Gijs van Oenen

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ideologisch tekort,

Over de tentoonstelling Populism

Met een venijnig en luidkeels “Nee!” keerde bijna tweederde van het Nederlandse volk zich op 1 juni 2005 tegen – ja, tegen wat eigenlijk? Tegen Europa, tegen de Europese grondwet, tegen de Nederlandse regering, tegen de politici? Tegen de globalisering, tegen de vermarkting? Tegen het verval van de openbare ruimte? Tegen de kloof tussen private welvaart en publieke armoede? Het volk heeft gesproken – maar wat het eigenlijk heeft gezegd, weten we niet. Erger nog, we moeten vermoeden dat het volk het zelf ook niet weet. Het uit zijn onbehagen, zijn frustratie, zijn verzet – dat wel, maar tegen wat of tegen wie?

Uitgerekend op dit moment vindt in het Stedelijk Museum van Amsterdam (tijdelijk gehuisvest in een oud gebouw van de posterijen, vlakbij het Centraal Station) het project Populism plaats. De verbindende gedachte in deze tentoonstelling, die ongeveer tegelijkertijd in andere versies te zien is in Frankfurt, Oslo en Vilnius, is dat het aloude fenomeen van het populisme een nieuwe relevantie heeft gekregen, in kunst, cultuur en politiek. Het kunstproject “bakent concrete en imaginaire plekken af voor ervaring, reflectie en discussie in verband met een hedendaags verschijnsel dat even complex als wijdverspreid is”, schrijven curatoren Lars Bang Larsen, Cristina Ricupero en Nicolaus Schafhausen in de begeleidende ‘krant’ The Populist.

Deze eenmalige ‘volks’kranteditie is gedrukt op tabloidformaat en dat is niet zonder betekenis. Bijna alle serieuze Nederlandse kranten overwegen om op dit formaat over te schakelen. Het is modern, toegankelijk, gemakkelijk, en nog zo wat, zo zeggen de redacties en vooral de uitgevers. Misschien is dat zo, maar de lezers zelf hebben er niet om gevraagd; zij hadden geen problemen met hun oude krant. De drijvende kracht achter de tabloidisering is een financieel-economisch imperatief: de adverteerders en papierleveranciers willen het, en (dus) de analisten en de raden van bestuur. Niet het volk, maar de systeemlogica wil een ‘volkse’ krant. Hoe dan ook dringt zich de associatie op met riooljournalistiek, het platte Britse tabloidpopulisme van naakte vrouwen, goedkope aanbiedingen en ranzige onthullingen.

Maar zoals het citaat van de curatoren al aangeeft, treffen we in Populism geen ‘volks’kunst aan, geen populistische kunst voor of van de massa’s. De kunstenaars reflecteren op “de populistische sentimenten en ideologieën van onze tijd”. Daarbij staat voorop dat het populisme even ongrijpbaar als onuitroeibaar is, een inzicht dat de curatoren ontlenen aan het werk van de Argentijns-Britse filosoof Ernesto Laclau. Het volk, zegt Laclau, is eigenlijk altijd het uitgesloten deel van het volk. Het is dus een eeuwig pars pro toto. ‘Het volk’ is een geuzennaam, gebruikt om aan te geven dat iedere natie of gemeenschap mede geconstitueerd wordt door wat zij uitsluit, en in zekere zin is dat altijd ‘de gewone man’ of ‘het lagere volk’. Men zou kunnen denken dat het succes van het project van participatie en emancipatie van de jaren zestig en zeventig hieraan een einde had gemaakt. Maar het tegenovergestelde blijkt het geval. Natuurlijk zijn inmiddels grote groepen geëmancipeerd, maar mondigheid en assertiviteit blijkt niet afhankelijkheid, verongelijktheid en afgunst uit de wereld te hebben geholpen. Zulk onbehagen is gewoon blijven bestaan, op wat voor gronden dan ook, van persoonlijke of publieke aard. De wijze waarop die gevoelens worden gearticuleerd is echter wel veranderd. Het volkse onbehagen is nu integraal onderdeel geworden van het politieke discours. “Eindelijk mogen we zeggen wat we willen”, zo klonk het na de ‘Fortuynrevolutie’ in Nederland.

