Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 47 januari-februari 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Vliegen vierkanten?

1. Vierkant

In het algemeen associeert men het vierkant met perfectie, onnatuurlijkheid: in de natuur komen vierkanten niet voor. Daarom verbindt men het met menselijkheid, beschaving, inzoverre deze de negatie van de natuur met zich meebrengen. In het vierkant viert de ratio haar triomf over het lichaam. Het vierkant is geestelijk, onstoffelijk. Het is leeg. Het is zonder leven, en heft daardoor de tijd op. Het negeert de dood.

Een vierkant is semantisch leeg; het vlees van de betekenissen is er afwezig. Terwijl de cirkel nog altijd lichaam is en de driehoek nog altijd mens, werkt het vierkant niet duidend. Het is een vorm die nergens toe dwingt: neutraal, onverschillig ten aanzien van elke (mogelijke) inhoud.

Juist omdat het vierkant geen betekenissen genereert, is het voor elke (andere) inhoud onbeperkt ontvankelijk. Daarom ook is elke betekenis er slechts op doorreis. Niets dat in het vierkant plaatsneemt, gaat er verbintenissen mee aan. Het vierkant raakt niet aan wat het bevat. Wat binnen zijn contouren komt, is er slechts als projectie - het verschijnt, zonder er werkelijk te zijn.

Een vierkant kan alles omvatten, omdat het (zelf) niets omvat. Het is de onbeperkte, oningevulde belofte van mogelijke gedachten, een onverzadigbare spons voor inhoud: zelf incarnatie van niets, en daarom metafoor voor alles. Vol-ledig: virtuele volheid, reële leegte.

In “Vierkant”, de tentoonstelling in het Museum van Hedendaagse Kunst te Gent, zijn de werken van vijf kunstenaars op doorreis in vierkanten. Vierkanten hebben er zich rondgezet. Errond. Ze bevatten de werken niet, want het vierkant bevat niets. Het blijft leeg in aanwezigheid van de werken: zwevend om, afwezig bij hun volheid.

De rode draad luidt “beeld en woord”: werken waarin woord en beeld dialogeren, botsen of in mekaar kantelen. Omdat de kunstenaars zelf al woorden gebruiken, is het woord aan hen gelaten: de vierkante catalogus bevat geen concepttekst. (Deze keer) geen museale retoriek. En dat niet alleen om voornoemde reden, zoals mag blijken.

 

2. Vierkantig

Een vierkant biedt enkel een formeel houvast. Het is structuur. Door zijn inhoudelijke leegte is het een bij uitstek transparante omlijning: onverschillige vorm die aan alles blootstaat, met alles kan worden doorspoeld. Een spons die onbeperkt (denk)beelden in zich kan opzuigen.

Het vierkant is een driedimensionaal scherm voor de wereld. Het is een camera obscura voor alles wat het zelf niet is. De kunst die in deze vierkanten plaatsneemt, weerkaatst aspecten van die situatie: ze zuigt massaal informatie aan (Anne-Mie Van Kerckhoven), ze wordt een scherm voor vliedende denkbeelden, visuele momenten op doorreis in de ruimte (Jessica Diamond). Ze stelt zich open voor de visuele uitwendigheden van de buitenwereld, voor haar visuele cultuur (Kathe Burkhart), haar representaties of haar tekens (Rogelio López Cuenca). Of ze herhaalt de transparantie van het vierkant inwendig (Elizabeth Ewart).

Deze kunst is open naar de wereld. Ze stelt zich open voor een situatie die ook het vierkant in zijn semantische transparantie belichaamt: (mogelijke) overdadigheid van betekenissen - en haar mogelijke implosie; de oneindige toelaatbaarheid van inhoud. Het semantische ‘alles’, dat gelijk staat met een semantisch ‘niets’.

