Adolf Theobald

DE WITTE RAAF

Editie 117 september-oktober 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Moet televisie echt zo troosteloos zijn?

Adolf Theobald in gesprek met Alexander Kluge

Alexander Kluge produceert sinds 1987 zijn ‘vensterprogramma’s ’ op RTL en Sat.1, zonder zich door kijkcijfers of commerciële televisiezenders van de wijs te laten brengen. Adolf Theobald heeft hem voor Die Zeit geïnterviewd.

 

Adolf Theobald: Meneer Kluge, hoe slecht is de televisie in Duitsland eigenlijk?

Alexander Kluge: Ze kent goede en slechte tijden. Laten we eens een zaterdagavond bekijken, het doet er niet toe welke zaterdagavond, want de programmering verloopt ritmisch en ziet er altijd min of meer hetzelfde uit. De verschillen zijn incidenteel. In de bel-etage van de omroepen bestaat het programma uit mainstream. Dingen zoals de Grand Prix der guten Laune, Wetten, das...?, Big Brother. Sat.1 zet daar de populaire reeks Star Trek tegenover; het heeft dus geen eigen programma dat met de showblokken van de drie andere grote omroepen kan concurreren. In het souterrain van de omroepen lopen seksprogramma’s en films. Die kosten weliswaar niet veel, maar zijn geen serieus tegenwicht voor de grote omroepen. Om in de mainstream mee te zwemmen, hebben de kleintjes niet genoeg kijkers en dus ook niet genoeg geld. Hadden ze dat wel, dan zaten ze net zo goed aan de succesformules vastgekluisterd als hun grote broers. Het zou hun vergaan zoals de dinosauriërs: ze zouden van de toekomst afgesneden zijn.

A.T.: Moeten we er dan op hopen dat onze grote televisiemaatschappijen ooit hetzelfde lot ondergaan als de dinosaurussen?

A.K.: Nog niet. Maar er zijn veel mensen die de mainstreamprogramma’s niet meer bekijken.

A.T.: Hoeveel?

A.K.: Ik schat een vijfde van de bevolking – en dat is altijd nog meer dan het publiek van om het even welke omroep.

A.T.: Kan een omroep daarvan leven?

A.K.: Zeker. Spiegel TV, dat na 22 uur uitzendt, krijgt genoeg kijkers om dat programma te kunnen financieren. Als je meer dergelijke programma’s samenstelt en inzet op diversiteit, verover je een alternatieve meerderheid.

A.T.: Valt een alternatief voor de stortvloed aan entertainment eigenlijk wel te realiseren? 

A.K.: Niet met hetzelfde product. Op zaterdagavond romen de grote blockbusters een groot deel van het publiek af. En wat de kleinere zenders daar tegenover kunnen stellen, is niet sterk genoeg.

A.T.: En wat is het verschil in programmering tussen de openbare en de commerciële zenders? 

A.K.: Er is geen verschil. Laten we nog maar eens de zaterdagavond bekijken, de rust na de werkweek, de distraction. Dat is in Duitsland de traditie sinds de jaren dertig. Zelfs in de oorlog wilde elke soldaat in het fronttheater van zijn ontspannning kunnen genieten, zodat hij door de week weer zijn vijand kan neerschieten. Die traditie heeft zich ontwikkeld van het Derde Rijk over de DDR naar de huidige Mitteldeutsche Rundfunk, de regionale omroep voor de Oost-Duitse deelstaten Sachsen, Sachsen Anhalt en Thüringen. Met name de inwoners van Sachsen lijken een bijzonder talent te bezitten om zich op zaterdag te willen amuseren – wij noemden dat “het Leipzigprincipe”.

A.T.: Waar blijven de alternatieve programma’s? 

A.K.: Die vind je bij Arte, bij 3sat, bij Vox. En wel tegelijkertijd. Die programma’s houden overigens goed stand, want minderheden hebben een sterke drang om op zoek te gaan naar wat bij hen past.

A.T.: En zijn er ook kijkers voor? 

