laat zich nauwelijks of niet aggregeren tot zoiets als een algemeen belang of een algemene volkswil. Met deze vaststelling spoort de these, die de econoom Joseph Schumpeter als eerste consequent heeft verdedigd, dat een democratisch bestel uiteindelijk weinig meer is én kan zijn dan een arena waarbinnen belangengroepen bij monde van bevriende politieke partijen om electorale ondersteuning werven met het oog op een hun welgezind beleid. [7] Een heel ander denkspoor heeft Claude Lefort uitgezet in zijn politiek-filosofische meditaties over de relatie tussen democratie en totalitarisme. [8] In Leforts visie kenmerkt een democratie zich door de substantiële leegheid van ‘de plaats van de macht’, die hij daarom omschrijft als “een lege plek”. Symbolisch gaat alle macht wel uit van het volk, maar geen enkele partij of politicus onderhoudt daar een substantiële relatie mee: niemand belichaamt of incarneert het volk op een rechtstreekse manier. Een – uiteraard imaginaire – directe relatie tussen geregeerden en regeerder(s) karakteriseert juist een totalitair regime, waar dé Partij en/of dé charismatische Volksleider zich effectief opwerpt als de transparante emanatie van ‘het volk’. Het instandhouden van deze politieke fictie vereist per definitie een strak gecontroleerde publieke sfeer, zonder dissidente geluiden die de pluraliteit binnen ‘het volk’ politiek vertolken. Binnen een effectieve democratie gebeurt dat laatste juist wel. ‘Het volk’ verschijnt er niet als een quasi-substantie waarmee één partij en/of enkele politici een geheime relatie onderhouden, terwijl alle andere politieke actoren diezelfde vreemde materie zouden miskennen, negeren, trachten te vernietigen… Uitdrukkingen als ‘het volk’, ‘de volkswil’, ‘het algemene belang’ fungeren er als de centrale maar lege betekenaren van een bindend symbolisch kader dat de verschillende politieke actoren ook effectief verschillend invullen. Tegelijkertijd verandert deze meervoudige articulatie juist niet in een pure belangenstrijd, vanwege de gedeelde oriëntatie op eenzelfde symbolische ruimte.

Volgens de radicaal-democratische benadering van Ernesto Laclau en Chantal Mouffe en het primair ethische pleidooi van Jacques Derrida voor une démocratie à venir is de nimmer te dichten kloof tussen de leegheid van haar symbolische legitimatie en de reële politieke praktijk van pluralistische articulatie constitutief voor de democratie. [9] De onmogelijkheid van een directe presentatie van ‘het volk’ opent altijd weer opnieuw een ruimte van representatie waarbinnen ‘in naam van het volk’ nieuwe eisen, belangen, identiteiten… kunnen worden gedefinieerd. Zo bekeken vormt het symbolische fundament van de democratie een soort van quasi-transcendentale fictie voor een zinvolle en tevens gepacificeerde omgang met zowel de feitelijke verdeeldheid binnen ‘het volk’ als de articulatie van dit sociale en culturele pluralisme via uiteenlopende politieke programma’s en voorstellen. Dat klinkt plausibel – maar bevestigt deze denklijn niet ook het ironische verdict van Luhmann: de idee van volkssoevereiniteit als “de attractor van vele theoretische, vooral ‘democratietheoretische’ ondernemingen”? Is het niet zinvoller om ‘het volk’ gewoonweg te beschouwen als een retorische figuur, een metafoor of trope die inderdaad een funderende rol heeft gespeeld bij ‘de democratische revolutie’ op het einde van de 18de eeuw maar die niet langer voldoet om het reële functioneren van een democratisch politiek systeem te beschrijven? Het benadrukken van de idee van volkssoevereiniteit was ongetwijfeld nodig in de historische confrontatie met ‘de macht van de soeverein’ binnen absolute monarchieën. Thans spoort daarmee echter een bepaald eenzijdige klemtoon op de politieke legitimiteit van regeerders en hun beslissingen.

