Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 117 september-oktober 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Big Bang

In het begin van de vorige eeuw is de kunst met een big bang uiteengespat. Het kubisme haalde de vorm uit elkaar, het expressionisme vervormde hem, het surrealisme en het dadaïsme perverteerden hem, terwijl de abstracte kunst hem een autonoom bestaan bezorgde. Uit de brokstukken ontstond een nieuwe kunst die vandaag onze talrijke musea vult.

Toen Tate Modern bij zijn opening besliste om de geschiedenis van de moderne kunst niet meer op een chronologische, maar op een thematische manier te tonen, beweerden kwatongen in Parijs dat dit de enige mogelijkheid was – omdat de collectie vol belangrijke historische hiaten zit. Vijf jaar later is ook het Centre Pompidou, dat uiteraard geen hiaten vertoont omdat men ervan uitging dat Parijs het centrum van de moderne kunst was, bezweken voor de verleiding van het ahistorische discours. Onder de titel Big Bang. Destruction et création dans l’art du XXe siècle wordt de verzameling 20ste-eeuwse kunst onderverdeeld in acht hoofdstukken. Ze begint met drie formele hoofdstukken (destructie, constructie/deconstructie en archaïsme), gevolgd door drie thematische (seks, oorlog en subversie), om te eindigen met twee interpretatieve (melancholie en herbetovering). Elk hoofdstuk is dan nog eens onderverdeeld in meer dan veertig kleinere thema’s, zoals het toeval, de kindertijd, de droom, de bruid, de prostituee, revolutie, parodie, verdwijning en nostalgie.

Deze thematische en interdisciplinaire presentatie kwam tot stand naar aanleiding van de renovatie van de vierde verdieping, waardoor de ganse 20ste eeuw werd samengebracht op de vijfde verdieping. Haar eigenlijke onderwerp is destructie en creatie in de 20ste-eeuwse kunst. Op zichzelf een boeiend tentoonstellingsconcept, maar de collectie is hiervoor helaas te beperkt. Bij hoofdstukken als oorlog en geweld, seks en voyeurisme, archaïsme en transgressie denkt men onmiddellijk aan belangrijke werken die niet in de collectie zitten. Anderzijds werden er veel gekende werken uit de verzameling geweerd omdat ze moeilijk in het concept konden worden ingepast.

Echt nieuw is de opvatting van de 20ste eeuw als de meest vernielzuchtige niet. Bij de heropening van het Centre Pompidou in 2000 had de toenmalige museumdirecteur Werner Spies de permanente opstelling reeds aan dit idee opgehangen. Hij begon zijn parcours met een emblematisch schilderij, La guerre ou la chevauchée de la discorde uit 1897, van de vader, zoniet de grootvader, van de moderne kunst, de Douanier Rousseau. Tegenover dit kleine meisje op het zwarte paard plaatste hij een sculptuur van Picasso uit 1950 van een meisje dat zorgeloos touwtjespringt. De 20ste eeuw was er ook een van contrasten, of beter, van een constante dialectiek. Dood en vernieling gaan er hand in hand met hoop op vernieuwing en verbetering. Dit verhaal kon hij gemakkelijk ophangen aan de twee belangrijkste bewegingen die de 20ste eeuw volgens hem had voortgebracht: het dadaïsme (dat dit najaar in het Centre Pompidou een belangrijke tentoonstelling krijgt) en het surrealisme, “de enige revolutie die niet is ten onder gegaan” (Werner Spies maakte er enkele jaren geleden in het Centre Pompidou al een schitterende tentoonstelling over).

Het voordeel van deze opstelling was dat de kunstgeschiedenis hier niet meer gezien werd als de opeenvolging van formele systemen, maar als Geistesgeschichte, waarbij het historische het thematische perfect in evenwicht hield. Dit was enkel mogelijk omdat Spies de geschiedenis van de moderne kunst niet meer beperkte tot wat er in het begin van de eeuw in Parijs gebeurde – de ontvoogding van de kleur in het fauvisme, de ontvoogding van de vorm in het kubisme en de aanloop naar de abstracte kunst – maar ook aandacht besteedde aan wat er op dat moment bijvoorbeeld in Duitsland of in Rusland gebeurde. Op die manier vertelt het museum niet meer zijn eigen geschiedenis of die van de lokale kunstproductie, maar pretendeert het om over het geheel van haar ontwikkeling een zinnig discours te ontwikkelen.