Dat is de vertreksituatie: een neutraal, vliedend kader, dat formeel nadrukkelijk begrenst, maar inhoudelijk alles oproept en daardoor niets voorschrijft. Wat doen deze kunstenaars daarmee? De neiging zou groot kunnen zijn om het vierkant te bekijken als een formeel houvast en het netjes in te vullen. Dat is de gemakkelijkste oplossing. Maar kunst die niet het vulsel wil zijn van een lege vorm, moet de openheid van het vierkant naar binnen plooien.

Ze moet van het vierkant een huis maken; dijken bouwen, of misschien beter, een kanalensysteem dat uit de stortvloed van mogelijkheden mentaal voedsel distilleert. En uiteindelijk moet ze de niet-inhoud van deze semantische spons, dit ruimtelijke scherm, openbreken: haar breuklijnen plaatsen tegenover dit ongebroken wit.

Bijvoorbeeld door: verdeling en samenballing (Van Kerckhoven), het terugtrekken van de betekenis (Ewart), de ambiguïteit/gescheurdheid van het beeld (Burkhart), of door de overdrijving van deze vierkante leegte (López Cuenca). Of door de heimelijke inwendigheid van micro-gedachten die schuilgaat onder het schijnbaar luchtige oppervlak van de beelden die Jessica Diamond op de wand projecteert. Heimelijke infusies, vergiftigingen van de schijnneutraliteit van dit vierkant, waardoor het afwezige ‘achter’ van dit beeldscherm aangesproken wordt.

 

3. Kunstenaars

Al schilderend, projecteert Jessica Diamond haar filterdunne beelden op de muren, alsof het dia’s waren: visuele gedachten. Haar werken staan op kleine schijfjes, net een chip om informatie te bewaren. Daarmee kan ze een beeld opblazen tot het formaat van een hele wand, of juist niet.

In het museum projecteert ze vier beelden in elk vierkant, telkens één op een wand. Het ene beeld glooit over de boord onderaan de muur, het andere is tegen de deuropening aan gelegd. Het ene laag, het andere hoger. Vliegende rechthoeken, projecties die tot stilstand zijn gekomen en onmiddellijk weer zouden kunnen verdwijnen. Ze bestaan er slechts in een moment: het moment van hun projectie, op die plaats.

Diamond gaat uit van de totale abstractie van het beeld: het beeld dat verschijnt maar nooit ‘is’, of dat nooit ophoudt iets niet te zijn: afwezige inhoud.

“Everytime I had a problem I confronted it with the ax of art”: de tekst staat over het rode profiel van een bijl dat door een geel kader breekt. Of “Love forever”: in beide woorden is de ‘o’ dichtgekleurd tot een dikke stip, of een steen die de kijker wordt toegeworpen. De bijl is een snede in het beeld, de stip een vlek die ongevoelig is voor de blik die er op afglijdt als inkt die geen vat krijgt op een oppervlak: tekort aan visuele informatie, coupures in het scherm. De bijl scheurt het beeld of maakt van het beeld zelf een scheur, de stip doet het beeld zijn eigen blindheid uitspreken: beiden wijzen op een ontbreken. Beide zeggen dat er iets niet gezegd wordt. Het beeld/scherm wordt de scene van zijn eigen ontbreken: zichzelf scheurende projectie, breukvlak.

De beelden van Diamond verschijnen en verdwijnen als zeepbellen, maar niet zonder te breken met hun oppervlak: met zichzelf.

“Verdeel en heers” noemde Anne-Mie Van Kerckhoven ooit één van haar tentoonstellingen. Eén van haar twee vierkante kamers, ingeplant in de ruimte, verdeelde ze in twee helften en de laatste helft werd nog eens gesplitst: het vierkant is de scene van een toenemende verdeeldheid. Ze zet die verder in haar werk. Boeken stofstalen vormen dragers voor een database van beelden en gedachten, tientallen lagen dik. De“Jakobsladders” zijn plexi houders waarin doorzichtige schilderijtjes steken: een uiteengerafelde, verdeelde gelijktijdigheid. AMVK sleurt het vierkant mee in haar verdeelzucht, naarmate ze het doorkruist met structuur, het openscheurt of er wiggen in drijft - al bij het eerste werk, een vrijstaand tweeluik, een V-vorm open naar de toeschouwer, splijt de blik open als een wig en wordt ze twee kanten opgestuurd.