We kunnen er hoe dan ook niet omheen dat populistische partijen zowel de legitimiteit als de werking van ‘de reëel bestaande democratie’ gedurig ter discussie stellen door zich te beroepen op ‘het volk’. Eigenlijk verwondert dat niet, want de retorische figuur van het soevereine volk als enige bron van legitieme machtsuitoefening creëert een structurele druk richting populisme. De centrale vraag luidt dan ook niet ‘waarom populistische partijen?’, want die kan men in een democratie logischerwijs verwachten. Heel wat pertinenter is de vraag waarom het populisme na de Tweede Wereldoorlog gedurende zovele jaren afwezig bleef op de politieke scène in West-Europa. Of nog: welke specifieke factoren zijn verantwoordelijk voor de hernieuwde doorbraak van populistische partijen en het huidige succes van “de populair-democratische interpellatie” (Laclau)? Tegelijk dwingt dat succes ons om de dominante zelfbeschrijving van het politieke systeem in termen van volkssoevereiniteit in vraag te stellen. Populisten misbruiken deze referentie immers niet, maar nemen haar juist letterlijk – en dát is pas beangstigend, zo kunnen we van Lefort leren. Het populisme wil de retorische figuur van ‘wij, het volk’ realiseren. Dat kan enkel door de democratie te ‘derealiseren’, door iedere andere politieke claim op ‘de volkswil’ als wezenlijk volksvijandig, als een slinks partijpolitiek manoeuvre… voor te stellen. [10] Deze ‘verletterlijking’ van de metaforische vergelijking van het volk met een soeverein – ‘het volk is als een koning die zichzelf de wet stelt’ – maakt in een altijd specifieke maatschappelijke en politieke constellatie de kracht uit van het populistische appèl. Het politieke populisme vat dus op een bijzonder performatieve manier de semantiek waarmee de democratie zichzelf legitimeert naar de letter op. Dat is alvast één heel goede reden om het populistische vertoog niet zonder verdere politieke argumenten als ondemocratisch te verketteren.

Nu heeft onder meer Chantal Mouffe erop gewezen, hiermee overigens aansluitend bij een lange liberale traditie van politiek denken, dat de moderne representatieve democratie niet één maar twee pijlers heeft. De figuur van ‘het soevereine volk’ legitimeert de machtsuitoefening, maar de democratisch gekozen vertegenwoordigers dienen zich altijd ook te houden aan ‘the rule of law’. Mouffe spreekt daarom van ‘de democratische paradox’, een paradoxaal samengaan van de nadruk op ‘het volk’ als autonome én soevereine machtsbron met de constitutionele eis dat geen enkele politieke beslissing, hoezeer die ook wordt gedragen door ‘de volkswil’, tegen de algemene principes van de rechtsstaat kan ingaan. [11] Mouffe denkt daarbij in de eerste plaats aan de grondwettelijke rechten en vrijheden. Dat ligt voor de hand, want deze constitutionele waarborgen verzekeren mee het politieke pluralisme en beschermen de individuele burger tegen een al te opdringerige overheid. In die zin maken ze een democratische – in de betekenis van ‘volksgedragen’ – politiek tegelijkertijd mede mogelijk én onmogelijk. Maar het principe van de ‘rule of law’, en daar staan democratietheoretici opvallend weinig bij stil, houdt tevens in dat politieke beslissingen in positief recht moeten uitmonden. Een moderne democratische staat is inderdaad altijd ook een rechtsstaat waarin machtsuitoefening synoniem is met wetgeving. De ‘democratische paradox’ impliceert feitelijk een dubbele legitimiteit van democratische beslissingen.

De structurele koppeling tussen politiek en recht biedt de mogelijkheid om langs strikt legale weg politieke beslissingen aan te vechten, met soms ingrijpende gevolgen (voor de Belgische lezers: zie bijvoorbeeld het Zaventemdossier). Tegelijkertijd verleent de algemene band tussen politieke machtsuitoefening en legaliteit de eerste in principe ook een algemene procedurele legitimiteit. [12] Dat populistische partijen en politici die laatste negeren, verwondert niet: voor hen primeert de relatie tussen geregeerden en regeerders (overigens was het Carl Schmitt die als eerste consequent het primaat van de volkssoevereiniteit op de legaliteit van de rechtsstaat bepleitte). [13] Talloze van hun politieke voorstellen zijn trouwens moeilijk of niet te verzoenen met de vigerende juridische kaders op het gebied van mensenrechten, immigratie… Maar ook niet-populistische politici en democratietheoretici ‘vergeten’ de intrinsieke band tussen de legitimiteit en de legaliteit van politieke beslissingen. Zij verzuimen het tevens om de grondwettelijk verankerde rechten en vrijheden consequent in te zetten tegen de populistische interpretatie van het beginsel van volkssoevereiniteit. Is dat geen blijk van een weinig opgemerkte, impliciete maar immense invloed van het neopopulistische discours? Valt de impact van populistische partijen als het Vlaams Blok/Belang, zoals ook Jan Blommaert heeft gesuggereerd, niet vooral af te lezen aan het ampele feit dat ze in geen tijd de politieke legitimiteitsvraag hebben weten te verengen tot de meting van electoraal succes en, algemener, van politieke populariteit? [14] In de strijd tegen het populisme gaat het inderdaad ook altijd om de meer algemene voorstelling van het democratisch-politieke systeem binnen datzelfde systeem (daarop doelt precies de uitdrukking ‘zelfbeschrijving’). Dat populistische politici hoogst selectief met deze zelfbeschrijving omgaan, valt te verwachten; dat niet-populistische partijen en/of politici dit niet systematisch aanvechten, maar het integendeel vaak eveneens als hun primaire taak zien om ‘de kloof tussen burger en politiek te verkleinen’, mag op z’n minst bedenkelijk heten.

 

3.