Het enige nadeel van de vorige opstelling was dat het discours enkel de eerste helft van de 20ste eeuw betrof. Met haar Big Bang maakt Catherine Grenier eindelijk komaf met de artificiële indeling van voor- en naoorlogse kunst. Haar thematische opstelling maakt duidelijk dat de moderne kunstgeschiedenis geen geschiedenis is van opeenvolgende breuken, maar ook kan gelezen worden als een grote continuïteit. Ook de relatie tussen de verschillende disciplines zoals architectuur, design, film en zelfs literatuur komt in deze nieuwe aanpak veel beter aan bod. En de plaats van Franse kunstenaars als Picasso, Matisse, Léger en Delaunay, maar ook Kandinsky, die vanaf 1933 in Parijs (Neuilly) verbleef en er in 1944 overleed – tot voor kort de paradepaardjes van het museum – wordt sterk gerelativeerd. De nadruk ligt op meer recente kunst, nieuwe aanwinsten of werk dat te lang in de reserves bleef, waardoor de tentoonstelling – ondanks de ietwat krappe opstelling omdat enkel de vijfde verdieping beschikbaar is – wel een frisse indruk maakt.

De opstelling van de verzameling, die we eigenlijk ‘tentoonstelling met werk uit eigen collectie’ zouden moeten noemen, begint met het ‘onbekoorlijke lichaam’ (corps désenchanté). Ondanks de abstracte kunst, toch een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de 20ste eeuw, is het menselijk lichaam nog steeds het belangrijkste onderwerp van de moderne en de hedendaagse kunst. Niet het geïdealiseerde lichaam, maar het vervormde, getormenteerde, expressieve lichaam. Hier vinden we sculpturen van Matisse, Willem de Kooning, Germaine Richier en Alberto Giacometti, antropometrieën van Yves Klein, de Ten Lizes van Warhol en portretten van Marlene Dumas. Na deze introductie volgt het eerste hoofdstuk, dat van de Destruction, met na de defiguratie (Soutine, Baselitz, Nauman) en de chaos (Pollock?), de geometrische ruimte (Mondriaan, Judd), de horizontale sculptuur (Carl Andre), de abstracte stad (Van Doesburg), het monochrome schilderij (Malevitsj) en het raster (Paul Klee). Zoals ook in de volgende hoofdstukken snel duidelijk wordt, reduceren de gekozen thema’s de kunstwerken tot een (meestal formeel) deelaspect, waardoor veel van hun complexiteit verloren gaat en ze een eendimensionaal karakter krijgen. De meeste werken kunnen dan ook in verschillende hoofdstukken worden ondergebracht of zijn onderling verwisselbaar. Ook kunnen categorieën worden bijgevoegd, zoals de taal bijvoorbeeld, die in de kunst van de 20ste eeuw toch een belangrijke rol heeft gespeeld, maar hier totaal afwezig is.

Uit bepaalde ironische werken of kritische confrontaties blijkt dan weer dat deze tentoonstelling haar eigen schema niet altijd ernstig neemt en bereid is om zichzelf te relativeren. Dat geldt voor de confrontatie van het zwarte vierkant van Malevitsj met de Surrogates van Allan McCollum (allebei op plaaster geschilderd), of de streng geometrische ruimtes van Mondriaan met het speelse raster van de bibliotheek van Ron Arad, beter gekend als This Mortal Coil. Ook de film van John Baldessari, waarbij hij een van bovenuit gefilmde kamer in telkens andere kleuren schildert tot het scherm er volledig monochroom uitziet, om dan via een achterdeurtje te verdwijnen, getuigt van een gezonde dosis relativeringsvermogen.