Dat heeft ook te maken met de nieuwe samenstelling van het volk, of beter gezegd, met de nieuwe afwezigheid van een duidelijke samenstelling. Het uitgesloten, ‘officieuze’ deel van het volk bestaat nu niet meer uit de traditionele arbeiders- of volksklasse, maar kent voor een belangrijk deel een ‘multicultureel supplement’: een diffuus maar bedreigend amalgaam van allochtonen, immigranten, asielzoekers, moslims, Oost- en Centraal-Europeanen, en voormalig rijksgenoten (het Nederlandse eufemisme voor mensen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst). Als ze werken, pikken ze onze banen in. Als ze niet werken, parasiteren ze op onze uitkeringen. En bovenal is er de dreiging die van de islam wordt ervaren: een ongereconstrueerde, in vreemde talen beleden godsdienst die familieleven en culturele ervaring in een beklemmend keurslijf lijkt te dwingen en daarmee werkelijke integratie generaties lang lijkt te blokkeren – het “multiculturele drama”, zoals de publicist Paul Scheffer dit in een geruchtmakend artikel in NRC Handelsblad van 29 januari 2000 noemde.

In de Populism reader, een andere publicatie die bij de tentoonstelling is verschenen, wordt stevig – soms wel erg stevig – getheoretiseerd over aard en achtergronden van het populisme. Met zowel filosofisch als politiek zwaar aangezette stukken probeert een twintigtal auteurs, afkomstig uit meer dan tien verschillende landen, de moderne bestaanscondities van het populisme te doorgronden. In veel van de theoretische perspectieven kan ik mij als politiek filosoof wel vinden: het is een mix van, ik noem maar een aantal namen, Bourdieu, Agamben, Negri, Laclau, Mouffe, Naomi Klein, Lyotard, Zizek, en de good old Frankfurter Schule.

Wat mij wel treft, al ben ik zelf politiek filosoof van beroep, is de strengheid van al dit proza: meedogenloos, en vooral ook humorloos, beuken de meeste auteurs met hun theorieën en analyses op de lezer in. Ik kreeg het gevoel dat ik was teruggekeerd naar de jaren zeventig, of begin jaren tachtig, toen linkse praktijken van protest en verzet steevast vergezeld gingen van dichtbetypte, gestencilde vellen vol theoretische inzichten die de linkse lezer moest verteren, op straffe van een knagend schuldgevoel onvoldoende geëngageerd of geïnformeerd te zijn. Wat ongemakkelijk realiseer ik mij dat ik zulke zware kost tegenwoordig vooral nog associeer met moslimfundamentalisme, bijvoorbeeld de retorica in de brief die Mohammed B. na zijn moordaanslag achterliet op het ontzielde lichaam van Theo van Gogh. Het is een ongemakkelijke taal die de lezer vooral wil straffen, waarin constant een verwijt op de loer ligt: Weet jij wel hoe ernstig de zaken zijn? Ben jij wel recht genoeg in de leer? En nog wel bereid je voor de goede zaak op te offeren? Neem in ieder geval je dagelijkse dosis theorie in!

Dat wil niet zeggen dat er geen goede en lezenswaardige stukken in de bundel staan. Pierre-André Taguieff bijvoorbeeld, onderzoeksleider aan de Parijse CNRS, geeft een goede karakterisering van het populisme, gekoppeld aan een korte beschouwing over vormen van populisme in Frankrijk en in Europa. Heel kort gezegd betekent populisme dat men het openlijk opneemt voor het volk, tegen de elite. Belangrijk daarbij is het wegvallen van bemiddeling en van een programmatische dimensie. Het volk voelt zich direct vertegenwoordigd; het wil wat de leider wil. Of eigenlijk weet het niet wat het wil, maar als de leider spreekt herkent men zich in zijn woorden (en vooral natuurlijk in zijn rancune en verontwaardiging). “Pim zegt wat ik denk”, zoals volgelingen van Pim Fortuyn in Nederland plachten te zeggen. In het populisme bestaat dan ook een voortdurende oscillatie tussen hyperdemocratische aanspraken (‘luisteren naar het volk’) en antidemocratische verlangens naar autoritair en charismatisch leiderschap, zoals Taguieff ook vaststelt.

De belangrijkste rode draad in de bundel – en ook dat herinnert aan de jaren zeventig en tachtig – is waarschijnlijk de kritiek op het kapitalisme, zij het dat deze kritiek nu meer vanuit een soort algemeen wantrouwen tegen ‘de macht’ en ‘het systeem’ wordt verwoord dan vanuit een klassieke marxistische overtuiging. Ook zit er een duidelijke ondertoon van anti- en andersglobalistische kritiek in de meeste analyses. Misschien is het ‘objet de resistance’ nog wel het beste te vatten in de beroemde frase van Eisenhower: ‘het militair-industrieel complex’, een term die herwaardering verdient.

