Wouter Van Acker

DE WITTE RAAF

Editie 118 november-december 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Carl Andre. Cuts: Texts 1959-2004

Met de bundeling van zijn talig werk eist Carl Andre, een van de protagonisten van de minimal art uit de jaren ’60 en ’70, terecht een plaats op als artist-writer tussen tijdgenoten als Donald Judd, Robert Smithson, Robert Morris en Dan Graham. Al deze figuren beschouwden het schrijven als een volwaardig onderdeel van hun artistieke praktijk. Schrijven was een kritische onderneming waarmee ze het dominante discours van de kunstkritiek uit de jaren ’60 trachtten te sturen en te beïnvloeden. Binnen deze groep van kunstenaars-schrijvers neemt Andre echter een bijzondere plaats in. Hij schrijft geen kritische recensies over de tentoonstellingen in New York, zoals Donald Judd, hij publiceert geen essays zoals Robert Morris’ Notes on Sculpture, en evenmin schrijft hij conceptuele teksten, zoals Smithson en Graham, of manifesten zoals Sol LeWitt met zijn Paragraphs on Conceptual Art. In tegenstelling tot Judd of Morris is Andre niet geïnteresseerd in het opstellen van een theoretisch kader voor het debat rond de minimal art. Hij vermijdt zelfs uitdrukkelijk elke theoretische ondersteuning van zijn kunst. Alles wat hij te zeggen heeft, zit in het werk. Kunst is volgens Andre niet linguïstisch, maar fysiek van aard. “My sculptures are the result of physical operations in the material world. Theories are linguistic exercises only.” De beleving is primair. Op zijn best vat de kritiek die beleving in woorden. Toch wil de beeldend kunstenaar Andre wel schrijven en praten over zijn werk, maar op zo’n manier dat men hem niet op zijn woord neemt.

Andre’s teksten trekken het werk open door middel van statements, dialogen, brieven, spreuken, epigrammen of gedichten, zodat het een steeds breder register beslaat. Deze uitdrukkingsvormen motiveren de sculpturen niet, maar ondersteunen ze met referenties naar andere kunstenaars, schrijvers, kunstvormen of autobiografische gegevens. Zo is het beruchte statement over Frank Stella’s intrede in de kunstwereld, Preface to Stripe Painting, niet bedoeld als manifest, maar eerder als positionering tegenover andere kunstenaars. Deze proloog van de minimal art werd trouwens geschreven op verzoek van Stella en is opgesteld als een dialoog. Andre opteert wel vaker voor de niet betogende dialoogvorm, bijvoorbeeld in de vele brieven en de andere conversaties in het boek. De gesprekken met fotograaf en filmmaker Hollis Frampton verspringen van de ene naar de andere vraag, zonder dat een beargumenteerd verhaal wordt geconstrueerd. Ook de brieven zijn dialogen, al is de ontvanger hier afwezig. In de vriendschappelijke brieven aan Reno Odlin beschrijft hij zijn ontwikkeling tot dichter en geeft hij zijn mening over figuren als Chaucer, Shakespeare en Michelangelo. In de open brieven daarentegen tracht hij misplaatste uitlatingen van critici recht te zetten. Zo weerlegt Andre in een brief aan de editor van Artforum de stelling van critica Barbara Rose dat zijn werk verbonden is met dat van Andy Warhol, Marcel Duchamp en het objet trouvé. Met het spitsvondig epigram “Art Theory/ DOGMA:I:AMGOD” hekelt en omzeilt Andre dan weer de kunstkritiek.

Andre’s afkeer van de essayvorm gaat verder dan een persoonlijke weigering om de rol van criticus op te nemen. Zijn aversie heeft te maken met een aanhoudend verzet tegen elke vorm van syntaxis, als dichter of als kunstenaar. Hij wil de logische samenhang van proza vermijden: “I am trying to demonstrate qualities of specific cuts of language by means other than grammar, logic, and association.” Proza wil betekenis stichten. Het stelt woorden samen tot een zin, zinnen tot een paragraaf, paragrafen tot een essay. Het equivalent in de beeldende kunsten noemt Andre de plastische methode. Hij heeft het over een historische categorie in de beeldhouwkunst, van de klassieke oudheid tot het kubisme en David Smith, waarbij de sculpturale elementen worden gezien als delen van een coherent lichaam. Wat Andre het meest stoort aan deze syntactische visie, is dat het semantische verband altijd primeert op de bijzonderheid van het deel. In zijn poëtische en sculpturale ‘vlakken’ stelt Andre daar een clastische samenhang tegenover. Hij benadrukt de specificiteit van het deel, eerder dan de compositie van het geheel. In het ‘gedicht-vlak’ over Sol LeWitt schikt Andre de letters van de tekst When you go to Sol you see music in de vorm van een piramide of een rechthoek, of rond een ruitvorm. De visuele syntaxis laat toe om de boodschap ook echt als muziek te ‘zien’. Andre vernietigt dus niet eenvoudigweg het grammaticaal verband. Eerder wordt het potentieel van een niet-semantische grammatica onderzocht. In het gedicht green wordt het woord ‘green’ in gridvorm 764 keer herhaald. Door herhaling als grammaticaal bindmiddel te gebruiken, krijgt het woord zoveel gewicht dat het zijn betekenis haast niet meer kan overdragen. Wat overblijft van het woord is de tactiliteit van de letters.

Woorden, zinnen of paragrafen worden niet enkel aan stukken gesneden. De zuivere tekstmaterie die resulteert uit the cut, versnijdt op zich weer de ruimte van het blad. Andre’s poëzie fungeert als talige tegenhanger van zijn sculpturaal werk: “Up to a certain time I was cutting into things. Then I realized that the thing I was cutting was the cut. Rather than the cut into the material, I now use the material as the cut in space.” Niet enkel in de gedichten, maar ook in de dialogen, brieven en statements wordt elke argumentatie ’versneden’ en wordt een nieuwe orde geponeerd. Geschreven en beeldend werk lopen dus probleemloos in elkaar over, als één praktijk. Het boek Cuts: Texts 1959 – 2004 toont aan dat Andre zijn kunst op een consequente manier met woorden verruimt, zonder zich op een tweede identiteit als kunstcriticus te moeten beroepen.

 

• Carl Andre Cuts: Texts 1959 – 2004 (James Meyer, red.) verscheen in 2005 bij MIT Press (Cambridge, Massachusetts/London). Het boek kan besteld worden bij The MIT Press, Fitzroy House, 11 Chenies Street, London WC1E 7EY (020/73.06.06.03; info@hup-mitpress.co.uk; http://mitpress.mit.edu). ISBN 0-262-01215-4.