Na de vernietiging van de klassieke canon en de verschillende voorstellen van een nieuwe orde of wanorde, constructie en deconstructie, slingert de Big Bang zich doorheen het museum via regressieve thema’s als archaïsme, sex, oorlog, subversie en melancholie, en subthema’s als de kindertijd, de bruid, het vanitasmotief, de pastiche en de parodie, de verdwijning en de nostalgie. Een boeiend thema is dat van de ‘afwijkende schaal’, waarbij vergrotingen en verkleiningen de realiteit in een ander daglicht stellen. Jammer genoeg is dit enkel de aanzet van een thema dat uiteraard veel meer diepgang vereist en waarvoor de werken uit de collectie veel te beperkend zijn. Een mooi zaaltje is wel dat van de groteske, waarin portretten van zowel Picasso, Severini en Magritte (Le stropiat uit zijn période vache), George Grosz en Hannah Höch als van John Currin en Glenn Brown zijn samengebracht. Wie op zoek is naar een origineel onderwerp voor een thematische tentoonstelling vindt hier ongetwijfeld de nodige inspiratie, van de transparantie of het toeval, de zachte sculptuur of de plooi, over de hybride of de prostituee, de revolutie of de dood, tot het heimliche of de verdwijning.

Evenals bij Werner Spies is ook bij Catherine Grenier plaats voor het happy end dat men het grote publiek tegenwoordig verschuldigd is. Het réenchantement, het opnieuw bekoord of verrukt zijn, is het pendant van de corps désenchanté. De tentoonstelling eindigt met Five Angels for the Millennium (2001) van Bill Viola, een monumentale video-installatie die tot stand kwam dankzij de samenwerking tussen het Centre Pompidou, de Tate en het Whitney. (Men kan zich hierbij de vraag stellen waarom alle grote musea dezelfde werken willen.) Het werk van Viola heeft duidelijk een spirituele betekenis. Het bevindt zich in het spanningsveld tussen het zintuiglijk waarneembare en de illusie, het zoekt verbanden tussen de innerlijke en de uiterlijke wereld. Zijn vijf engelen voor het nieuwe millennium noemt hij achtereenvolgens Creation, Ascending, Fire, Departing en Birth. Ze treden op als tussenpersoon tussen de rationele en de spirituele wereld, gesymboliseerd door het water waarin ze afwisselend verdwijnen en verschijnen. Water en vuur, geboorte en dood, val en heropstanding behoren tot de steeds weerkerende thema’s van dit werk dat volledig in het teken staat van de wedergeboorte. Door dit parcours doorheen de kunst van de 20ste eeuw te beëindigen met symbolisch sterk geladen werk, geeft Catherine Grenier duidelijk een religieus geïnspireerde boodschap van hoop mee. Op zijn minst een merkwaardige afsluiting van een eeuw die vooral gekenmerkt werd door een algemene desacralisatie, met de kunst als eerste slachtoffer.

Blijft de vraag naar de specifieke taak van het museum. Men kan de kunstgeschiedenis wel vertellen in thematische hoofdstukken, maar de rode draad blijft hoe dan ook de historische context en de chronologische opeenvolging van de feiten. Zo kan de pop art niet begrepen worden zonder het dadaïsme, dat op zijn beurt onbegrepen blijft zonder de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Daarom vraagt een tentoonstelling als Big Bang van de toeschouwer een dosis historische kennis, die de jonge bezoeker niet meer heeft. De paradox van deze presentatie is dat ze een jong publiek tracht aan te spreken door in te spelen op bij jongeren populaire thema’s als oorlog en geweld, seks en voyeurisme, archaïsme en transgressie, nostalgie en de bekoring van de kindertijd, maar dat ze tegelijk een kans laat liggen om hun historisch bewustzijn aan te scherpen. Hierbij vergeet men eens te meer dat de belangrijkste functies van onze musea nog altijd de historische en de wetenschappelijke zijn. Op het moment dat geschiedenis uit het onderwijs verdwijnt en in de media nog enkel fragmentarisch aan bod komt als volksvermaak, moet ze ook in het museum wijken voor de snelle cultuurhap. Nadat de kunstgeschiedenis achtereenvolgens geschreven werd door filosofen, psychoanalysten, sociologen en antropologen is ze nu in handen van mediaspecialisten en marketingbureaus. Het grotere geheel wordt zo opgeheven ten voordele van het kleine plezier, dat onmiddellijk en vooral gemakkelijk geconsumeerd kan worden. Deze verzameling van het Musée national d’art moderne wordt dan ook niet meer aangekondigd als een verzameling van kunstwerken, maar als “une lecture renouvelée des phénomènes culturels du siècle”.

 

• Big Bang loopt tot 28 februari 2006 in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).