Een democratisch politiek bestel beschrijft zichzelf primair in termen van volkssoevereiniteit én ‘rule of law’ – maar deze laatste ‘vergeet’ (negeert, verdringt, doorkruist) het politieke populisme. Vanuit een externe, (systeem)theoretisch geïnformeerde blik oogt datzelfde bestel alvast een stuk complexer. Laat ik puntsgewijs enkele belangrijke aspecten naar voren halen, waarbij ik regelmatig terugkoppel naar ‘de kwestie van het populisme’. [15] Eén, de primaire functie van ‘de politiek’ is het nemen van collectief bindende beslissingen. De genomen beslissingen slaan op het gedrag van weggebruikers of rokers, de jaarlijkse aanslagvoeten van de personenbelasting en ontelbare andere thema’s. Het betrokken ‘collectief’ wisselt dan ook gedurig. In de regel adresseren politieke beslissingen zich helemaal niet aan zoiets als een ‘volk’ (van een natiestaat), maar aan een altijd specifiek publiek. De uiteenlopende ‘publieken’ die het voorwerp zijn van politieke beslissingen, gaande van ondernemers over specifieke categorieën van zieken tot gezonde arbeidskrachten, vallen onmogelijk tot één volk te aggregeren. Omgekeerd biedt een substantieel ingevulde volksnotie, hoe die er verder ook moge uitzien, nooit een onbetwijfelbaar richtsnoer voor het gros van de politiek relevante beslissingsdomeinen met hun respectieve ‘publieken’.

Twee, rond het nemen van collectief bindende beslissingen heeft zich in de moderne tijd een autonoom sociaal systeem gevormd. Daarbinnen worden deze beslissingen voorbereid, effectief genomen, daadwerkelijk geïmplementeerd… en natuurlijk ook gedurig gecontesteerd en bediscussieerd. Het politieke systeem weet zich echter op ieder niveau ook zélf gebonden door de genomen beslissingen. De bestaande wetgeving vormt immers het noodzakelijke aanknopingspunt voor nieuwe politieke selecties. Meer algemeen geldt dat actuele politieke keuzes voortbouwen op al genomen beslissingen of op meer algemene beslissingspremissen of -kaders, zoals politieke programma’s. Dat is zelfreferentialiteit: actuele politieke beslissingen verwijzen impliciet of expliciet naar eerder gemaakte keuzes, die ze dan eventueel hardop wijzigen of negeren – wat ook een vorm van interne zelfverwijzing is. Of ze anticiperen, alweer impliciet of expliciet, op toekomstige beslissingsmogelijkheden: in dat geval is zelfreferentialiteit synoniem met vooruitwijzing.

Het zelfreferentiële karakter van collectief bindende beslissingen garandeert mee de autonomie van het politieke systeem. Maar, drie: dat systeem beschrijft zich tegelijk als democratisch, is structureel gekoppeld aan het juridische systeem (zie hierboven) én kan zijn beslissingsautonomie enkel waarmaken door zich intern te differentiëren. In een democratisch regiem omvat het meer bepaald politieke partijen, een overheid waarbinnen parlement en regering de centrale actoren zijn, en een publieke opinie. De eerste genereren aan de hand van onderscheiden politieke programma’s in de regel een algemene legitimiteit voor zowel het politieke systeem als voor specifieke voorstellen of maatregelen, door belangen, eisen, wensen… te koppelen aan waarden als gelijkheid of rechtvaardigheid. Met het oog daarop bespelen partijen en politici de publieke opinie, die zich met bindende kracht verdicht tijdens een verkiezingsronde – en hoe daarbij ook nog zoiets als een ‘volkswil’ of ‘wil van dé kiezer’ ontstaat, is inderdaad een goed bewaard “geheim” (zie Luhmann). Die publieke opinie fungeert, tijdens verkiezingen maar ook daarna, als een soort spiegel waarin partijen én beleidsmakers kunnen observeren hoe zij zelf worden geobserveerd (dat heet dan tweedeorde-observatie). De beleidsmakers vormen samen de overheid, die op haar beurt de algemene maatschappelijke functie van het politieke systeem binnen datzelfde systeem waarmaakt. De overheid omvat dan ook alle actoren – en dat ondanks de officiële ‘scheiding der machten’… – die collectief bindende beslissingen nemen, dus zowel de regering, het parlement als delen van de administratie. Uiteraard bestaat er daartussen een beslissingshiërarchie. De gangbare democratische zelfbeschrijving van het politieke systeem plaatst het parlement in een spitspositie, maar feitelijk ligt het zwaartepunt meestal bij de regering of uitvoerende macht.

