Jef Cornelis

DE WITTE RAAF

Editie 117 september-oktober 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Archiefdocumenten Jef Cornelis

1972

De straat

In het programma 1971-1972 heeft het Van Abbemuseum te Eindhoven een tentoonstelling gepland over de straat als vorm van visueel environment. Met deze tentoonstelling schakelt het museum zich in een internationale trend in die een hernieuwde belangstelling voor de straat als leefmilieu manifesteert, zie: Rudofsky, Streets for people. In de tentoonstelling te Eindhoven zijn vier onderverdelingen voorzien:

1.         de typologie van de straat;

2.         betekenis en functies van de straattypes;

3.         sociologische betekenis van de straat/trefpunt van de samenleving;

4.         de straat als milieu voor een nieuwe kunst, zie: Jürgen Claus, Expansion der Kunst.

Om dit opzet tot een goed einde te brengen volstaan de traditionele aanpak en de traditionele middelen van een tentoonstelling niet meer. De organisatoren, Jean Leering en Harald Szeemann, moeten beroep doen op een ruime, interdisciplinaire werkgroep, waarin de specialisten van de audiovisuele communicatietechnieken een primordiale rol spelen.

Hoewel het nog altijd de gewone gang van zaken is, is het niettemin uiterst verwonderlijk dat de televisie niet bij een soortgelijk initiatief betrokken is, en dit zowel van het standpunt van de organisatoren als van het standpunt van de televisie uit. Het is niet normaal dat de taak van de televisie beperkt wordt tot een kort verslag van de tentoonstelling. Men moet zich minstens de vraag stellen of hier geen terrein openligt voor een vruchtbare samenwerking. Volgende argumenten pleiten hiervoor:

1.         Het onderwerp is uiterst geschikt voor een boeiende televisieuitzending. De straat is een thema dat in bijna alle televisieprogramma’s aanwezig is, zonder ooit expliciet aan bod te komen.

2.         Het voorbereidingswerk van de organisatoren van de tentoonstelling kan de televisie ten goede komen, die zelf niet meer het opzoekingswerk hoeft te presteren.

3.         Door zich van bij het begin in het team in te schakelen, kan de televisie als specialist van audiovisuele communicatie de opzoekingen van het team oriënteren, zodat dit én de tentoonstelling én een eventuele eigen uitzending ten goede komt.

4.         De tentoonstelling blijft niet beperkt tot de muren van het museum, maar wordt tot het televisienet uitgebreid. Omgekeerd wordt de televisie bij een concreet maatschappelijk proces betrokken (hetgeen totnogtoe alleen maar in de amusementssector gebeurd is). Wat hier over de betrokkenheid van de televisie wordt aangestipt zou kunnen uitgebreid worden tot alle sectoren, bijvoorbeeld van wetenschappelijk onderzoek.

5.         Het zou een primeur betekenen voor de Vlaamse televisie, hetgeen van belang kan zijn, gezien het internationale karakter van het opzet.

 

Archiefdocument betreffende de televisie-uitzending De straat. Eerste uitzending: 14 september 1972. Scenario: Geert Bekaert; camera: Guido Van Rooy; montage: Gust Malfliet; productie: Herwig Jacquemyns; realisatie: Jef Cornelis.

 

1976

Ge kent de weg en de taal

wie de weg kent, en de taal,

is thuis:

thuis in een wereld die niet van hem is,

maar hem wel vertrouwd.

hij kent er het gaan en het staan,

het keren en het wenden van,

maar laat zijn geheimen onaangeroerd.

de wereld van het dorp

de wereld van het ‘nu’

– gisteren en morgen klinken er samen –

de wereld van het dagelijkse,

de noodzakelijke, onontkoombare handelingen

de wereld waar men tijd heeft

tijd voor zichzelf en de anderen

voor dieren,

planten,

dingen

tijd

om geboren te worden en te sterven

om te leven en

gewoon te zijn

tijd

om te worden

en geschiedenis te laten ontstaan

die wereld

met tijd

waar men de weg kent en de taal

is onbewoonbaar verklaard

taboe

voor wie in een moderne samenleving gelooft

met haar vooruitgang,

haar wetenschap en techniek,

haar organisatie,

haar drukdoenerij,

die welvaart

en sinds kort ook welzijn

moet produceren

maar het niet verder brengt dan macht

van de ene over de andere

van mens over mens

van mens over natuur

de wereld van het dorp

we gaan hem zoeken in Afrika, Azië, Zuid-Amerika

of dichter bij huis

in Italië, Zuid-Frankrijk, Spanje

we bezingen hem in de chansons

we bootsen hem na in het weekend

we manipuleren hem in de publiciteit

we misbruiken hem in de politiek

maar wat we ook ondernemen

het dorp

laat ons niet los

het speelt gewoon verstoppertje

achter de gevel van de stad en

de ernst van de wetenschap

het vertrouwen in de vooruitgang

het dorp

is het onderbewustzijn

van een beschaving

die in een wilde groei

haar doel voorbijgeschoten is

en over geen werkelijkheid meer beschikt

om haar begrippen op te laden.

in de barsten die deze beschaving vertoont

van hoog tot laag

zien we het dorp verder leven

het dorp

meer dan herinnering

een psychoanalyse

van onze moderniteit.