A.K.: Zeker. Je hebt twee soorten mensen. Er is een groep die zijn levensloop en zijn interesses als afgesloten beschouwt. Voor iets nieuws zijn ze niet meer te winnen. Een tweede groep is omvangrijker, maar wordt door de televisie niet bediend. Die mensen willen zich ook wel amuseren, maar als ze er hun tijd aan spenderen, willen ze er ook iets aan hebben; ze willen geen tijd verliezen maar juist tijd winnen. Ze beschouwen zichzelf als de producent van hun leven.

A.T.: En kun je die groepen tellen? 

A.K.: Beslist. Je kunt ze onderscheiden volgens het karaktertype. De tweede groep bestaat uit mensen die aan hun leven bouwen, die ambitieus zijn.

A.T.: Mensen met een universitaire opleiding, lezers van Die Zeit? 

A.K.: Ook. Maar vooral mensen uit het tweedekansonderwijs, het volwassenenonderwijs. Zij vinden het internet belangrijker dan tv. Je ziet hoe zich daar een nieuw soort ‘intellectuele beroepsvrijheid’ ontwikkelt, omdat op het internet iedereen tegelijk zender en ontvanger is.

A.T.: Hebben we wel een nieuwe diversiteit nodig? Er bestaat toch al heel veel?

A.K.: Maar niet voor de som van de minderheden. Televisie is iets kortademigs. Als een programma niet meteen sterke kijkcijfers haalt, staat het meteen als een flop te boek.

A.T.: In de mediabijlagen en de televisiebladen lees je over die ontwikkelingen niets. Er zijn steeds meer van die bladen, ze worden alsmaar dikker, nu en dan ook wel goedkoper, maar over wat zich in de toekomst aftekent, reppen ze met geen woord.

A.K.: In de evolutie wordt de ontwikkeling versneld door kleine organismen, niet door de grote. Het internet is het forum van de kleintjes. Vernieuwingen maken daar sneller een kans. Waarom is er bijvoorbeeld geen ‘nieuwsuitzending met muziek’ als alternatief voor de opera? Waarom is er geen ‘wetenschap met muziek’? Waarom heeft de meest creatieve uitvinding van de radio, het luisterspel, zich niet sterker uitgebreid? In de convergerende media, de media die interactie met de gebruiker/kijker toestaan, op het internet dus, worden al die dingen mogelijk.

A.T.: Wordt de televisie opnieuw uitgevonden? 

A.K.: Ik ben niet de enige die dat vindt: ook de chef van Der Spiegel, Stefan Aust, denkt dat. Aust is een televisieman van het eerste uur, hij heeft in een hok in Hamburg in zeven haasten Spiegel TV opgericht, met een klein opnametoestel en zonder dure personeelsbezetting. Zijn productietechniek heeft hij ontleend aan mensen zoals Fassbinder, in de tijd toen hij meewerkte aan films zoals Der Kandidat, Krieg und Frieden en Deutschland im Herbst. Daar komt zijn enthousiasme als televisiemaker vandaan. Ook vandaag nog hebben we meer te verwachten van nieuwkomers uit andere sectoren dan van geroutineerde televisiemakers.

A.T.: Met een schotelantenne op het dak kan ik 500 zenders ontvangen. Waar blijft dan nog ruimte voor iets nieuws?

A.K.: In die 500 programma’s zie je – weliswaar tot het uiterste verdund, maar toch nog op te sporen – wat je een hedendaagse pendant van Duizend-en-één-nacht zou kunnen noemen. Wat de toeschouwer verbluft, is de wisseling van perspectieven. In de tv-reportages uit andere continenten is de Duitse kanselier bijvoorbeeld iets bijkomstigs. Dat drukt ons met de neus op de plaats die we op de aardbol innemen. Wat wij belangrijk vinden, is dat voor anderen veel minder. In Brazilië is de ambachtelijke omgang met het televisiemedium, inclusief de visuele vindingrijkheid, dan weer superieur aan de onze. Of neem Manhattan: daar zit de lucht vol met televisiezenders waarvan we meestal nog nooit gehoord hebben. Daar kun je beleven wat verscheidenheid is, wat Babylon is. Het lef om op zoek te gaan naar iets nieuws wordt door die verscheidenheid nog vergroot.

