Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 117 september-oktober 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Deyan Sudjic. The Edifice Complex

Saddam Hussein. Ex-dictator met een ziekelijke drang naar monomane monumenten en victorieuze architectuur. Deze onwaarschijnlijke protagonist waarmee Deyan Sudjic zijn boek The Edifice Complex opent, is een briljant gekozen karikatuur van zowat alle centrale thema’s in dit werk: één individu in een ongenaakbare machtspositie, architectuur als politiek medium, de representatieve kracht van de discipline, haar vermogen om een kunstmatige realiteit op te bouwen en de intieme affaire tussen architectuur en macht rond de millenniumwissel. De Umm al-Mahare (“Moeder van alle Veldslagen”) moskee die Saddam liet optrekken, is voor Sudjic het beginpunt van een uitgebreid overzicht van 20ste-eeuwse bouwwerken, architecten en, vooral, rijke of machtige opdrachtgevers. Precies de drang van deze laatsten om op een dwangmatige manier hun eigen wereld te creëren, en daarvoor architectuur te gebruiken, vormt het uitgangspunt van het boek. Maar doorheen zijn analyse van een ‘verlicht’ bouwheerschap, schetst Sudjic een zeer scherp beeld van de laat 20ste-eeuwse maatschappelijke positie van de architectuur. Veel van de belangrijkste thema’s die de discipline het jongste decennium aankaartte, komen aan bod: het Bilbao-effect, de zucht naar hoogbouw, de architecturale blitzkrieg in China... The Edifice Complex hangt een zeer lucide beeld op van de hedendaagse situatie van architectuur; het boek leest als een kritische geschiedenis van de architectuurgeneratie die volledig getekend werd door globalisering en ‘starchitects’.

In vergelijking met de overvloedige architectuurpublicaties van deze ‘starchitects’-generatie is dit boek een regelrechte afwijzing van de beeldverslaving waarin die publicaties zich zo vaak verliezen. Niet één enkel beeld komt in het betoog voor. Geen plan, geen schema, geen foto, niets. 327 bladzijden tekst, gevat in een omslag waarop de enige twee beelden van het boek te zien zijn. Een villa-met-zwembadfoto, stijl David Hockney. Op de cover bekijkt een man in grijs maatpak aandachtig een plan, achter hem prijkt een postmoderne designwoning, inclusief schaarsgeklede bikinibabe. Het beeld straalt een peperdure oppervlakkigheid uit, de leegte van een leefomgeving die ten onder gaat aan een overkill van smetteloos design. Het is precies die problematische relatie tussen geld/macht en architectuur die het boek op uiteenlopende niveaus onderzoekt. Na de inleiding over Saddam Hussein, beschrijft Sudjic hoe Hitler, Stalin en Mao hun politieke ambitie uitbouwden via de architectuur. Daarna volgen enkele hoofdstukken over de opbouw van een nationaal patrimonium van democratische landen, en de betekenis daarvan voor de identiteit van een land of bevolkingsgroep. Geleidelijk verschuift de focus van het boek dan naar de architecturale syndromen van zakenlui (Gianni Agnelli), voorzitters van religieuze of monetaire instituten (Jacques Attali), museumdirecteurs (Thomas Krens van het Guggenheimimperium) en steenrijke individuen zoals Larry Silverstein, bouwheer van het nieuwe Ground Zero complex. Die opeenvolging van personages en intriges blijkt grotendeels een variatie op één en hetzelfde thema: machtig man wil zichzelf de onsterfelijkheid in bouwen, neemt architect onder de arm, maar heeft problemen om de uitbouw van zijn eigen nalatenschap uit handen te geven, waardoor de architect een eindeloos en onmogelijk gevecht levert tegen een hogere macht. Dit patroon komt zo vaak terug dat het boek bij momenten leest als een herhaling van hetzelfde verhaal, maar met andere protagonisten. Om die reden heeft The Edifice Complex geen rechtlijnige plot, bouwt het niet op naar een algemene uitspraak over representatie en architectuur. Bovendien betekent deze nevenschikking van hoofdstukken dat de aandacht bij het doorlezen van het boek verschuift naar de verschillen in de individuele relatie tussen bouwheer en architect.

Het resultaat van de inhoud, opbouw en toon is een boek dat leest als een politieke intrige. De relatie tussen Albert Speer en Adolf Hitler is in die zin voorbeeldig. Sudjic beschrijft haarscherp op welke manier Speer uitgroeide van een would-be modernist tot een gepolitiseerd traditionalist en in de late jaren dertig het privéspeeltje van Hitler werd. Privéspeeltje, want in de intriges tussen de nazibouwheer en zijn architect is deze laatste, ondanks alle persoonlijke en financiële voordelen en macht, uiteindelijk altijd een onderworpen partij. Het is een lot dat zowat alle architecten treft tijdens hun werk voor machtige bouwheren: “Architecture defines a regime, but it is never the architect who frames the meaning of the definition”, schrijft Sudjic in het kader van Rem Koolhaas’ CCTV project voor de Chinese staatstelevisie.

Hitler, politieke intrige, onmacht van de architectuur... Hoe kan een boek dat uitweidt over deze thema’s gelezen worden als een architectuurgeschiedenis van de jongste jaren, een periode waarin de discipline zich niet langer iets aantrok van politiek en veranderde in een populair designgebeuren? Als criticus voor het Britse The Guardian, heeft Sudjic echter een persoonlijke band met en een zeer scherp inzicht in het architectuurwereldje van het voorbije decennium. Het is precies op dit punt dat hij duidelijk maakt hoe de visie op architectuur van politieke zwaargewichten in die periode algemeen werd overgenomen door staten, steden en instituten. Het bekendste architecturale fenomeen van de recente geschiedenis, het Bilbao-effect, leest hij als een soort legaat van de Führer, die precies hetzelfde effect voor ogen had bij de bouw van Germania. Sudjic schrijft zo de geschiedenis van een periode waarin de belangrijkste internationale publieke opdrachten ontstaan uit individuele ambitie; waarin de grote bouwheren telkens autoritairder blijken; waarin showarchitectuur een maskerade is van egoïsme; waarin de positie van architecten, ondanks alle succes, uiteindelijk zeer precair is geworden. De Gehryretrospectieve in de verschillende branches van Thomas Krens’ Guggenheim-imperium, met als hoofdsponsor Enron, is maar één van Sudjic’ vele bewijspunten.

            Toch is The Edifice Complex geen tirade aan het adres van de representatieve architectuur. Ondanks alle verschuivingen ten nadele van de eigenheid van de discipline, vindt Sudjic in zijn architecturale wereldreis hedendaagse bouwwerken die wel een identiteit, een betekenis, een instituut kunnen dragen. Het is een kwaliteit die nagenoeg volledig losstaat van de politieke intriges rond dit soort projecten. Een kwaliteit die uiteindelijk telkens weer gebaseerd is op de inventiviteit en visie van de architect zelf. Sudjic omschrijft ze als een positieve complexiteit van betekenissen en esthetiek. The Complex Edifice, als tegenhanger van The Edifice Complex.

 

• Deyan Sudjic, The Edifice Complex, How the Rich and Powerful Shape the World, werd uitgegeven door Allen Lane bij Penguin Books, 80 Strand, London WC2R 0RL (020.7010.3000; www.penguin.co.uk). ISBN 0-713-99762-1.