Dorine Van Hoogstraten

DE WITTE RAAF

Editie 117 september-oktober 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ed van der Elsken. Mijn Amsterdam

Amsterdam, gezien door de ogen van Ed van der Elsken (1925-1990), is een stad met veel gedaantes. Er wonen opmerkelijke mensen die alledaagse dingen doen. Het zijn typische Amsterdammers die Van der Elsken met zijn camera sinds de jaren vijftig heeft vastgelegd: arrogant of in elk geval onverstoorbaar bezig met hun eigen dingen, denkend dat ze alles al gezien hebben en dat niets hen meer kan verbazen, zeker niet een irritante fotograaf. Hangjongeren op de Dam, een mensenmassa op Koninginnedag, fietsers die zich door de regen haasten. Scènes waarin tussen 1950 en 2005 eigenlijk niets veranderd is. Maar bij de volgende foto komt de schok: is het nog maar zo kort geleden? Afbraakpanden in de jodenbuurt rond het Waterlooplein; de galerij van het Paleis voor de Volksvlijt was nog niet vervangen door het kantoor van de Nederlandse Bank. Juist omdat Van der Elsken de alledaagse dingen vastlegde, valt soms ineens pijnlijk op hoezeer Amsterdam is veranderd sinds de oorlog, hoeveel er is gedaan op het gebied van stadsvernieuwing en restauratie van de binnenstad. De stad is gepolijst sinds Van der Elsken haar fotografeerde.

Alle aspecten van de stad heeft hij gevangen, de tijdloze zowel als de tijdgebonden. De ruwheid van het leven in de hoerenbuurt, de schilderachtige schoonheid van de historische binnenstad (met name bij sneeuw doet die het goed), het dorpse karakter van de buurtjes waar iedereen elkaar kent, de sombere straten in de schrale regens van februari, de karakteristieke koppen, de regelmatig terugkerende conflicten tussen politie en demonstranten. Van der Elsken kijkt. Toon Hermans schreef in een briefje, dat ook op de tentoonstelling te zien is: “Je hebt van het gewone optische-kijken een verheven act gemaakt, die ik zonder overdrijving ‘zien’ zou willen noemen.” Maar Van der Elsken deed meer, hij legde zijn mening in de foto. Omdat er zoveel te zien is op zijn foto’s, dwingt hij je om ze goed te bekijken, op zoek te gaan naar wat hij ermee wil zeggen. Met name foto’s waar meerdere mensen op staan, gaf hij vaak een ongemakkelijke spanning. Die riep hij bijvoorbeeld op door op één foto de ogen van de mannen te bedekken met zwarte balkjes: allemaal criminelen. Bij andere foto’s is niet duidelijk wat er precies gaande is – en daarmee is plotseling iedereen een beetje verdacht. Wie zijn de hoerenlopers en wie passeert toevallig? Was dat rokje in die tijd fatsoenlijk of ordinair? Wordt dat meisje bewonderd of lastiggevallen? Overigens is de volgende foto dan weer volkomen huiselijk knus: het silhouet van een poes die voor het raam ligt, waarachter duiven voorbijfladderen in een hondenweer.

Van der Elsken had ook oog voor wonderlijke mensen en de absurditeit van sommige situaties. Zo heeft hij de Nederlandse kampioenschappen twist in 1962 in het Hotel Krasnapolsky heel ernstig vastgelegd. De dansers zijn geconcentreerd bezig, de energie spat er af. De broeierigheid van de rokerige ruimte vol zwetende dansers en drinkende toeschouwers is bijna tastbaar. Dit kon alleen maar toen zijn, met deze mensen die op dat moment héél goed konden twisten. Even verderop: de bereden politie die de paarden liet wennen aan stadslawaai. Eén paard ligt op de grond en de andere lopen rond, terwijl ernstige politieagenten met snorren op toeters blazen en trommelen – John Cleese zou zich goed staande houden in dat zonderlinge tafereel.

De tentoonstelling, die heel zorgvuldig is samengesteld door fotograaf Martin Parr, laat het werk van Van der Elsken in al zijn gedaanten zien. Nieuwe afdrukken van oude negatieven, prints die Van der Elsken ooit zelf heeft gemaakt maar nooit gebruikte, kleurenfoto’s, documentaires. Vooral het ‘vintagemateriaal’ van Van der Elsken spreekt aan, omdat er aantekeningen van de fotograaf op staan of omdat er koffie op is gemorst. Ze zijn gemaakt en gebruikt door de meester zelf en met simpele spijkertjes aan de muur genageld.

De foto’s zijn heel herkenbaar. Vaak zijn ze grofkorrelig. Hier en daar zitten er beschadigingen op het negatief, ze zijn in alle opzichten ruw en ongepolijst. Soms wordt dat een maniertje, maar in de meeste gevallen is het gewoon zijn handschrift. De stijl sluit goed aan bij het Amsterdam van de periode 1965-1990. Daarmee horen de foto’s van Van der Elsken bij uitstek bij zijn generatie. Op de tentoonstelling zijn ook documenten, posters en boeken tentoongesteld uit zijn archief. Brieven van fotografen Bill Brandt en Emmy Andriessen, een exemplaar van het fotoboek Naked City van Weegee uit 1945 dat voor hem een inspiratiebron was. Een handgeschreven relaas over hoe andere fotografen wel geld verdienen met slecht werk, terwijl de ware kunstenaar, Van der Elsken, op zwart zaad zit. Het archiefmateriaal werpt licht op de achtergronden waartegen die fascinerende foto’s tot stand kwamen.

Van der Elsken werd overigens niet gehinderd door enige bescheidenheid. In een van de documentaires die op de tentoonstelling vertoond worden, merkt hij droog op: “Ik maak blijvertjes. Die moeten een paar eeuwen meegaan.” De interviewer herhaalt onzeker: “Een paar eeuwen?” Waarop Van der Elsken hem bevreemd aankijkt: “Natuurlijk, wat anders?” Als hij al gelijk krijgt, zal hij dat in hoge mate te danken hebben aan zijn muze Amsterdam, een stad die mensen over een paar eeuwen waarschijnlijk nog altijd zal boeien.

 

• Ed van der Elsken, Mijn Amsterdam, tot 28 september in FOAM Fotografiemuseum, Keizersgracht 609, 1017 DS Amsterdam (020/551.65.00; www.foam.nl).