Van Kerckhoven manipuleert de ruimte naar binnen toe. Ze verbindt de structuur van de ruimte met haar eigen structuren en zuigt het vierkant daardoor mee in haar werk. Diamond projecteert visuele gedachten, Van Kerckhoven maakt visuele objecten. Het visuele materiaal is voor haar een tastbaarheid: een ding. Zo maakt ze ook van het vierkant een ding, een structuur die niet (meer) neutraal is maar een mentaal gegeven met een fysieke klank: een gevangenis. Door het gewicht van inwendige verdeeldheid, verschijnt het vierkant bij AMVK als kooi.

Diamond en Van Kerckhoven bepalen de meest totale momenten van deze tentoonstelling: totaal omdat ze het vierkant volledig in hun werk opnemen.

Kathe Burkhart daarentegen maakt - ondanks hun inhoud - klassieke schilderijen. Haar beelden herinneren in eerste instantie aan filmposters, strips, pop of achterbuurtcultuur, om maar een greep te doen. Ruimer gesteld: van ver smaken ze naar visuele consumptiecultuur, om dan die indruk van dichtbij weer te ontkrachten.

Ook met taal - dubbelzinnige slangwoorden - scheurt Burkhart het beeld: “PRICK” is een prik (de spuit op het schilderij), een penis (of een arrogante betweter): verscheurende liefde. De woorden rijten de beelden open, net zoals hun collage-achtige invulling. Of, en vooral de halstarrige aanwezigheid van details die weigeren in dat beeld op te gaan, die onverschillig tegenover het totaalbeeld bij zichzelf blijven staan. Haar in bladgoud, dat zich aan het vlak opdringt en het beeld opensnijdt. Scherven spiegelglas, formica met houttextuur. En de haast perverse zelfstandigheid van schilderkunstige details: de accentuering van een plooi, of het haar dat eindigt in wormige krulletjes. Het beeld zit vol perverse overtolligheden: wondjes in het vlak, littekens. Haar beelden hebben een huidziekte.

Het is die ‘ziektestructuur’ van het beeld die Burkharts werken redt van de cult-kunst, waaraan sommigen dan weer niet ontsnappen. Beelden van middeleeuwse foltertuigen zijn ingekaderd in een luxueuze gouden lijst en geordend tot een Grieks kruis: moordtuigen als pronkjuwelen en het museale vierkant als folterkamer. Met die referentie wordt deze zaal een interessant moment binnen de tentoonstelling, maar het werk op zich is te verleidelijk zonder meer. Het doet die verleiding te weinig bitter smaken.

De werken van Elizabeth Ewart bestaan alle vier uit letters, gevat in glasdallen, gevat in gekleurde houten constructies. Glasdallen zijn transparant én maken onleesbaar. Ze reiken betekenis aan en trekken ze terug: de semantische barrière als weerwerk tegen de openheid/onbeschrevenheid van het vierkant. De betekenis ligt verzonken in het glas en is niet minder troebel wanneer men ze er toch uit vandaan leest: “We never buried bucky in your suit”, “Ablah” en “Mazzazy”. Begraven taal, verzonken in halve (on)zichtbaarheid en in private referenties - wie is “Bucky”, wie deed wat? De troebelheid van Ewart is verzet, vertragingsmaneuver, zoals de details bij Burkhart dat zijn.

Soms werpt de betekenis-barrière zich op in één plastische geste - kantelende dallen, één lijn; soms is de ambiguïteit meer geconstrueerd, waardoor ze tussen voorbedacht statement en droge object-kunst dreigt te vallen. Op die momenten wordt ook Ewarts bijdrage meer een positiekeuze dan een artistieke kwaliteit.

