Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Thomas Hirschhorn

Voor Anschool, zijn retrospectieve van de periode 1992-2004 in het Bonnefantenmuseum te Maastricht, transformeerde de Zwitserse kunstenaar Thomas Hirschhorn een volledige vleugelverdieping tot een school. In een achttal klaslokalen met bijpassend interieur van stoelen, banken en lezenaars installeerde hij een 15-tal werken, gaande van vroege installaties als Flying Boxes (1993) of Les Plaintifs, Les bêtes, les politiques (présentoir) (1995), tot een later werk als Hotel Democracy (2002). Centraal staat Pilatus Transformator (1997), een werk uit de collectie van het Bonnefanten. De werken staan niet netjes naast elkaar. Hirschhorns typische, vreemdsoortige constructies en geassembleerde installaties uit goedkoop wegwerpmateriaal zoals karton, plastic, tape en zilverpapier, rijkelijk beplakt met beeld- en tekstfragmenten en aangevuld met allerhande getransformeerde objecten, video’s, stencils en brieven, vormen samen een ronduit indrukwekkende, ruimtevullende collage. Verder worden de verschillende ruimtes opgesierd met grote witte spandoeken, waarop in het zwart slogans en aforismen zijn gespoten. Hirschhorn is immers een kunstenaar van grote woorden. Tijdens interviews, in brieven naar curatoren of vrienden en in eigen teksten doet hij voortdurend uitspraken over zijn eigen positie en over de plaats van zijn werk binnen het artistieke, maatschappelijke en politieke bestel. Zo krijgen we bij het binnenkomen reeds te lezen dat “there is no ideal place for art, not in the museum, not in the gallery, not in the street, not in a collector’s home”, en verderop staat op de muren dat “I want to work with excess but with precision. I want to work in overcapacity” of “In art I am not for interactivity. I am for the activity of thinking”. Tot zijn bekendste motto’s behoren wellicht “Energy Yes. Quality No!” of “Less is Less. More is More.” Hirschhorn profileert zich als een artistiek activist die radicaal stelling neemt. Sinds hij voor Documenta 11 een monument voor de filosoof Georges Bataille realiseerde, in een buitenwijk van Kassel die hoofdzakelijk wordt bewoond door Turkse immigranten, wordt hij door velen aanzien als ‘politiek geëngageerd’. De Turkse omwonenden hielpen niet enkel met de opbouw, ze zorgden ook gedurende honderd dagen mee voor het bijhorende café, het radiostation en de bibliotheek. Op een spandoek lezen we niettemin: “I don’t make political art. I work politically. Working politically means working without cynicism, without negativity and without self-satisfying criticism.” Politiek is voor Hirschhorn geen thema maar een attitude. Toen hij, na zijn opleiding grafische vormgeving, voor het kunstenaarschap koos, was dat niet uit artistieke maar vooral uit politieke overwegingen. Vermits niemand op kunst zat te wachten, kon hij nu eindelijk ‘voor zichzelf’ werken. In een vroeg werk, Jemand kümmert sich um meine Arbeit uit 1992, thematiseerde Hirschhorn de maatschappelijke en vooral politieke implicaties van die keuze op een poignante en tegelijk hilarische wijze. Hij zette enkele collages, uitgevoerd op grote en kleine kartonnen dozen en pancartes, bij de vuilnis op de stoep van zijn Parijse appartement, om vervolgens vrolijk te registreren hoe de vuilnismannen alles meenamen.