A.T.: Ligt dat dan aan de televisiemakers of aan de kijkers?

A.K.: In Manhattan ligt het aan de vrijheid die je daar voelt. Die vrijheid is ontstaan uit noodzaak, omdat er zoveel minderheden en talen zijn, uit urbaniteit. Er zijn enorm veel tv-stations, en ze produceren stuk voor stuk 24 uur televisie per dag.

A.T.: Honderd arbeiders presteren meer in een uur dan een arbeider in honderd uur, wist Marx al. 

A.K.: Marx noemt dat de animal spirits. Het gaat erom dat je voeling met elkaar houdt. Mensen die zichzelf in een sociaal verband kunnen zien, ontwikkelen een sterk zelfbewustzijn. Wat je in Manhattan hebt, vind je eigenlijk overal ter wereld, in elke taal. In Manhattan heeft elke minderheid haar eigen televisiestation: Chinezen, Italianen, Puertoricanen, ook de hoogopgeleiden. Een veelstemmig koor dat alles produceert, van porno tot advanced studies.

A.T.: Staat dat ons ook te wachten?

A.K.: Later. Om de kiemen ervan ook bij ons op te merken, moet je je voorstelling van wat openbaarheid en tegenopenbaarheid zijn enigszins verruimen. Een voorbeeld. Voor mijn cultuurmagazines hebben we ook in Chicago gedraaid. We hebben daar wijken bezocht waar buitenstaanders of zelfs de politie geen stap durven te zetten. Je kunt zoiets alleen maar proberen onder begeleiding van een figuur die in de wijk bekend is, die de omgeving en de mensen kent. Elke week worden daar 400 vinylplaten geproduceerd, met de nieuwste techno. In principe is techno natuurlijk niets anders dan de 17de-eeuwse basso continuo. Van die 400 platen, vertelde een muziekkenner me, zijn er minstens acht die zo goed zijn dat een 21ste-eeuwse Mozart ze had kunnen componeren. Liefhebbers overal ter wereld bestellen ze, via het internet. Buiten het blikveld van de grote concerns ontstaat hier in een niemandsland een nieuwe markt, of in elk geval een soort ruilhandel.

A.T.: Waarom beseft de commercie dat niet? Is een concern als Bertelsmann in slaap gevallen? 

A.K.: Er bestaat een soort communicatieprobleem tussen die mensen, die zeer veel gevoel voor onafhankelijkheid bezitten, en een major company, met haar ingesleten manier van werken. Het gaat om de creativiteit, de zelfwerkzaamheid van mensen die hier digitaal hun kans grijpen en anderzijds coëxisteren met ouderwetse, robuuste dingen als buurtgemeenschappen en vinylplaten.

A.T.: En op het gebied van de televisie heb je zoiets nog niet? 

A.K.: Nog niet, nee. In Berlijn willen we nu een initiatief opzetten; we hebben een vergunningsaanvraag ingediend voor de zender 1 DE. Een metropolitaanse tv. Als we “Berlijn” zeggen, dan ligt het accent op een metropool, niet op de metropool. De televisiewereld bestaat uit 6000 zenders, en daar zit veel meer interessants bij dan we denken. En het is de internetgeneratie die zoiets voortbrengt en stimuleert. Die denken niet in termen van ARD of RTL, van Berlusconi TV of Canal Plus. Die denken weerbarstig en internationaal.

A.T.: Waarom is het internet daarvoor nodig?

A.K.: Omdat je daar makkelijker toegang krijgt. Zoals ik al zei: op het internet is iedereen zender en ontvanger. Dat zijn 20 miljoen zenders, tegenover een handvol programmaverantwoordelijken.

A.T.: Een wereld vol met individualisten? 