De drie curatoren schrijven dat ze het project Populism een gevoel van urgentie willen laten uitstralen. Dat gevoel straalt zeker uit de thematiek, die zoals gezegd hoogst actueel is. De vraag is wel of die urgentie zich ook kan vertalen in alternatieve vormen van engagement, deliberatie en representatie, vanuit kunstzinnig of academisch perspectief. In de bundel zijn die niet makkelijk te vinden. In de theorie in zijn geheel overigens ook niet: voorzover er al sprake is van een ‘nieuw engagement’, zit het nieuwe vooral ook in de afwezigheid van een duurzame, op overtuiging of loyaliteit gebaseerde affiniteit.

De hedendaagse ‘modus’ van engagement is goed getroffen door de Amsterdamse filosofe Karen Vintges, in haar boek De terugkeer van het engagement uit 2003. Aansluitend bij Foucault, behelst de ethiek van het praktisch engagement voor haar “een pleidooi voor een levenswijze die autonomer is dan de gangbare levenswijze van de moderne mens” (pp. 59), respectievelijk een “goede omgang met de medemens die tot stand komt in een creatief proces zonder toepassing van vaste regels of wetten” (pp. 64). We kunnen hier ook denken aan Foucaults verlangen om “niet zodanig geregeerd te worden”. De karakterisering van het hedendaagse engagement blijkt dus tevens de filosofische verwoording te zijn van een even vage als wijdverbreide afkeer van ‘het systeem’. Die afkeer is slechts toegenomen, omdat de privatisering van allerlei overheidsfuncties niet het verhoopte gevoel van vrijheid heeft verschaft. De moderne burgers hebben eerder het gevoel dat ze nog verder verdwaald zijn in een doolhof van keuzemogelijkheden, die allemaal een onoverzienbaar complex aan voor- en nadelen met zich meebrengen. Hoe meer men zichzelf als vrije-marktactor denkt te kunnen bepalen – wat de Amerikaanse econoom Robert Lane in zijn gelijknamige boek uit 1990 de market experience noemt – hoe meer men overgeleverd raakt aan het labyrint van krachten en regels dat het maatschappelijk leven bepaalt.

In thematisch opzicht lijkt ook de tentoonstelling vooral geïnspireerd door een diffuse afkeer van ‘het systeem’, in zijn kapitalistische of imperialistische vorm. Er heerst een onbehagen met grootschaligheid, met grootmachten en massamedia, eigenlijk met alle vormen van ‘bestuur’ of ‘beheer’ van de hedendaagse massa’s. Daar wordt geen ‘levenskunst’ of ‘vrijheidspraktijk’ à la Foucault tegenovergesteld, en mijns inziens terecht. Die wending is te esthetiserend en te individualistisch – hoezeer Karen Vintges ook probeert om ons in De terugkeer van het engagement op andere gedachten te brengen. In hegeliaanse termen bevat deze oplossing te weinig “zedelijkheid”. En vooruit, zij getuigt – in de termen van would-be communitarians als de Nederlandse premier Jan Peter Balkenende – van te weinig gemeenschapszin.

Dit laatste punt komt in de tentoonstelling aan bod in het werk Urban Islands van Susanne Jirkuff (Wenen), die met tekeningen en uitgeknipte citaten van moderne denkers de hedendaagse stadsontwikkeling kritisch belicht, in het bijzonder de functie van de openbare ruimte en de neiging zich terug te trekken in de intimiteit. De huidige gemeenschap is meer “collective being” dan “collective acting”, zoals een van de citaten luidt, afkomstig van het bekende boek The Fall of Public Man van de socioloog Richard Sennett .

Verder zien we in Populism onder meer werk dat aansluit bij een traditionele modernismekritiek of bij een cruciale ervaring van de moderniteit: de nimmer ophoudende acceleratie van het moderne leven en de nimmer eindigende onenigheid over de rechtvaardigheid van het geheel. Voorbij komen onbehagen over de situatie van asielzoekers (Sugar Seekers van Mauricio Dias en Walter Riedweg, respectievelijk Brazilië en Zwitserland), een grimmige politiecel met geboeide arrestanten en geharde agenten (Strictu van Cildo Meireles, Brazilië) en managers die ‘filosoferen’ over rechtvaardigheid in de arbeidsverhoudingen (Economisch primaat van Julika Rudelius, Nederland). Een soort omgekeerd, ‘kaltgestellt’ filosoferen over arbeidsverhoudingen vinden we terug in de video Reading Capital van Milica Tomic (Wenen), waarin vooraanstaande burgers van het stadje San Antonio, Texas, om beurten frasen uit Das Kapital voorlezen. Dit degelijke, revolutionaire proza krijgt hierdoor de neutraliteit en nietszeggendheid van een gemiddelde nieuwsuitzending opgedrukt.