Hirschhorn is echter niet zomaar een ‘politiek kunstenaar’. Zijn werk is niet te vergelijken met dat van Hans Haacke, Martha Rosler, Andrea Fraser of Fred Wilson. Deze kunstenaars komen uit de institutionele kritiek, maar de kritische benadering van het instituut is bij hen – en nog meer bij hun neoconceptuele epigonen van de late jaren ‘90 – uitgewaaierd tot een brede maatschappijkritiek. Fenomenen zoals oorlog, vluchtelingen, daklozen, armoede, werkloosheid of sociale uitsluiting worden ijverig in beeld gebracht en gedocumenteerd – lees: op video opgenomen. Marcel Broodthaers sprak al in 1974 met de nodige scepsis over kunst met een politieke missie. Kunst die ‘werkelijk’ politiek denkt te zijn, maakt zichzelf iets wijs, aldus Broodthaers. Ze kan immers slechts opereren bij de gratie van het instituut. Hirschhorn deelt deze opvatting. Hij heeft zich steeds gedistantieerd van de institutionele kritiek en de ‘politiek-correcte kunst’ in het bijzonder. Deze laatste karakteriseerde hij ooit als een “angstige en kleingeestige uitvinding van Amerikanen om Europese kunstenaars ervan te weerhouden zich met de werkelijke vragen van de kunst bezig te houden”. In het begin van de jaren ‘90, wanneer Hirschhorn als kunstenaar van start gaat, wordt het hedendaagse kunstdiscours beheerst door de Noord-Amerikaanse kunstkritiek en kunsttheorie, die zweert bij Critical Theory en Marcel Broodthaers als een ijkpunt beschouwt. Hirschhorn verzet zich tegen hun enge onverbiddelijkheid en ijvert voor een kunst die opnieuw voorbij het correcte gaat. In die zin is het verwonderlijk dat uitgerekend Benjamin Buchloh, notoir hardliner van de Noord-Amerikaanse kritische school, het hoofdessay schreef in de bij Phaidon uitgegeven monografie over Hirschhorn. Buchloh karakteriseert het werk van Hirschhorn, zoals te verwachten en te voorzien, op militante toon als een “genadeloze afrekening” met de sculpturale tradities van de laatste decennia. Maar de vele dubbelzinnige, tegenstrijdige, perverse, hysterische en manische aspecten van Hirschhorns exuberante installaties passen niet in dat rimpelloze plaatje – en juist die aspecten maken het werk boeiend. Politieke thema’s worden bij Hirschhorn niet systematisch behandeld, en al zeker niet verpakt in pseudo-sociologie en -antropologie, maar op een consequente en radicaal-esthetische manier ‘verwerkt’. Zijn belangrijkste kritische strategie is – vanuit zijn opleiding als vormgever – de collage, zoals die door historische avant-gardisten als Heartfield, Rodchenko, Schwitters of Klutsis werd ontwikkeld. Zelf vermijdt hij het begrip installatie; hij noemt zijn werken displays of ‘uitstallingen’ van beeld en tekst. Het zijn verruimtelijkte collages. De tentoonstelling Anschool laat mooi zien hoe Hirschhorn eerst collages op een tafel of tegen een wand presenteert,  met vlakke objecten naast elkaar (zoals in Wall Display, Rosa Tombola, Saisie, Layout uit 1994), om ze later uit het beeldvlak los te maken en in de ruimte te ‘verlengen’ met ‘snoeren’ aluminiumfolie (Time to Go uit 1997). Dit proces zet zich door tot de collages de hele tentoonstellingsruimte in beslag nemen. Het resultaat dient zich aan als een buitensporig woekerend fanzine waarin vrijelijk met beeld en tekst wordt geknipt en geplakt. Deze werken identificeren zich op een uitzinnige manier met hun materiaal, om het tegelijk schaamteloos terug ‘uit te stallen’. Wanneer Hirschhorn zijn ‘helden’ adoreert in kiosken (gewijd aan figuren als Meret Oppenheim of Fernand Léger), altaren (voor onder meer Mondriaan of Raymond Carver) of monumenten (voor de filosofen Deleuze, Spinoza en Bataille) is de vraag niet of hij ‘iets doet’ met werk, leven of betekenis van deze figuren. Hij maakt geen werk ‘over’ hun oeuvres en theorieën, maar vertrekt van een persoonlijke fascinatie. Op een spandoek legt hij uit dat “as an artist I had to make theory confront with practice”. Die keuze voor een radicale confrontatie pleit voor Hirschhorn, en maakt dat men hem de hysterische en idiosyncratische aspecten van zijn werk vergeeft.

Hirschhorn gebruikt de kunst niet als een vrijgeleide om aan ondermaatse, vermomde theorie te doen (of vice versa), maar eerder als een kritisch instrument om de toepasbaarheid van theorieën te testen. De notie van het rhizoom, waar veel recente kunst mee koketteert, laat hij op zijn formele en conceptuele beperkingen botsen. In Anschool verschijnt zijn oeuvre niet als een oneindig vertakt (‘rhizomatisch’) organisme, maar als een praktijk die wijdvertakte reflecties in concrete en esthetisch precieze resultaten laat uitmonden. De metafoor van de school is uiterst toepasselijk – en tegelijk is Hirschhorn niet zomaar didactisch en belerend. Zijn werk creëert een plaats van formeel én intellectueel experiment, een plaats waar gedurig gewerkt wordt op de vele betekenissen, fenomenen, overtuigingen en ideeën die vandaag circuleren. Het intensieve ‘werk’ dat dit vergt, weet Hirschhorn telkens opnieuw te verbeelden én uit te stallen.

 

• Anschool van Thomas Hirschhorn, tot 11 september in het Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, 6201 BS Maastricht (043/329.01.10; www.bonnefanten.nl).