A.K.: Veel onbekende zenders tegenover een handvol grote zenders, die eigenlijk niets anders zijn dan hermetisch afgesloten getto’s, grote zenders van regionaal belang.

A.T.: Met uw zender wilt u auto’s bouwen, terwijl u de autowegen overlaat aan de concerns?

A.K.: De grote concerns zijn de gevangenen van hun succes. Ze kunnen hun programma’s niet veranderen zonder hun kijkers te verliezen. Ze moeten dus vasthouden aan wat ze ooit hebben bedacht, maar daardoor brengen ze wel hun succes op lange termijn in gevaar. Hun programma’s lijken te veel op elkaar.

A.T.: U hebt er toe bijgedragen dat de SPD makkelijker haar toestemming kon geven voor het duale systeem. Een deel van de CDU wilde het liefst alleen commerciële televisie, een deel van de SPD alleen een openbare omroep. Als u vandaag het resultaat ziet, hebt u dan de juiste keuze gemaakt? 

A.K.: Helmut Schmidt was er vast van overtuigd dat we geen commerciële televisie nodig hadden. Ten slotte hadden we een zeer gedegen openbaar systeem. De Duitse kijkers stonden loyaal tegenover ARD en ZDF, inclusief het Derde Programma; ze waren emotioneel voldaan. Daarnaast had je nog de operahuizen, de kerken, de pers, een traditionele openbaarheid die nog intact was. Waarschijnlijk had Schmidt nog lang aan dat standpunt vastgehouden, als conservatieve ministers-presidenten niet op het gevaar hadden gewezen dat Berlusconi ons allemaal onder de voet zou lopen. Ze praatten SPD-ministers-presidenten de angst aan voor een Europese overname, en tegen hun zin overtuigden die deelstaatchefs hun basis ervan dat een duaal systeem nodig was. Dat duale systeem kende nog checks and balances, die een mediaconcentratie moesten tegengaan. Tien jaar later werd die structuur op instigatie van de commerciële televisielobby uitgehold. Het nieuwe model ziet er zo uit: het marktaandeel van de openbare omroepen valt terug van 60 procent op 40 procent; en van het ‘duopolie’ van Bertelsmann en de KirchGruppe mag elk van de twee pijlers niet meer dan 30 procent van de kijkers bereiken, dus samen niet meer dan de nog beschikbare 60 procent. Dat noemt men het ‘marktaandeelmodel’.

A.T.: Ziet iemand erop toe dat ze zich aan die 30 procent houden? 

A.K.: Gedeeltelijk. De commissie tegen de mediaconcentratie, de Kommission zur Ermittlung der Konzentration im Medienbereich (KEK), heeft zonet een omvangrijk rapport gepubliceerd met als titel Fortschreitende Medienkonzentration im Zeichen der Konvergenz. Het rapport telt 456 pagina’s en is mee ondertekend door professor Ernst-Joachim Mestmäcker, die zich heeft geprofileerd als voorvechter van een zo groot mogelijk aantal privéinitiatieven in de media. Blijkbaar maakt Mestmäcker zich nu zorgen over een dreigende mediaconcentratie. Als je de doelgroep neemt die voor de commerciële tv-zenders relevant is, de 14- tot 49-jarigen, dan hebben zowel Bertelsmann als KirchGruppe nu al meer dan 30 procent marktaandeel. Alleen als je ook kinderen en grootouders meetelt, blijven ze elk onder 30 procent.

A.T.: Ik las ergens waarom ARD en ZDF zo vaak populaire volksmuziek brengen. Dat levert kijkcijfers op, maar dan wel bij een doelgroep die de commerciële zenders helemaal niet willen. Oudere kijkers laten de reclamemakers koud. 

A.K.: Hoewel dat ook consumenten zijn.

A.T.: Hoe ziet de mediaconcentratie in het buitenland eruit? 

A.K.: In de VS hebben ze een machtige wet tegen kartels. In Engeland bestaat een uitgebalanceerd systeem van commerciële zenders, BBC en Channel 4. In Italië regeert de pure macht, in de gedaante van Berlusconi.