Dat geldt voor Rogelio Lopez Cuenca helemaal. Net als het werk van Anne‑Mie Van Kerckhoven is zijn werk gesitueerd in vierkanten die in de rechthoekige museumruimtes zijn ingebouwd. Schilderijen met titels als “beauté” of “volupté” bestaan uit logo’s die samen die woorden vormen. Lege tekens die ‘volle’ begrippen weerkaatsen, logo’s die hun betekenis blokkeren en dus uithollen: object-letters. Een droge, didactische oefening in het ontmantelen van de betekenis: dit lesje hadden we al geleerd.

Lopez Cuenca voegt niets toe aan het vierkant, hij verdubbelt gewoon de semantische leegte ervan, mimeert ze zonder meer. Het vierkant en de kunst: dubbele luchtledigheid.

De werken in zijn andere vierkant combineren tekst met foto-fragmenten. Het opschrift “Strictly business/affairs of the heart” overlapt een moeilijk te ontcijferen beeldfragment: versneden aura’s, verknipte mysteries. Deze werken ontsnappen wel aan het simpel poneren van ‘leegte’ - cfr. de schilderijen - maar meer dan een beleefde ironisering van het geloof in representaties bieden ze niet.

“Vierkant” is zonder meer een erg intelligent gemaakte tentoonstelling. Dat het werk van tenminste twee kunstenaars problematisch is, mag duidelijk zijn. De aangehaalde problemen zijn niet onbelangrijk, maar omdat “Vierkant” geen evidente keuze heeft gemaakt, kunnen ze naar het tweede plan worden geschoven. Interessanter is de plaatsbepaling, het vierkant dus. Die terreinomschrijving is formeel even bepalend als ze inhoudelijk het woord aan de kunstenaars geeft. Het vierkant reikt plaatsen aan en doet niets anders dan de (d)warsheid van de kunstenaars provoceren. Het provoceert de gedeeldheid, de scheurende kracht van het kunstwerk door zijn blanke (schijn-)neutraliteit: de provocatie van een hoekig, wit blad. Een simpelere geste kon nauwelijks.

“Vierkant” is wars van de retoriek die andere tentoonstellingen van dit museum omfloersten. Dat heeft ze gemeen met “Ponton Temse” en die band is slechts schijnbaar een paradox: Temse als verscheurd terrein, het vierkant als scene van de inwendige verscheurdheid in het werk. Beide tentoonstellingen boden geen discours als houvast, “Ponton Temse” door de discontinuïteit van het opzet in al zijn geledingen, “Vierkant”omdat het vierkant naakte vorm is, zonder inhoud. Die totale openheid heeft van “Ponton Temse” één van de minst besproken, of één van de meest lamentabel besproken tentoonstellingen van het Gentse museum gemaakt, terwijl ze allicht de radicaalste - en de beste - was die het ooit realiseerde. De kritiek heeft blijkbaar de retoriek rond een tentoonstelling nodig om erover te spreken; of om er niet naar te moeten kijken. Die retoriek, dankbaar kritisch voer, was er rond “Ponton Temse” niet. Rond “Vierkant” evenmin.

“Vierkant” houdt geen richtlijn in, geen discours, geen retoriek. Ze is vraag: de provocatie van een blanco terrein. Ze vertegenwoordigt een stuk eigenheid van dit museum dat de kritiek om een ander discours vraagt dan het tot nu gevoerde: een discours dat zich niet in een ander discours vastbijt, maar in kunst.

 

De tentoonstelling “Vierkant”, met werk van Kathe Burkhart, Jessica Diamond, Elizabeth Ewart, Rogelio López Cuenca en Anne-Mie Van Kerckhoven, kan nog tot 13 februari 1994 bezocht worden in het Museum van Hedendaagse Kunst, Citadelpark, 9000 Gent (09/221.17.03).