Populistische partijen wordt vaak verweten aan ‘antipolitiek’ te doen. Ze genereren inderdaad geen algemene legitimiteit voor het politieke systeem, en contesteren zowel de maatregelen van regeringszijde als de voorstellen van andere oppositiepartijen. Daarvoor beroepen ze zich op de ingeburgerde semantiek van de volkssoevereiniteit, wat ultrademocratisch oogt maar tevens de interne differentiatie van het politieke systeem negeert. De populistische manier van politiek bedrijven suggereert immers dat iedere bindende politieke beslissing ook buiten verkiezingstijden ‘de wil van het volk’ moet representeren (of die minstens dient te respecteren). Nog los van de vraag hoe dat feitelijk of praktisch kan, is het meteen duidelijk dat een consequent populisme neerkomt op een drastische dedifferentiatie van het politieke systeem. De ‘reëel bestaande democratie’ berust op de institutionalisering van de verschillen tussen partijpolitiek, publieke opinie en het nemen van collectief bindende beslissingen door beleidsmakers; het populistische discours verandert deze verschillen echter in geschillen waarover alleenlijk ‘het volk’ zou kunnen beslissen. Daarmee komt de imaginaire horizon van het politieke populisme ietwat beter in beeld. In naam van ‘het volk’ stuurt dit populisme ofwel aan op een plebiscitaire democratie met hoogst poreuze scheidslijnen tussen partijpolitiek, beleid en publieke opinie; ofwel op een (quasi-)totalitaire volksdemocratie waarin alle thans bestaande beschotten, ook die tussen het politieke en het juridische systeem, worden opgeheven. Wie daarentegen partij kiest voor ‘de reëel bestaande democratie’ moet consequent wezen en onomwonden het verschil – de differentiatie – verdedigen tussen het genereren van politieke legitimiteit, het nemen van collectief bindende beslissingen, en het – thans vooral massamediamiek gestuurde – formeren van publieke opinies (in het meervoud).

Vier, en de logica zelf: ieder politiek systeem, of het zich nu democratisch noemt of niet, berust op het verschil tussen regeerders en geregeerden, de minderheid die collectief bindende beslissingen neemt en de meerderheid die zich daaraan moet onderwerpen, om wisselende redenen en in altijd andere sociale posities (als belastingbetaler, werknemer of werkgever, weggebruiker, eigenaar…). Luhmann beschouwt daarom het onderscheid tussen macht en niet-macht als de algemene binaire code of ‘de richtinggevende distinctie’ van iedere vorm van politiek. Meteen stoten we op een structurele paradox die élk politiek regime kenmerkt. In een strikt logische zin is de identiteit van een politiek systeem, van welke snit ook, synoniem met de eenheid van het verschil tussen regeerders en geregeerden, machthebbers en machtssubjecten. Deze paradox onttrekt zich aan representatie, hij is letterlijk onvoorstelbaar. De notie van volkssoevereiniteit tracht hem alsnog te ontmijnen – versta: te verdonkermanen – via de retorische figuur van ‘het volk’ dat ‘zichzelf de wet stelt’. ‘Het volk’ is dan, zoals gezegd, zowel subject als object van collectief bindende beslissingen, dus zowel de bron als de geadresseerde van legitieme machtsuitoefening. Conform deze retorische figuur symboliseert ‘het volk’ kortom de plaats waar machthebbers en machtssubjecten identiek en dus uitwisselbaar zijn. Alleen, deze plaats is “leeg” (Claude Lefort), “a vanishing point” (Slavoj Zizek), “indeterminate” (Ernesto Laclau)… Feitelijk gaat het om een performatieve fictie die de onmogelijkheid van direct volksbestuur verhult door een indirecte volkssoevereiniteit mogelijk te maken. Dat ‘alle legitieme macht van het volk uitgaat’, betekent dan gewoonweg dat de stemgerechtigden tijdens verkiezingen het wettelijk voorziene aantal volksvertegenwoordigers kunnen (of moeten) aanduiden. Het resultaat is een gedelegeerde machtsuitoefening ‘in naam van het volk’ binnen een getrapt systeem van reflexieve machtsaanwending. Want juist dat is representatieve democratie: niet een beroep op – laat staan een emanatie van – ‘de algemene wil’, maar de delegatie van ‘de macht van het volk’ aan een parlement van verkozen volksvertegenwoordigers dat in eigen midden een regering samenstelt en vertrouwen geeft.

Dat brengt ons bij punt vijf: binnen een representatieve democratie wordt de politieke code – het voor elk politieke regiem constitutieve verschil tussen machthebbers en machtssubjecten – geherinterpreteerd in termen van ‘regering versus oppositie’. De splijting van de democratische top (Luhmann) introduceert het onderscheid tussen regeerders en geregeerden opnieuw binnen de groep van potentiële machthebbers. Iedere vertegenwoordiger van het volk is in principe machtsbevoegd, maar na de samenstelling van een nieuwe regering hebben alleen de gekozen leden van de regeringspartijen een reële kans om te wegen op het politieke beslissingsproces. Belangrijk en weinig gethematiseerd is het feit dat deze ‘re-entry’ van de politieke code macht/geen macht langs de kant van ‘de macht’, voortdurend de contingentie van collectief bindende beslissingen zichtbaar maakt. Een beslissing, en a fortiori een politieke beslissing, is altijd een selectie uit twee of meer mogelijkheden. De selectie kan zich committeren aan goede redenen, feitelijke gegevens, al genomen of te verwachten beslissingen (zelfreferentialiteit)… maar de beslisser staat nooit op vaste grond, anders hoefde hij niet te beslissen. Elke beslissing is daarom wezenlijk “onbeslisbaar” (Derrida): ze verhoudt zich tot een grondeloosheid die juist beslissingsvrijheid geeft, de mogelijkheid om a en niet b te kiezen. Daarom is een beslissing niet onmogelijk noch noodzakelijk, dus mogelijk én anders-mogelijk of contingent.