A.T.: Die zou nog het liefst paus willen worden. 

A.K.: Hij begon met een imperium van televisieomroepen en breidde dat uit door een brede openbaarheid van kranten- en boekenuitgeverijen op te kopen. Dan nam hij ook de functie van minister-president over – een systeem zoals in het oude Rome.

A.T.: En hoe hebt u uw ‘vensters’ bij de grote televisiemaatschappijen in handen gekregen? 

A.K.: In de wet staat dat elke omroep die een marktaandeel van meer dan 10 procent heeft een klein deel van zijn programma, ‘vensters’ genoemd, moet afstaan aan onafhankelijke leveranciers. Voor die ‘vensterprogramma’s’ wordt om de drie jaar een openbare aanbesteding uitgeschreven. Er is ruimte voor drie tot vier kandidaten. Deze vensterprogramma’s moeten onder meer voor een instrument zorgen dat kan worden ingezet zodra Kirch en Bertelsmann elk meer dan 30 procent marktaandeel hebben. In onze rechtsorde kan men zoiets vermoedelijk alleen compenseren doordat men als tegenwicht voor meer onafhankelijke, alternatieve programma’s zorgt. Zoiets moet je voorbereiden. Mocht het ooit tot een crisis komen, dan zou niemand nog zulke vensterprogramma’s kunnen oprichten. Nu hebben de kijkers van de commerciële televisie op zijn minst een minimale keuzevrijheid.

A.T.: En nu wilt u in Berlijn iets opzetten, samen met illustere partners: Der Spiegel, Dentsu (het grootste reclameagentschap ter wereld, Kinowelt en uw eigen DCTP? 

A.K.: We hebben een aanvraag ingediend om in Berlijn een plaats op de kabel te krijgen. De beslissing daarover valt op 15 januari. [*]

A.T.: Een derde macht, een derde concern? 

A.K.: Voor een concern zijn we iets te klein uitgevallen. 1 DE zal de belangen verdedigen van degenen die ook op de televisie vertegenwoordigd willen en moeten zijn, naast de grote monolithische blokken. Daar hoort bijvoorbeeld Der Spiegel bij. Daar zouden ook kranten zoals de Frankfurter Allgemeine, de Süddeutsche en de Neue Zürcher Zeitung bij kunnen horen.

A.T.: Misschien ook wel een intelligent weekblad?

A.K.: Waarom niet? Vooral omdat Die Zeit de enige krant is die zich niet heeft aangesloten bij de royaltyachtige berichtgeving die op de mediapagina’s blijkbaar de norm is geworden. Voor de rest zijn alleen nog Herbert Riehl-Heyse en Klaus Ott van de Süddeutsche Zeitung als criticus actief. Terwijl het ook en vooral de openbare omroepen zijn die zo’n kritiek nodig hebben. Anders dreigen ze te imploderen, zoals de Oost-Europese planeconomieën dat hebben gedaan.

A.T.: En hoe staan de reclamemakers daar tegenover? Tenslotte financieren zij toch de commerciële stations? 

A.K.: Zij zijn niet zo blij met de macht die het duopolie heeft opgehoopt. Wat hun interesseert, is concurrentie. Tv-reclame wordt steeds internationaler. En wanneer die reclame het imago van grote ondernemingen zoals Deutsche Bank, Siemens, Brand-Thompson moet versterken, dan wordt een programmacontext die bij dat imago past steeds belangrijker. De reclamesector heeft op zijn reclame-eilandjes vuurtorens nodig. Zoals in de Middeleeuwen, toen je aan de torens en kerken al van ver kon zien dat je een machtige stad naderde. Ze hebben geen grijze programmabrij nodig, maar uitzonderlijke events.

A.T.: Wat zijn de plannen van uw derde macht met het internet? 

A.K.: U moet zich dat zo voorstellen. Onze derde macht, het Berlijnse model, is een content pool afgestemd op alle digitale en analoge elektronische media. De Berlijnse tak wordt een regionaal tv-kanaal, maar met metropolitaanse ambities. Daarbij komen Parijs, New York, Londen, Rome net zo goed in beeld als onze hoofdstad. Een ‘urbane’ televisie.