 

Tekst van Geert Bekaert voor de televisie-uitzending Ge kent de weg en de taal. Eerste uitzending: 6 januari 1976. Camera: Guido Van Rooy; geluid: Raf De Boeck; regieassistentie: Jos Bernaus; mixage: Leo Meeusen; montage: Firmin Van Hoeck; productie: Frans Puttemans; realisatie: Jef Cornelis.

 

1995

Brussel, scherven van geluk

Brussel, scherven van geluk is geen gewone documentaire over de Belgische hoofdstad. De makers, regisseur Jef Cornelis en scenaristen Rudi Laermans en Pieter ‘T Jonck, wilden begrijpen waar dag na dag honderdduizenden Vlamingen ‘s morgens per trein of auto aankomen, en ‘s avonds weer uit vertrekken. Waarom veranderde het ooit ‘bruisende Brussel’ in een voor Vlamingen én Franstaligen ‘Verboden Stad’?

Voor het huidige Brussel staat in dit beeldessay de deelgemeente Molenbeek model. Onder de tussentitel ‘Molem, mijn dorp’ worden soms beklijvende beelden van het modale migrantenbestaan getoond. Maar goed veertig jaar geleden was datzelfde Molenbeek nog een typische voorstad, hoofdzakelijk bevolkt door Vlaams- en Franssprekende arbeiders en lagere bedienden. Archiefmateriaal evoceert dit bijna verdwenen verleden. Sporen daarvan weerklinken ook in beelden van de nog steeds in Molenbeek wonende Belgen. Vaak gaat het om hoogbejaarden of andere kansarmen, die in het plaatselijke stamcafé luidop de wens uiten om voorgoed élders te kunnen gaan wonen. Brussel is voor deze mensen een gevangenis, een besmette stad.

Waarom is Molenbeek vandaag de dag niet meer de bijna dorpse voorstad van weleer? De makers van Brussel, scherven van geluk vinden het antwoord in de droom van vooruitgang die tijdens de Expo 58 werd geënsceneerd. Ook de Brusselse politici en bouwheren verlangden naar een toekomststad, een hypermodern Brussel met veel hoogbouw en kantoren. Dat nieuwe Brussel moest op het Belgische achterland en Europa worden aangesloten via een verkeersvriendelijk net van bruggen, tunnels en autowegen. Hoe deze droom tijdens ‘the golden sixties’ gestalte kreeg, toont deze semi-documentaire aan de hand van archiefbeelden over de afbraak van de Noordwijk.

Brussel, scherven van geluk wil niet het definitieve antwoord bieden op de vraag waarom de hoofdstad van Europa zo sjofel aandoet. Twijfels over de eigen onderneming weerklinken onder meer in de door Frank Vercruyssen ingesproken teksten van de Franse historica Arlette Farge – ze worden afgewisseld met enkele fragmenten van een tekst van Louis-Paul Boon over Brussel. Toch berust deze essayistische documentaire op een duidelijk in beeld gebrachte stelling: de huidige Brusselaars bewonen een tot ruïne vervallen fantasmagorie.

De film bevat volgende hoofdstukken:

1.         Ze zijn daar!

2.         Molem, mijn dorp.

3.         Toen was geluk heel gewoon.

4.         Scherven van geluk.

5.         De sixties: kassa?

6.         Dromen in de fifties.

7.         Zijn ze weg?

8.         Verboden stad.

 

Perstekst betreffende de televisie-uitzending Brussel, scherven van geluk. Eerste uitzending: 9 mei 1995. Scenario: Rudi Laermans & Pieter ‘T Jonck; teksten: Arlette Farge & Louis-Paul Boon; stem: Frank Vercruyssen; camera: Paul Snauwaert; geluid: Robert Van Humbeeck; compositie: George De Decker & Ward Weis; mixage: Walter De Niel; montage: Eddy Bergiers; productie- en regieassistentie: Eva Binnemans; productie: Rik Sauwen; realisatie: Jef Cornelis.