Een representatieve democratie maakt de contingentie van politieke beslissingen structureel zichtbaar. Door de splijting van de democratische top staan tegenover elk spreekwoordelijk ‘ja’ van de regering immers ook een of meer ‘neens’, of minstens een of meer alternatieve ja’s, van de kant van de oppositie. Kortom, een representatieve democratie zorgt ervoor dat de niet op te heffen contingentie van (bindende) beslissingen gedurig binnen het politieke systeem zélf wordt gerepresenteerd. Met elke regeringsbeslissing herinnert de oppositie aan een of meer andere mogelijkheden, en zo ook aan de afwezigheid van een vast fundament voor het politieke systeem. Het politieke populisme vindt dat fundament alsnog in de idee van volkssoevereiniteit: een beslissing is legitiem voorzover ze ‘de wil van het volk’ weerspiegelt. Zo bekeken bepleit het een heel specifieke omgang met de structureel observeerbare contingentie van politieke beslissingen binnen een representatieve democratie. Het populisme aanvaardt deze contingentie niet, terwijl die juist wezenlijk is voor ‘de reëel bestaande democratie’. Het dringt aan op ‘gefundeerde’ of ‘noodzakelijke’ beslissingen door die gedurig te verbinden met ‘de volkswil’. Dat impliceert niet alleen een structurele dedifferentiatie tussen de publieke opinie en de sfeer van overheid of beleidsvoering. Het resulteert tevens in de paradox dat politieke beslissingen niet langer… beslissingen zijn. Een politieke beslisser die zich beperkt tot het gedwee volgen van de meerderheidsopinie, is immers geen beslisser, want hij selecteert niet uit twee of meer mogelijkheden. En vooral: zo’n niet-beslissende beslisser verdraagt per definitie géén oppositie, géén stemmen die zijn ‘ja’ met een ‘neen’ counteren en zo de feitelijke contingentie van een als noodzakelijk voorgestelde selectie in beeld brengen. Het is dan ook geen toeval dat populistische partijen geen interne dissidenties tolereren en in gesloten slagorde opereren…

Nog een laatste punt. In een democratisch bestel onderbreken verkiezingen de zelfreferentialiteit van het politieke systeem. De regerende partijen kunnen daarom niet verwachten, enkel hopen, dat de meerderheid van de kiezers positief beslist over de door hen genomen beslissingen. Via verkiezingen voorziet een democratisch politiek systeem zichzelf dan ook van een onzekere toekomst. ‘Democratie’, dat is ook de structurele mogelijkheid van kerende kansen, van een ándere invulling van het verschil tussen regering en oppositie in een nabije toekomst. De regering kan oppositie worden, en vice versa – althans voorzover alle betrokkenen zich houden aan “een hogere amoraliteit” (Luhmann). Het onderscheid tussen regering en oppositie mag inderdaad langs geen van beide kanten worden gemoraliseerd, want dat ondergraaft de democratische mogelijkheid van een wisseling van de macht (en de ‘onmacht’). Regering noch oppositie mogen zichzelf als moreel goed en achtenswaardig voorstellen, en de spreekwoordelijke bewoners van de andere zijde als slecht en verwerpelijk verketteren. De democratische moraal is kortom een vorm van ‘niet-moraal’. Zij verbiedt het om de politieke tegenstander te demoniseren en als moreel onverkiesbaar af te schilderen. Populistische partijen en politici houden zich daar vaker niet dan wel aan. De democratische moraal pleit overigens helemaal niet tegen een ‘cordon sanitaire’, want dat slaat op het niet aangaan van een bestuurscoalitie met een populistische partij. De ‘hogere amoraliteit’ in de omgang met het politieke verschil tussen regering en oppositie houdt dan weer wel de vingerwijzing in dat ook populistische partijen en politici in de eerste plaats met politieke, niet met morele argumenten moeten worden gecounterd. Vanuit een moreel superieure houding worden trouwens ook geen verkiezingen gewonnen, noch interessante
beleidsmaatregelen genomen.

 

4.