A.T.: En wie moet dat financieren? 

A.K.: We werken volgens het principe: de kosten passen zich aan de inkomsten aan.

A.T.: Aan de inkomstenzijde staan ook bij u alleen de reclame-inkomsten. Zal de reclame niet aan de kant blijven staan?

A.K.: Ze zal daar begrip voor opbrengen. Wie nieuwsberichten en actuele gebeurtenissen grondig aanpakt, die creëert voor de reclamemakers een context van ernst. Die vult perfect de permanente staat van opgewektheid aan die je op de commerciële omroepen aantreft. Het is de diversiteit die de mens in een staat van verwondering brengt, niet de monotonie.

A.T.: Waarom lijken de openbare omroepen dan steeds meer op de commerciële stations? Ze bieden tegen elkaar op met hetzelfde entertainmentaanbod.

A.K.: Mij is dat een raadsel. Vermoedelijk hangt het samen met de structuur van de ‘organisatie’. En met de schaal. Ook binnen de ARD leggen de kleinere organisaties meer zin voor initiatief aan de dag. Zoals Ovidius al zei: “Alles wat groot is, is ten dode opgeschreven.”

A.T.: Is dat het lot van alle grote structuren?

A.K.: Dat hoeft niet zo te zijn. In de onderzoekswereld slaagt men er steeds weer in om nieuwe krachten te stimuleren. Ook in de vrijemarkteconomie lukt dat. Maar gaat u op de Buchmesse eens kijken op de stand van de Hessische Rundfunk. Daar zie je een heleboel toestellen staan, maar er is niemand die er iets mee doet. Als je vandaag in een openbare televisieomroep de beroepsvrijheid zou proclameren en initiatieven van de medewerkers zou stimuleren, zou je een productiviteitsboom krijgen waarmee ARD en ZDF tientallen jaren voort zouden kunnen. Overigens zijn er bij Phoenix, Arte, de Derde Programma’s en 3sat genoeg voorbeelden die laten zien hoe je dat op een creatieve manier kunt doen.

A.T.: En waar loopt dat allemaal op uit?

A.K.: In de televisiewereld zelf leidt het op de duur tot een verarming. En vlak naast die televisiewereld ontstaat alweer iets nieuws. Terwijl de televisie toch het dominante medium van onze tijd is.

A.T.: Kunt u nog iets over het fenomeen van de kijkcijfers zeggen?

A.K.: Dat is een statistische vorm om zich te vergewissen van de actuele instemming van de kijkers. Als ze juist geïnterpreteerd worden, doen de kijkcijfers een uitspraak. Maar over de openbaarheid als geheel kan niet het publiek van één dag of van één legislatuur beslissen. De openbaarheid is een groot goed. Je moet ze verdedigen op de plaatsen waar ze momenteel op inerties stuit. De intendant van de NDR, Jobst Plog, heeft ooit gezegd dat men de mensen toch niet “met opera’s mag bombarderen”. Wat een onzin. Opera’s bombarderen niemand. Meer dan 350 jaar lang heeft het muziektheater ons begeleid; onze voorouders hebben hun verwachtingen en vergissingen in die melodrama’s vastgelegd. Een gemeenschap wordt niet alleen door wetten, logica, boekhouders en politie samengehouden, maar ook door de muziek. Niet zo lang geleden heeft Sloterdijk dat nog toegelicht aan de hand van de EU- en de UNO-hymne, Beethovens Lied an die Freude. Complexe waarden zijn als meetwaarde even belangrijk als de kijkcijfers. Heeft het waarnemingsvermogen van de kijkers nog spieren? Dat is een belangrijke vraag, vooral voor de kijkers.

A.T.: Hier horen we de auteur Kluge spreken.

A.K.: Daar ben ik trots op. Maar ik ben er ook trots op dat ik in mijn uitzendingen een diversiteit realiseer die je nergens anders op de televisie kunt vinden.

