Jeroen Peeters

DE WITTE RAAF

Editie 116 juli-augustus 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Vertikaler Horizont

Aan de hand van het begrip horizon onderneemt de Duitse filosofe Stefanie Wenner (Zentrum für Literaturforschung Berlin en Diskursive Poliklinik) een discursieve zoektocht naar de “transparantie van het klaarblijkelijke”, naar het geheim van de waarneming, die betekenis verleent aan onze wereld en ons tegelijk ontsnapt. Vertikaler Horizont is een bewerking van Wenners doctoraat tot een leesbaar boek, al heeft het resultaat nog academische trekjes: Wenner citeert, parafraseert en reproduceert kennis aan een stuk door, om slechts spaarzaam eigen ideeën te formuleren.

Centraal staat een lezing van Maurice Merleau-Ponty’s fenomenologie, in het bijzonder van het onafgewerkte Le Visible et l’invisible (1959-60). Die tekst situeert Wenner in een wijsgerige traditie, en omkadert ze met een antropologische analyse van de cartografie en het centraalperspectief in de Renaissance. Wat betekent de disciplinering van het kijken voor onze relatie tot de wereld? In dit verband valt overigens op dat Wenners biografie eenzijdig Duitstalig is, waardoor het paradigma van de visual studies volledig aan haar voorbijgaat, en zij dus niet tot een afweging komt van continentale en Angelsaksische opvattingen van visualiteit. De historische en lichamelijke inbedding van de waarneming blijft voornamelijk een abstracte, filosofische aangelegenheid.

Louis Marin schrijft dat ‘horizon’ aanvankelijk wees op de begrenzing van het blikveld, nadien op het landschap nabij deze grenslijn, in de 18de eeuw en de romantiek op de ontsluiting van de blik tot aan de einder, en uiteindelijk ook op de oneindigheid van de ruimte. En hij vervolgt: “Vreemd genoeg krijgt het woord ‘horizon’, dat oorspronkelijk een limiet aanduidde en dus het vermogen om een plaats te begrenzen, uiteindelijk de connotatie van ‘onmetelijkheid’, ‘oneindigheid’: dat geldt bijvoorbeeld voor de limietloze horizon op de oceaan.” (geciteerd in Wenner, p. 30)

Om die dubbelzinnigheid is het Wenner te doen: de horizon als een metafoor voor de condition humaine waarin een streven naar ontgrenzing en overschrijding centraal staat, maar die ook voortdurend leidt tot een besef van begrensdheid, eindigheid, gebondenheid aan een standpunt. In die zin is het lichaam, dat via de waarneming de wereld ontsluit en begrenst, onze horizont. “Een wereld zonder horizon is niet mogelijk. Het is pas de horizon die de verschijnselen tot eenheid samensluit.” (p. 29) Daarin schuilt ook een moment van oneindigheid: de horizon sticht weliswaar betekenis, maar is zelf niet in te halen, niet te achterhalen. De horizon is de oneindige rand van het zichtbare en tegelijk metafoor voor de menselijke onmogelijkheid deze oneindigheid waar te nemen. Wenner vat het als volgt samen: “Ten eerste wordt de horizon begrepen als achtergrond, als een grondverlenende context, waaruit betekenis überhaupt kan ontstaan. Ten tweede is de horizon een symbolische grens, die zichtbaar en onzichtbaar (hoorbaar/ongehoord; waarneembaar/onwaarneembaar) scheidt, en het verlangen voortbrengt.” (p. 33)

Wanneer komt de horizon in beeld? Met de ontdekkingsreizen en het bedwingen van de oceaan ontstond een nieuwe waarneming van oneindigheid, die bedreigend was omdat ze het wereldbeeld letterlijk omgooide. Wenner staat stil bij de panoptische blik van de cartografie en de ontwikkeling van het centraalperspectief in de schilderkunst, als technieken die een expansieve wereld opnieuw beheersbaar moesten maken. Ze stelt dat niet enkel het kijken daardoor op een nieuwe manier werd begrepen, maar vooral ook de verhouding tussen subject en wereld. Het vastleggen van de verhouding tussen de kijker en het bekekene was een reactie op de beweging van de ruimte. Zo ook gaat het ideaal van de schilderkunst als spiegel samen met het vestigen van een standpunt: het moderne subject als nieuw, vaststaand centrum van de wereld. Die ‘geometrisering’ tendeerde naar de productie van eenheid en eenduidigheid, en ging heimelijk uit van de transcendentie van de techniek en de ontkoppeling van lichaam en kijken.