Samenvattend: het politieke populisme bekritiseert de representatieve democratie in naam van haar funderende semantiek – maar de notie van volkssoevereiniteit is enkel één constitutief element van de symbolische horizon van het project genaamd democratie. Deze retorische figuur dekt helemaal niet het volledige spectrum van arrangementen die een democratisch regiem typeren, zoals de ‘rule of law’, ‘de splijting van de democratische top’ en de differentiatie tussen overheid of beleidsvoering, publieke opinie, en politiek in strikte zin (lees: het werven om legitimiteit door partijen en politici). Het politieke populisme simplificeert ‘de reëel bestaande democratie’ tot de eis van een directe, zelfs transparante relatie tussen collectief bindende beslissingen en ‘(de wil van) het volk’. Representatie wordt gelijkgesteld met weerspiegeling, wat neerkomt op het negeren van de spreekwoordelijke breuklijn die in een representatieve democratie de volksvertegenwoordiging scheidt van ‘het volk’, of de verkozen politieke betekenaren van ‘de democratisch betekende’. Geen politiek zonder het onderscheid tussen machthebbers en machtssubjecten, en geen representatieve democratie zonder het verschil tussen volksvertegenwoordigers en kiezerspubliek. Populistische partijen en politici beweren dat zij, en alléén zij, deze onderscheiden weten te overbruggen en de mysterieuze eenheid (kunnen) belichamen van het voor iedere vorm van politiek of politieke representatie constitutieve verschil. Het is inderdaad de funderende claim van ieder populistisch discours dat ‘(de wil van) het volk’ present moet zijn én blijven in elke representatie van het volk. Opnieuw: hoe kan dat? Welke retorische manoeuvres maken het mogelijk om zich als een paradoxale eenheid van af- en aanwezigheid, volksvertegenwoordiger en ‘volk’ te positioneren?

Er vallen nog meer mysteries te ontraadselen. Populistische partijen en politici claimen bijvoorbeeld dat ze zodanig volksverbonden zijn dat ze ook zonder dure enquêtes of andere vormen van bemiddeling ‘de stem van het volk’ kunnen horen. Die stem zouden ze niet alleen direct weten te beluisteren, maar ook nog eens zonder omwegen – ook geen politieke! – kunnen vertolken (dat heet dan ‘un parler vrai’). En het wordt allemaal nog enigmatischer wanneer we de stilzwijgendheid van ‘de meerderheid’ verdisconteren. Ook dat is een populistische basisfiguur: ‘wij zeggen wat u denkt, maar voorlopig niet hardop durft te zeggen’. Alweer: hoe kan dat? Hoe kan je de stem van een zwijgend subject horen of zijn/haar gedachten lezen? Uiteraard gaat het hier gewoonweg om metaforen die de test van de letterlijkheid nauwelijks of niet doorstaan (maar het populisme ‘verletterlijkt’ zelf wel de metafoor van de volkssoevereiniteit). Ze verwijzen keer op keer naar een logisch of sociologisch onmogelijke, enkel imaginair voorspiegelbare en discursief gesimuleerde eenheid tussen zij die present en zij die absent zijn binnen partij, parlement of regering. In de figuur van de charismatische populistische leider à la Pim Fortuyn of Jörg Haider verandert dit ‘eenheidsfantasma’ – om met Slavoj Zizek te spreken – in een zichtbaar symptoom van narcistisch plezier bij zowel de leider als de door hem geleiden.

Het populistische vertoog, zo benadrukte Laclau al, berust op specifieke retorische strategieën en op een wijze van communicatieve adressering die hij als “de populair-democratische interpellatie” omschrijft. Laclau beklemtoont vooral de koppeling van uiteenlopende sociale tegenstellingen binnen de alomvattende tweedeling ‘volk versus elite’. Door deze equivalentielogica gaan meerdere sociale posities – zoals: autochtoon, burger, Vlaming, werknemer… – als het ware met elkaar in de pas lopen. Ze lossen op en verdichten binnen één enkele positie, die van lid van het volk. Het politieke populisme moet echter altijd ook een zodanige symmetrie weten te construeren tussen politicus en vertegenwoordigde dat het feitelijke verschil tussen beiden opgeheven lijkt. Dat lukt door, zoals in iedere vorm van populistische communicatie, een particuliere vorm van saamhorigheid of gemeenschappelijkheid discursief te articuleren als een niet-contingente incarnatie van ‘het populaire’. Déze retorische operatie, en niet bijvoorbeeld de omschrijving van ‘het (Vlaamse) volk’ in essentialistische termen, is constitutief voor elk populistisch discours (weerom: binnen én buiten de politieke sfeer). Ze maakt een publieke aanspreking mogelijk die de geadresseerde positioneert als iemand die, ook al wist zij/hij het misschien nog niet, ‘er altijd al bij hoorde’, die altijd al een lid was van een zekere gemeenschap die het betrokken vertoog zegt te identificeren en te articuleren. Omdat het om een belichaming van ‘het populaire’ gaat, wordt de voorgespiegelde gemeenschappelijkheid per definitie gekenmerkt door een fundamentele gelijkheid én gelijkvormigheid. Dat laat in een politiek georiënteerd populistisch discours een symmetrische voorstelling toe van de relatie tussen politicus en vertegenwoordigde. In ‘het populaire’, hoe verder ook ingevuld, is iedereen gelijk en hetzelfde, en zijn daarom ook politicus en vertegenwoordigde, representant en gerepresenteerde, essentieel identiek en slechts accidenteel verschillend.

