Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 118 november-december 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Vingtième anniversaire du Musée Picasso - Picasso. La passion du dessin.

De grootste verzamelaar van Picasso’s werk, was Picasso zelf. Niet zonder enige trots verklaarde hij in de jaren zestig tegenover de Argentijnse fotograaf Roberto Otero: “Je suis le plus grand collectionneur de Picasso au monde.” Zijn ganse leven vergaarde hij in zijn respectievelijke huizen en ateliers talrijke stukken, van schetsboeken tot meesterwerken, waarvan hij geen afstand kon doen, soms om sentimentele redenen, zoals bij de portretten van zijn vrouwen en zijn kinderen, soms omdat het ging om sleutelwerken uit zijn veelzijdige loopbaan. Wanneer hij verhuisde sloeg hij de deur achter zich dicht en liet hij de werken die hij er gemaakt had gewoon achter.

Toen Picasso op 8 april 1973 overleed, wist niemand exact wat er zich in deze verlaten ateliers bevond. In het kader van de enkele jaren daarvoor gestemde wet op de dation waren de erfgenamen onmiddellijk bereid om hun successierechten te betalen in kunstwerken. Zo kon de Franse staat, lang voordat de erfgenamen konden beginnen met de verdeling van deze unieke verzameling, uit de talrijke kunstwerken een representatieve keuze maken. In totaal ging het om 203 schilderijen, 158 beelden, 29 reliëfs, 88 ceramische stukken, meer dan duizend tekeningen, een dertigtal schetsboeken, meer dan 1600 prenten en talrijke manuscripten. De selectie werd pas zes jaar later door de Franse staat bekrachtigd.

Gelijktijdig werd gezocht naar een gebouw dat deze unieke verzameling op een waardige manier kon bewaren en presenteren. De keuze viel op het Hôtel Salé in Parijs, een 17de-eeuws hôtel particulier in de Marais waar de Ecole des Métiers d’Art na de oorlog was ingetrokken, maar dat inmiddels al tien jaar leeg stond. Picasso had er nooit gewoond of gewerkt, maar de allure van het huis was de meester waardig. Picasso hield van statige herenhuizen met een zekere grandeur. De restauratie duurde tien jaar en op 1 oktober 1985 opende het derde Picassomuseum, na Antibes (1949) en Barcelona (1963), zijn deuren. Ondertussen is er enkele jaren geleden in Malaga, zijn geboortestad, een vierde museum bij gekomen.

De laatste jaren werd de wet op de dation ook toegepast voor intussen overleden erfgenamen van Picasso. Zo ‘betaalde’ de dochter van Jacqueline, Picasso’s tweede vrouw, in 1990 haar successierechten met 47 schilderijen, 2 beelden, een veertigtal tekeningen, 24 schetsboeken, gravures en ceramiek. Daarnaast wordt de verzameling van het museum ook regelmatig aangevuld met schenkingen en legaten.

Voor zijn twintigste verjaardag trakteert het Musée Picasso zichzelf op een prachtige tentoonstelling met uitsluitend tekeningen. Uit de meer dan duizend tekeningen in de collectie, aangevuld met enkele vroege werken uit het Picasso museum van Barcelona, maakte het museum een mooie keuze die Picasso’s artistieke loopbaan volledig overspant. Waar vroeger de schilderijen hingen, wordt nu hetzelfde verhaal verteld, maar ditmaal in zwart-wit. Meer dan bij de schilderijen voelt de toeschouwer zich hier betrokken bij het experimenteel karakter van het scheppingsproces. In de blauwe periode wordt de tekening streng en scherp, altijd breed, trefzeker en vlot. De kubistische tekeningen staan nog dicht bij de werkelijkheid en hebben meer oog voor de menselijke figuur dan voor het stilleven.

De tentoonstelling bevat bekende tekeningen, zoals het portret van Apollinaire met hoofdverband, het pastel- en houtskoolportret van Olga of de ingreske lijntekeningen van de drie componisten Manuel de Falla, Erik Satie en Igor Stravinsky uit 1920. Maar ze toont ook minder gekende aspecten van het oeuvre. Zo stuurde Picasso tijdens de Eerste Wereldoorlog vurige liefdesbrieven naar een mysterieuze Mme L., rijk geïllustreerd met aquarellen van Provençaalse interieurs en versierd met abstract-geometrische motieven. Ook de ontwerpen voor decors en kostuums van talrijke balletten zijn in de tentoonstelling goed vertegenwoordigd.

Ter gelegenheid van de verjaardag van het museum schonk Bernard Ruiz Picasso, zoon van Paolo en Christine en kleinzoon van de schilder, Femme nue de trois quarts dos uit 1907, een olieverfschilderij dat deel uitmaakt van een reeks studies voor Picasso’s op één na bekendste werk, Les Demoiselles d’Avignon (1907). Het werk dat zich momenteel in New York bevindt werd in 1937 door de weduwe van de Franse modeontwerper en verzamelaar Jacques Doucet aan het MoMA verkocht en was in 1988 voor het laatst in Europa te zien, in het Parijse Picassomuseum. De kans is klein dat het hier ooit nog zal terugkeren. Autour des Demoiselles d’Avignon vormt een afzonderlijke tentoonstelling in La passion du dessin, waarin alle tekeningen rond het ontstaan van Les Demoiselles uit de eigen collectie werden samengebracht. In zeven schetsboeken kan de evolutie van dit complexe schilderij, dat oorspronkelijk een bordeelscène moest voorstellen in de carrer d’Avinyó, de hoerenbuurt van Barcelona, van dichtbij worden gevolgd: het plaatsen van de personages binnen de steeds veranderende compositie, de studies van naakte vrouwen, of van de zeeman en de student in de medicijnen die in de uiteindelijke versie verdwenen zijn. Picasso’s belangstelling voor Afrikaanse beelden en Iberische sculptuur is ook hier reeds duidelijk merkbaar.

Eveneens in relatie tot het kubisme is het boeiend te zien hoe zijn eerste gezellin Fernande hem oorspronkelijk inspireerde tot sensuele en voluptueuze vormen en hoe in een later stadium haar stevig gebouwde lichaam aanleiding zal geven tot het oplossen van plastische problemen. Het is op een studie van haar gelaat voor het bronzen beeld Tête de femme, dat Picasso voor het eerst de indeling van de ruimte in afzonderlijke facetten zal toepassen, wat uiteindelijk zal leiden tot het analytisch kubisme. Door vereenvoudiging wordt het portret een ‘tête’. De identiteit wordt anekdotisch, wat telt is de plastische vorm van het object.

Een gelijkaardige verschuiving zien we in de evolutie van de portretten van Dora Maar naar La femme qui pleure. Hier is ze zelfs geen ‘tête’ meer, maar een afschuwelijk, door de dood bezeten dier. Door haar te ontmenselijken maakt Picasso van haar het eigenlijke zinnebeeld van wanhoop en pijn. Een van de meest merkwaardige tekeningen uit de reeks van de wenende vrouw is Feuille d’études: larmes (1937). Hier is het gelaat van Dora Maar herleid tot twee tranende ogen, die in een zakdoek op handen worden gedragen. Als evocatie van het universele lijden en de totale wanhoop vormt deze tekening een perfect postscriptum bij de Guernica.

 

• Picasso. La passion du dessin loopt nog tot 9 januari 2006 in het Musée Picasso, Hôtel Salé, 5 rue de Thorigny, 75003 Parijs (01/42.71.25.21; www.musee-picasso.fr).