De horizon als een verband dat eenheid en betekenis sticht, als een netwerk van verbindingen, voert ons naar Merleau-Ponty. In Le Visible et l’invisible theoretiseert hij de wederkerigheid tussen het zichtbare en de kijker: de wereld gaat ons vooraf en toch is ze er pas van zodra wij kijken. Die chiasmatische structuur van de waarneming verbindt Merleau-Ponty met een vorm van lichamelijke reflexiviteit, die zich in de Duitse fenomenologie laat vatten in de notie Leib (tegenover het objectieve Körper). Het lichaam is deel van het zichtbare, deel van de wereld, voorbij de traditionele scheiding van object en subject. Merleau-Ponty spreekt van het ‘vlees’ van de wereld, waarmee hij geen materie bedoelt, maar een soort textuur, een verband of scharnier. De horizon situeert zich hier in de verhouding tussen lichaam en ruimte: er schuilt onzichtbaarheid in het zichtbare, de lichamelijke mogelijkheidsvoorwaarden van het kijken verdwijnen op het moment van de waarneming, ze vormen een blinde vlek die nooit te achterhalen is. Overigens zag Merleau-Ponty in Cézanne een schilder die er via zijn kunst in slaagde het hardnekkige zwijgen van het zichtbare tot spreken te brengen, door te tonen hoe de zichtbare wereld gestructureerd is en hoe hij zelf deel uitmaakt van dat ‘vlees’.

Hoe recht doen aan de eigenzinnigheid van het lichaam en de weerbarstigheid der dingen zonder aan te sturen op essentialisering? Dat is nog steeds een slecht begrepen aspect van de late Merleau-Ponty. Wenner duidt het belang van afwezigheid, polymorfe gelijktijdigheid, potentialiteit en meerduidigheid, instabiliteit van het zijn, intersubjectiviteit en historiciteit in Merleau-Ponty’s begrip van het zichtbare via haar notie van verticale horizon. Verticaliteit staat voor de oprichting van het menselijke lichaam, maar verwijst ook naar de “verticale, wilde wereld” die door Merleau-Ponty wordt gedacht. De filosoof wilde een discursieve plek geven aan een prereflexieve wereld, voorafgaand aan culturele praktijken van waarneming, in het volle besef dat die wilde, onbemiddelde wereld nooit te achterhalen is. Het ruwe zijn is altijd al verloren, en wel noodzakelijk. Merleau-Ponty stelt eveneens dat de wereld niet elders is, maar hier en nu, toegankelijk via de wederkerigheid van de waarneming. De wilde wereld en de onzichtbare samenhang die betekenis verleent aan de waargenomen wereld zijn een en dezelfde. Het gaat Merleau-Ponty dus niet om een verborgen waarheid of essentie, wel om de fantasmatische structuur die in de waarneming schuilt en er reliëf in aanbrengt. “Een wereld beroofd van de dichtheid en diepte van de dingen, die zich slechts in de tweedimensionaliteit van beelden zou ontvouwen, is voor mensen ondraaglijk.” (p. 131)

De onvolkomenheid van de waarneming verleent betekenis aan ons menszijn, zo schrijft Wenner, waarmee ze ook de paradoxale maar fundamentele plaats van de horizon aangeeft, als de begrenzing die telkens de ontsluiting van de wereld mogelijk maakt. “Horizonthaftigkeit laat zich niet zonder lichaam denken, en deze lichamen ontsluiten de ruimte door cultureel verscheidene praktijken. De verticale horizont beschrijft de niet-bereikbare grens van het lichamelijke in-de-wereld-zijn.” (pp. 53-54) De vraag of die fenomenologische ruimteopvatting nog betekenisvol is in tijden van ruimtevaart, internet en virtualisering laat Wenner open.

 

• Stefanie Wenner, Vertikaler Horizont. Zur Transparenz des Offensichtlichen, verscheen in 2004 bij Diaphanes (Zürich/Berlin), Zwinglistrasse 24, 8004 Zürich (043/322.07.83; www.diaphanes.de). ISBN 3-935300-26-3.