Onder imperialismekritiek horen diverse creatieve vormen van Bush-bashing thuis: voorbeelden zijn Danes for Bush van Jakob Boeskov (Denemarken) en Memory Bucket van Jeremy Deller (Londen). Natuurlijk duiken ook de massa’s herhaaldelijk op, al dan niet in weerzin
wekkende vorm. Er is de culturele, massale recreatie, zoals de Gay Pride, die het onderwerp vormt van de foto’s van Otto Snoek (Krimpen aan den IJssel, Nederland), of er is, nog wat intenser gemedieerd, het videowerk Los Angeles van Sarah Morris (New York, Londen), waarin we de hypermoderne, overgemedieerde publieke ruimte zien die in steden als Los Angeles voortwoekert: VIP’s bij een première in een stortvloed van flitslicht en nietszeggende citaten, en een immens basketbalstadion met Jack Nicholson vooraan op de tribune. Even vervreemdend maar bedreigender is de grootsteedse straathangjeugd uit Halle, Marseille of Bristol, die Tobias Zielony (Leipzig) in beeld brengt, met de bekende sportmerkkleding, petjes en dreigende notice me but don’t notice me uitstraling. En de satirische provocaties van het Estlandse Esto TV, dat
‘interactief’ gebeurtenissen verslaat én beïnvloedt – eigenlijk opereren de provocateurs als ‘stillen’ die in demonstraties meelopen ter ‘bewaking’ maar tegelijk de gemoederen ophitsen en ‘ongeregeldheden’ uitlokken. Verzet is er natuurlijk ook – de volksmassa komen in opstand tegen het ‘gouvernement’. Resistance van Mindaugas Lukosaitis (Vilnius), een beklemmende verzameling inkttekeningen op papier, symboliseert een hyperheroïsch verzet van het Litouwse volk tegen het ‘socialistisch realisme’. Elders: lange fotowanden van Willem de Rooij (Amsterdam) onder de titel Index: Riots, protest, mourning, and commemoration, waarop extase, woede, frustratie en hoop van demonstrerende volksmassa’s dicht opeen zijn gepakt. De meest verscheiden groepen vragen om wat zij voor gerechtigheid houden: anti-ETA demonstranten in Spanje (“¡ETA no! Paz”), het traditionele “Yankees go home!”, onbestemde uitingen als “Revenge” en “Nuke em!”, Chinese vrouwen (!) in Rotterdam die zich keren tegen “Rotterdam criminele hoofdstad 2001”, Latijns-Amerikaanse volksmassa’s met spandoeken voor “¡Justicia!”, bescheiden “We proud to be muslim” vrouwen en ten slotte jeugdige wannabee-martelaren met “Osama is our herrow” borden.

Twee bijdragen vielen mij speciaal op. Ten eerste Déjà vu van Matthieu Laurette, een kunstenaar die de instantbeloften van de nieuwe media en van ons consumentenparadijs letterlijk neemt. Hij bestrijdt die systemen met hun eigen wapens. Zijn performances gebruikt hij om Bekende Fransman te zijn, en zijn BF-schap benut hij dan weer in zijn performances. Daarnaast is hij als consument heel strikt in de leer. Fabrikanten van consumptiegoederen beloven immer dat ze de laatste imperfectie van hun producten hebben weggewerkt, dat ze het ontbrekende hebben aangevuld, dat ze meer geven voor minder geld enzovoort. Laurette neemt zulke fabrikanten op hun woord en maakt zo hun ‘ideologie’ belachelijk, volgens Slavoj Zizek in Het subject en zijn onbehagen de beste manier om ideologieën te ontmaskeren. Het creëren van afstand, de stelling dat ‘achter het ideologische masker een menselijke persoon schuilt’, is volgens hem geen de-ideologisering, maar precies de vorm van de ideologie (p. 90). De ware ideoloog wijst daarom altijd subtiel op het onvermijdelijke verschil tussen de werkelijkheid die hij creëert en het geloof dat hij propageert – en natuurlijk op de inspanningen die gevergd zullen worden om deze kloof alsnog te overbruggen. Veins een rotsvast geloof dat dit ook werkelijk zal gaan gebeuren, en de meest dogmatische ideologen zullen ongemakkelijk terugkrabbelen: “Zó bedoelden we het nu ook weer niet.”