A.T.: Ook niet bij Spiegel TV?

A.K.: Spiegel TV heeft iets eigens gevonden dat misschien rijker is dan cultuur. Spiegel TV heeft een reportagekwaliteit ontwikkeld die voorheen op de Duitse televisie onbekend was. En dat allemaal met het onderkoelde van Der Spiegel en de documentaire warmte van Spiegel TV.

A.T.: Bent u niet zo’n beetje Asterix in televisieland, die tegen het machtige Rome strijdt?

A.K.: Veeleer iemand die flessenpost verstuurt.

A.T.: Is televisie de vierde macht in de staat?

A.K.: Erger: televisie is macht zonder meer. Met de groeten van Berlusconi. En in Engeland heeft Murdoch Labour vast in zijn greep.

A.T.: Maakt u eigenlijk antitelevisie?

A.K.: Dat is een groot woord. Denkt u aan Paracelsus. Als je aan de Rijnmonding, zegt hij, aan de Zwitserse kant zelfs maar een grammetje gele verf in het Bodenmeer doet, dan zal bij Konstanz, aan de andere kant, toch nog altijd iets aankomen, al is het dan oneindig verdund.

A.T.: Iets waarvan je het effect niet kunt meten.

A.K.: Het effect mag jaren op zich laten wachten, maar ooit komt het aan.

A.T.: Hebt u niet vaak zin gehad om ergens een publieke positie te bekleden, een positie waarmee u meer had kunnen bereiken dan wat aandacht, ’s avonds van Ten to Eleven, zoals uw cultuurmagazine heet?

A.K.: Ik ben geen politicus. Ik ben auteur. En die antwoordt: wat had ik dan ongeschreven moeten laten? Laat ik het met een soort parabel zeggen. Iemand houdt van een lelijke vrouw. En nu komt men hem zeggen: je zou ook van een mooie vrouw kunnen houden. Maar hij houdt nu eenmaal van de lelijke.

A.T.: Een eerlijk, intelligent antwoord. Eine kluge Antwort.

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

 

Noot van de vertaler

[*]          Het initiatief van Kluge en Spiegel TV kreeg groen licht, en sinds 2001 zit in Berlijn de zender XXP op de kabel, die stapsgewijs ook in andere deelstaten wordt aangeboden. Het programma-aanbod bestaat – onder het motto No soaps, no trash, no gameshows – vooral uit documentaires, reportages en (lange) interviews. Reclamesponsors zijn onder meer warenhuizen, banken en uitgeverijen zoals Zweitausendeins. Voor meer info en programmaschema’s, ziewww.xxp.tv. Voor meer info over de diverse facetten van Kluges werk, zie www.kluge-alexander.de.

 

Alexander Kluge (°1932) maakt sinds 1987 onafhankelijke televisie. Zijn cultuurmagazines (10 to 11, Prime-Time/Spätausgabe, News & Stories) zendt hij uit onder licentie van zijn firma DCTP, samen met Spiegel TV, stern tv, de tv-afdelingen van de Neue Zürcher Zeitung en de Süddeutsche Zeitung en programma’s van de BBC. Hij heeft daarvoor eigen uitzenduren, de zogenaamde ‘vensters voor derden’, op enkele commerciële omroepen. Kluge is filmmaker en jurist, maar vooral auteur. In 2000 verscheen zijn grote boek Die Chronik der Gefühle, een 2036 pagina’s tellende verzameling “levenslopen”, in 2003 gevolgd door een omvangrijk boek met nieuwe teksten, Die Lücke die der Teufel lässt. In 2003 kreeg Kluge de Büchnerprijs, de hoogste literaire onderscheiding in het Duitse taalgebied.

 

Adolf Theobald (°1930) richtte de bladen twen en Capital op en was hoofdredacteur van natur en Geo. Hij was actief in de bedrijfsleiding van Gruner + Jahr, Spiegel Verlag en Ringier.

 

Dit is de vertaling van een interview dat verscheen in Die Zeit nr. 52 van 20 december 2000.