Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 118 november-december 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Aglaia Konrad. Iconocity

Een reusachtige zwart-witte verkeerswisselaar-met-aanhangend-stukje-Seoel werpt de volgende maanden een zware schaduw over de modernistische inkomhal van Kunstcentrum deSingel. Het overweldigende beeld vormt de aankondiging van de tentoonstelling Iconocity die de fotografe Aglaia Konrad in de gangen van het Antwerpse complex heeft opgebouwd. Met schermen, raamfolies, panelen, boeken en een gewoon venster kadert Konrad shots van de laat 20ste-eeuwse stad. Haar beelden werden geschoten op talloze reizen naar stedelijke gebieden in alle hoeken van de wereld, van Aswan, via Hamburg, Niagara en São Paulo tot Vilnius. Veeleer dan de eigenheid van deze steden, toont haar werk een neerslag van de stedelijke condities die ze daar aantreft. Op het moment dat Konrad haar beelden in tentoonstellingen bijeenbrengt, wordt die eigenheid nog verder gereduceerd, onder meer door alle foto’s in een scherpe zwart-witprint af te drukken. Konrad stelt zo een nieuw beeld samen van het wereldwijde, naamloze, maar bijzonder fascinerende fenomeen ‘stad’. Bovendien wordt dat stadsbeeld telkens op een zeer precieze manier, als een strakke partituur, in de tentoonstellingsruimte ingepast.

In deSingel is dat dubbele presentatieniveau opnieuw zeer duidelijk aanwezig. Maar hoe verhouden die presentatieniveaus zich tot elkaar? Wat verbindt de wereld van de stadsfoto’s, waarin Konrad architectuur benadert als een geglobaliseerd modernistisch fenomeen, met de ruimtelijke omgeving van hun presentatie, waarin architectuur verschijnt als een ritmisch geconstrueerd beeld?

Na de overgeplooide verkeerswisselaar Fault-Fold in de inkomhal, loopt het parcours langs een reeks luchtfoto’s, enkele video’s en boeken met haar beelden, een lange gang met grote fotopanelen tegen de wand, een gele folie die over een venster is gedrapeerd, en ten slotte twee videoprojecties die voor een raam hangen. De titel van de tentoonstelling verwijst dan wel naar een “beeldstad”, de foto’s zelf focussen vooral op individuele gebouwen, eindeloze interieurs en, in beperktere mate, modernistische stedenbouw. Beton is alomtegenwoordig, meestal onder de vorm van sixties of seventies megastructuren. Foute TL-armaturen en aircotoestellen uit dezelfde periode komen massaal voor. Mensen zijn een uitzondering op de foto’s. Door de tentoonstelling klinkt een stem die monotoon allerlei benamingen voor de door Konrad afgebeelde stad uitspreekt.

De luchtfoto’s zijn horizontaal opgesneden en in de bestaande ramen van het gebouw ingepast; de beelden op de panelen zijn verticaal opgesneden en aan elkaar geschakeld tot een serie grote collages. De stedelijke foto’s worden zo gemanipuleerd tot ze een nieuw architecturaal beeld vormen, op schaal van de bestaande architectuur, van de omliggende ruimte en de toeschouwers – schaal 1/1. Het beste voorbeeld is de gele folie die Konrad aanbracht op een van de glaspanelen van de lange glasgevel die uitkijkt over de Antwerpse stadsring. Het beeld is niet het meest overtuigende van de tentoonstelling, maar het toont duidelijk hoe Konrad, binnen een bestaande structuur, een frame creëert dat in één beweging het ringverkeer, de groene bermen, en de achterliggende Crowne Plazatoren inkadert. De gele folie speelt hierin dezelfde rol als het zwart-wit van de andere foto’s: hij maakt het stedelijke fragment los uit zijn directe omgeving, en verleent het een abstractie, zodat het deel gaat uitmaken van Konrads oeuvre van architectuurbeelden; we zien niet langer een gebouw in de stad Antwerpen, maar een segment van een generische stedelijke conditie. Het fotograferen van architectuur wordt ingezet om een eigen stedelijk beeld samen te stellen. De architecturale setting van de tentoonstelling vormt dan een tweede kader voor het bekijken van dat geabstraheerde stadsbeeld. De techniek om een gecomponeerd stedelijk perspectief te tonen vanuit een reëel architecturaal perspectief van een bestaande ruimte is een fundamenteel motief in de tentoonstellingen van Konrad.

Precies die techniek van het dubbel perspectief vormt het bindend element tussen beide presentatieniveaus. Het is opvallend genoeg geen nieuwe techniek in de afbeelding van geïdealiseerde steden. We vinden dit dubbele perspectief ook in veel renaissancistische voorstellingen van de geïdealiseerde stad, onder meer in kringen rond Piero della Francesca. Ook in deze werken werd een abstractie gemaakt op basis van bestaande architectuur, in casu die van de Italiaanse stad Urbino. En net zoals bij Konrad houdt het perspectief in deze 15de-eeuwse voorstellingen het architecturale en het stedelijke kader samen. Het spreekt voor zich dat zowel het idee van de generische stad als het architecturale kader op 500 jaar tijd fundamenteel veranderd is. Maar in beide gevallen vormt het dubbele perspectief de centrale ‘tool’ waarmee de kunstenaar werkt. En terwijl dat perspectief in het 15de-eeuwse Italië zich uitputte in de allesonthullende precisie van een centralistische visie, toont Konrad in nagenoeg al haar werk een stedelijke wereld waarin een modernistische orde enkel overleeft onder de vorm van woekerende patronen van infrastructuren en bouwkunde te midden van een overweldigende stedelijke massa.

 

• Iconocity van Aglaia Konrad loopt nog tot 18 januari 2006 in het Internationaal Kunstcentrum deSingel, Jan Van Rijswijck-laan 155, 2018 Antwerpen (03/248.28.28; info@desingel.be; www.desingel.be). Het boek Iconocity werd uitgegeven door deSingel en Walther König (Keulen). ISBN 3-86560-004-2.