Anders gezegd: in de uitnodiging om actief in een systeem te participeren en zo je geloof daarin uit te drukken, schuilt altijd enige mate van bad faith. Het systeem móet beloften doen die het niet helemaal kan en wil waarmaken. Het vraagt ons kritisch-constructief erin te geloven; doen we dat netjes dan zijn we ‘coproducenten van beleid’, zoals de bestuurskundigen zeggen. Maar geloven we niet in de geest maar in de letter van het systeem, juist in de kleine lettertjes dus, dan begint het systeem krakend te protesteren.

Een typerend voorbeeld is het conflict van de laatste jaren in Nederland over uitingsvrijheid, dat hevig oplaaide naar aanleiding van de brute moorden op Pim Fortuyn, Theo van Gogh en (iets minder gemediatiseerd) de Haagse leraar Hans van Wieren. Liberale scherpslijpers zeggen: in beginsel moeten mensen alles kunnen zeggen wat ze willen, en als dat je niet bevalt, ga je maar naar de rechter. Dat klinkt flink, maar natuurlijk is het geen werkelijke uitnodiging om massaal naar de rechter te tuigen wanneer we ons beledigd voelen. Dat zou het toch al overvraagde rechtssysteem niet kunnen verdragen. Ironisch genoeg is ook Volkert van der Graaf, veroordeeld voor de moord op Fortuyn, een case in point. Hij bezorgde jarenlang boeren en justitie-ambtenaren hoofdpijn en overuren door om de haverklap bestuursrechtelijke procedures aan te spannen tegen vermeende misstanden rondom milieuvergunningen en andere ruimtelijkeordeningskwesties. Vaak kreeg hij van de rechter gelijk, maar toch werd hij door de betrokkenen veelal aangemerkt als onruststoker, lastpost en querulant.

Het tweede werk dat mij opviel was Martin Le Chevalliers Safe Society. Dat bestaat eigenlijk alleen uit een voice-over, ondersteund door wat beelden op een kleine monitor – voice-over in de meest letterlijke zin dus. Het quasi-geruststellende van de voice-over – er is een instantie, ergens, die de zaak overziet en in staat is ons van commentaar te voorzien (wie zou tegenwoordig nog naar een voetbalwedstrijd op tv kijken zonder ‘commentaar’?) – wordt hier karikaturaal gebruikt om de beloften van ‘veiligheid’ bij ons aan te prijzen, als ware het een wasmiddel dat schoner wast dan schoon. Safe Society spiegelt een wereld voor waarin “war is surgical, weapons are non-lethal, fire is friendly, capital is risk-free and sex is safe”. Dit bracht mij Zizeks tirade in herinnering tegen koffie zonder cafeïne, sterke drank zonder alcohol en junkfood zonder vet. Of Hans Boutelliers beeld van het bungeejumpen als extase van de ‘veiligheidsutopie’: als nietzscheaanse Übermensch de afgrond trotseren, maar wel met een T.N.O-getest elastiek om je benen. Net zo zegt Le Chevallier: sorry mensen, hoeveel jullie ook over hebben voor ‘veiligheid’ en ‘gezondheid’, arbeid zal altijd vervreemdend blijven, uitbuiting zonder schuldgevoel bestaat niet, net zomin als voedsel dat louter gezond is of een oorlog die louter bevrijdend is.

In zekere zin doet Le Chevallier hiermee hetzelfde als Laurette: laten zien dat het systeem ons oproept tot participatie en tot geloof, maar dat het protesteert wanneer men het aan zijn beloften wil houden. Het verwacht van ons dat we ons ongeloof ‘opschorten’. Uit de culturele antropologie kennen we de mutual suspension of disbelief: het onuitgesproken wederzijds niet doorvragen om verdere interactie mogelijk te maken. Het systeem vraagt ons echter om een eenzijdige opschorting. We moeten ons interactief blijven opstellen, maar onze scepsis over de beloofde resultaten moeten we liefst voor ons houden.