Binnen het politieke populisme wordt die specifieke vorm van gemeenschappelijkheid verbonden met ‘het volk’ en de notie van volkssoevereiniteit. Déze equivalentie politiseert een vorm van gemeenschappelijkheid die andere sociale vertogen vaak ook al articuleren op een niet-politieke manier (dat heet dan ‘interdiscursiviteit’). Daarmee is echter ook gezegd dat het politieke populisme wel degelijk de leegheid van de betekenaar ‘volk’ binnen een democratisch regiem (h)erkent. Juist daarom voorziet het deze notie van een substantieel supplement: ‘het volk’, en dus ook de volkssoevereiniteit, vindt de inhoud die het uit zichzelf niet bezit in de specifieke gemeenschappelijkheid die het populistische vertoog identificeert en representeert. Dit is bepaald een sterke zet, want hij geeft alsnog een sociale substantie aan een onbepaalde retorische figuur. Tegelijk is het ook altijd mogelijk om de discursieve koppeling tussen ‘het volk’ en een welbepaalde vorm van saamhorigheid te contesteren. Men kan immers gemakkelijk aantonen dat de geponeerde gemeenschappelijkheid niets meer is dan een contingente en daarom reviseerbare invulling van de volksnotie.

Ik had het totnogtoe bewust over een gemeenschappelijkheid die op een niet-contingente manier ‘het populaire’ zou belichamen. Voorzover ik kan zien, bestaan er twee grondvormen van politiek populisme of – dixit Laclau – van “populair-democratische interpellatie”. De eerste is het beste gekend en wordt het drukst besproken. In de sociaal-wetenschappelijke literatuur bestaat er zelfs een uitgesproken neiging om het populisme tot dit type van vertoog te beperken. Sommige auteurs spreken van ‘autoritair populisme’, anderen hebben het over rechts populisme, zelf verkies ik de term etnopopulisme. Dat lokaliseert het populaire inderdaad in een nogal vreemde etnische substantie, een essentieel culturele vorm van gemeenschappelijkheid en saamhorigheid. De geponeerde etnische band is transhistorisch, onvervreemdbaar voor wie erbij hoort, en letterlijk exclusief voor ‘de allochtoon’. De overeenstemmende gemeenschappelijkheid heeft dan ook zowel culturele als territoriale grenzen. Juist daarom is iemand wel of niet altijd al een Vlaming, Nederlander, Deen… De politisering van deze etnische gemeenschappelijkheid resulteert in een paradoxaal discours dat contingente politieke voorstellen of (virtuele) beslissingen voorstelt als noodzakelijk want ‘volkseigen’, in de etnische zin. Het is inderdaad de achillespees van het politieke populisme: het communiceert ‘fundamentalistisch’, het miskent de feitelijke contingentie van het eigen discours en de daarbinnen gearticuleerde gemeenschappelijkheid.

Het tweede prototype van politiek populisme is historisch gezien het oudste en geeft aan de uitdrukking ‘we, the people’ helemaal geen etnische draai (de People’s Party, die op het einde van de 19de eeuw furore maakte in de Verenigde Staten, wordt algemeen beschouwd als de eerste populistische beweging). Het lokaliseert ‘het populaire’ in de deels historische, deels transhistorische humaniteit van ‘de gewone mens’. [16] Iedereen is altijd al een ‘common wo/man’, een lid van die gemeenschap van gelijken die gewone aspiraties hebben, eenzelfde hoop op een menswaardig leven koesteren, een lach met een traan afwisselen… Maar wat de retorische figuur van ‘de gewone mens’ bovenal zou kenmerken, is zijn/haar ‘gezond verstand’. Moeilijk doen is overbodig, ook complexe dingen zijn eenvoudig uit te leggen: ‘het valt toch gemakkelijk in te zien dat…’ Deze humanistische variant is sterk inclusief en stelt ‘het populaire’ gelijk met een gedeelde menselijke natuur en redelijkheid. Toch trekt ook dit populistische discours harde grenzen tegenover iedereen die ongewoon denkt of handelt. Vandaar de gedurige uitvallen naar intellectuelen, avant-gardekunst en meer algemeen naar iedereen die om wat voor reden dan ook andere aspiraties of verlangens heeft dan ‘de gewone mens’. In zijn politieke gedaante roept dit soort van populisme vaak op tot een primair emotionele solidariteit tussen ‘alle gewone mensen met gezond verstand’ – en dat is helemaal iets anders dan een etnisch gedefinieerde volksverbondenheid. Daarom moet het duidelijk worden onderscheiden van het etnopopulisme.