Misschien is dat het kernprobleem van het hedendaagse populisme: wij geloven meer dan ooit in het systeem, in de wijze waarop wij worden geregeerd door de heersende machten van politiek of kapitalisme, terwijl het systeem instantbevrediging belooft, maar – als puntje bij paaltje komt – om opschorting daarvan verzoekt. Dat is niet louter een kwestie van sinistere manipulatie door het systeem, door een concrete samenzwering van ‘topmannen’ of door anonieme ongrijpbare machten. Natuurlijk zitten die aan de ‘goede kant’ van het systeem. Maar tegelijk is het zo dat de massa’s willen geloven in het systeem. En zelfs zo dat het systeem zijn beloften wel zou willen waarmaken.

Dat was ooit de inzet van de interactiviteit: het politieke heil zou dan eindelijk gerealiseerd kunnen worden, dankzij de participatie van de burger in het beleidsproces. Net zo is er het interactieve kunstwerk, dat in en door de participatie van de bezoeker wordt gerealiseerd. Door gewenning aan participatie, gekoppeld aan de voortdurende opschorting van de inlossing van de interactieve belofte, is de interactiviteit omgeslagen in ‘interpassiviteit’: de participatiemachine draait nog op volle toeren, maar de ‘input’ van de burger is eigenlijk overbodig geworden omdat het proces inmiddels zijn eigen input kan genereren en in een oneindige cyclus van bijstelling en finetuning terecht is gekomen. Dat leidt bij burgers tot een fascinatie met deze proceskant van de politiek, gepaard aan relatieve onverschilligheid ten aanzien van de uitkomsten (zie hierover verder mijn artikel in Cahier Open). Dat is immers ook de klacht die we al jaren horen van burger, bestuurder en ambtenaar: er komt alsmaar nieuw beleid, voordat we de uitkomsten van het vorige beleid kunnen vaststellen. En inderdaad, dat moment van vaststelling komt nooit, omdat immer sneller nieuw en krachtiger beleid gewenst wordt. Tijd en geduld om te wachten op de resultaten is er niet; we leven in een tijd van quick scan en interimmanagement.

De idee van interpassiviteit is natuurlijk een specifieke interpretatie van de vorm die populisme heden ten dage aanneemt. De gedachte van Populism – en van Laclau – dat de hedendaagse manifestaties van het populisme divers en ongrijpbaar zijn, wil ik niet zonder meer verwerpen, maar ik vind wel dat de tentoonstelling tekortschiet waar het gaat om het ‘-isme’ in het populisme. Allerlei vormen van populaire cultuur en van politieke betrokkenheid van ‘het volk’ passeren de revue, maar de specifieke, ideologische betekenis van het populisme als ‘isme’ komt niet goed naar voren. Nu is het meer een grabbelton van verbeeldingen van ‘het volk’ in de politieke cultuur geworden. Daarmee wordt, denk ik, de urgentie van populisme – misschien zelfs de dreiging daarvan – niet voldoende op waarde geschat.

 

Bibliografie

•          Hans Boutellier, De Veiligheidsutopie, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2002.

•          Michel Foucault, Que’ce-que la critique?, lezing voor de Société Française de Philosophie, postuum gepubliceerd. Ook in: David Ingram (red.), The Political, Oxford, Blackwell Publishing, 2002.

•          Robert Lane, The Market Experience, Cambridge, Cambridge University Press, 1990.

•          Gijs van Oenen, Interpassief veiligdom. Structurele transformatie van de publieke sfeer, in: Open – Cahier over kunst en het publieke domein, nr. 6, NAi Uitgevers/SKOR, Rotterdam, 2004, pp. 6-16.

•          Richard Sennett, The Fall of Public Man, New York, Faber & Faber, 1974.

•          Karen Vintges, De terugkeer van het engagement, Amsterdam, Boom, 2003.

•          Slavoj Zizek, The Plague of Fantasies, London/New York, Verso, 1997.

 

De tentoonstelling Populism vindt ongeveer simultaan plaats in het Contemporary Art Centre, Vilnius (8 april – 4 juni 2005), het National Museum of Art, Architecture and Design, Oslo (15 april – 4 september 2005), het Stedelijk Museum CS Amsterdam (30 april – 28 augustus 2005), de Frankfurter Kunstverein, Frankfurt (10 mei – 4 september 2005). De catalogus wordt verwacht in juni of juli 2005; The Populism Reader, een verzameling theoretische beschouwingen, werd uitgegeven bij Lukas & Sternberg, New York & Berlijn. Meer info op: www.populism2005.com.