Zowel het etnopopulisme als het populisme van ‘de gewone mens’ grossieren zoals bekend in een simplificerend, direct en onopgesmukt spreken dat wars is van nuances. Maar het beslissende punt is de discursieve constructie van een symmetrische relatie tussen spreker en geadresseerde, politicus en publiek, via de als reëel veronderstelde gemeenschappelijkheid van ‘het populaire’. Deze discursief gesimuleerde saamhorigheid zou ook de essentie uitmaken van ‘het volk’, in politiek-democratische zin, en geldt daarom als maatgevend voor zijn vertegenwoordigers binnen en buiten de regering. Het resultaat is een simpel aandoend discours dat feitelijk allesbehalve eenvoudig in elkaar zit. Het is ongetwijfeld nodig om de complexe discursieve manoeuvres van het politieke populisme bloot te leggen en te bekritiseren. Dat gaat dan liefst wel samen met een beschrijving van de complexiteit van ‘de reëel bestaande democratie’. Of die ook het altijd en overal te verdedigen historische eindpunt van ‘de democratische revolutie’ vormt, is een andere vraag. Misschien is dat wel het meest markante effect van de recente golf van populisme: ze heeft de democratische verbeelding verlamd, ze spoort aan tot een pleidooi pro ‘het bestaande’…

 

Noten

[1]       Stuart Hall, Populaire democratie versus autoritair populisme. Twee manieren om democratie serieus te nemen, in: Het minimale zelf en andere opstellen, Amsterdam, Uitgeverij Sua, 1991.

[2]       Ernesto Laclau, Towards a Theory of Populism, in: Politics and Ideology in Marxist Theory, London, Verso, 1977.

[3]       Dit is ook de basisstelling van Koen Abts, Het populistische appèl. Voorbij de populaire communicatiestijl en ordinaire democratiekritiek, in: Tijdschrift voor Sociologie 25 (4), 2004. De in dit artikel ontvouwde visie wordt verder uitgewerkt in twee voorlopig ongepubliceerde papers waarvan Abts medeauteur is: Koen Abts en Stefan Rummens, Populistische democratie: een contradictie?! en Ronald Tinneveldt en Koen Abts, De stem van het volk als maat van de politiek? Populisme en de multiculturele samenleving.

[4]       Over de recente populistische golf, zie vooral Yves Mény en Yves Surel (red.), Democracies and the Populist Challenge, New York, Palgrave, 2002.

[5]       Vergelijk Zygmunt Bauman, Society under Siege, Oxford, Blackwell, 2002.

[6]       Niklas Luhmann, Die Politik der Gesellschaft, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 2000, p. 265.

[7]       Joseph Schumpeter, Kapitalisme, socialisme en democratie, Haarlem, De Tijd, 1974.

[8]       Claude Lefort, Het democratisch tekort, Meppel/Amsterdam, Boom, 1992.

[9]       Ernesto Laclau & Chantal Mouffe, Hegemony and Socialist Strategy: Towards a Radical Democratic Politics, London, Verso, 1985; Ernesto Laclau, New Reflections on the Revolution of Our Time, London, Verso, 1990; Chantal Mouffe, The Return of the Political, London, Verso, 1993; Jacques Derrida, Spectres of Marx, London, Routledge, 1994.

[10]     Vergelijk Oliver Marchart, Enacting the Unrealized: Political Theory and the Role of ‘Radical Democratic Activism’, in Okwui Enwezor e.a. (red.), Democracy Unrealized, Ostfildern (Ruit), Hatje Cantz Verlag, 2002.

[11]     Chantal Mouffe, The Democratic Paradox, London, Verso, 2000.

[12]     Zie vooral Niklas Luhmann, Legitimation durch Verfahren, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 1983.

[13]     Over Schmitts opvattingen, zie bijvoorbeeld Mouffe, op. cit. (noot 11), en Chantal Mouffe, On the Political, London & New York, Routledge, 2005.

[14]     Zie Jan Blommaert, Blokspraak, in: De Witte Raaf nr. 114, 2005, pp. 1-3.

[15]     Voor wat volgt, zie Luhmann, op. cit. (noot 6), en vooral het tweede deel (Politik) van Niklas Luhmann, Soziologische Aufklärung 4. Beiträge zur funktionalen Differenzierung der Gesellschaft, Opladen, Westdeutscher Verlag, 1987. Een uitstekende samenvatting van Luhmanns politieke sociologie bieden Michael King & Chris Thornhill, Niklas Luhmann’s Theory of Politics and Law, New York, Palgrave, 2003. Voor kritische kanttekeningen, zie Kai-Uwe Hellmann & Rainer Schmalz-Bruns (red.), Theorie der Politik. Niklas Luhmanns politische Soziologie, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 2002.

[16]     Dat de figuur van ‘de gewone mens’ een eigenstandige vorm van politiek populisme vormt, betoogt ook Jan Blommaert, Populisme als spreekregiem, in Jan Blommaert e.a. (red.), Populisme, Berchem, EPO, 2004.

 

Illustratie

Rem Koolhaas, EU-tentoonstelling, Brussel, oktober 2004, fotograaf: Thierry Monasse, © BELGA/AFP