Sven Sterken

DE WITTE RAAF

Editie 118 november-december 2005

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Pan Am Building

De voorbije zomer verscheen in een Vlaamse krant een reeks over “de lelijkste gebouwen in Vlaanderen”. Zoals vaak waren de architecten daarbij de kop van jut. Spreken over de bebouwde omgeving in een dergelijk beperkt kader doet de architectuur onrecht aan. Het reduceert architectuurkritiek tot een cafébetoog waarvan de argumentatie enkel op intuïties en subjectieve criteria berust. De finaliteit van architectuurkritiek ligt elders. Het gaat er niet om een esthetisch oordeel te formuleren, maar om bij te dragen tot een rationele receptie, perceptie en appreciatie van een gebouw. Aandacht voor de context en een begrip van de complexiteit van elke bouwopgave zijn daarbij primaire vereisten. Architectuur krijgt zijn betekenis immers maar met de tijd. Sommige gebouwen roepen jaren na hun voltooiing nog steeds vragen op, blijven polemische reacties uitlokken of bieden telkens weer ruimte voor alternatieve interpretaties. Vanuit dit standpunt kunnen ook ‘lelijke’ gebouwen beladen worden met betekenis en daardoor belangwekkend worden. De Pan Am Building in New York (1964) is daarvoor exemplarisch. Zoals de Amerikaanse architectuurhistorica Meredith Clausen aantoont in haar lijvige en uitvoerig gedocumenteerde monografie The Pan Am Building and the Shattering of the Modernist Dream, vormt dit gebouw, hoewel het geen bijzondere esthetische of functionele kwaliteiten bezit, een onmiskenbare landmark in de stad, en maakt het fundamenteel deel uit van het collectieve geheugen van de New Yorkers.

De Pan Am Building werd opgetrokken bovenop de spoorbundel van het Grand Central Station in het hart van Manhattan. De site aan Park Avenue gold in de jaren vijftig als de meest waardevolle bouwgrond ter wereld. Kort na de Tweede Wereldoorlog besloot de eigenaar, een spoorwegmaatschappij, de grond te gelde te maken om haar verlies aan inkomsten te compenseren. Dat leidde tot een van de meest ambitieuze vastgoedoperaties uit de geschiedenis, waarbij promotoren, investeerders en architecten de grenzen van het haalbare verlegden. Alles aan deze kantoormonoliet, waar bijna 20.000 mensen werken, was spectaculair, groot en duur. In bruikbare kantooroppervlakte was het in zijn tijd het grootste gebouw ter wereld. Het was niet alleen uitgerust met de snelste liften, het bezat ook de grootste telefooncentrale (22.000 lijnen) en had zelfs een eigen helihaven op het dak. Het bouwen van deze stad in de stad was een constructief en structureel huzarenstukje. Niet alleen mocht het treinverkeer (dat tussen de funderingspijlers loopt) geen hinder ondervinden, ook was het bouwterrein bijzonder krap. Ondanks het enorme technische en financiële risico werd de operatie een commercieel succes: bij de opening in 1964 was meer dan 90% van de kantoorruimte al verhuurd. Dat was voor een groot deel te danken aan de bekendste huurder, de luchtvaartmaatschappij Pan Am, die het gebouw zijn naam gaf en er later ook eigenaar van zou worden. Het huurcontract met Pan Am was het duurste en meest lucratieve ooit in de vastgoedgeschiedenis. Als trendsetter van het transcontinentale vliegverkeer gold de maatschappij als een mondiaal symbool voor de VS als opkomende supermacht.

Het zijn echter niet de duizelingwekkende cijfers die de Pan Am Building tot icoon van de moderne architectuur hebben gemaakt. Ook het feit dat de naam van Walter Gropius opduikt, een van de founding fathers van het modernisme in de architectuur, kan deze reputatie niet verklaren. Gropius trad op als consulent, hij moest de hele onderneming een zekere geloofwaardigheid geven, maar zijn naam alleen kon de stedenbouwkundige en architecturale tekortkomingen van het complex niet goedmaken. Clausen suggereert dat de bekendheid van de Pan Am Building dan ook eerder te danken is aan de academici, critici en journalisten die erover geschreven en gedebatteerd hebben. Weinig projecten uit de architectuurgeschiedenis lokten zo’n controverse uit als de Pan Am Building. De vraag of het verantwoord was om nog eens 20.000 pendelaars in dit overbelaste stadsdeel te pompen, hield de pers van in het begin bezig. Daarnaast werd ook het zielloze uitzicht gehekeld, net als de onmenselijke schaal en de slechte integratie in de omgeving. Al snel werd de Pan Am Building een symbool voor een breed maatschappelijk probleem, namelijk de uitholling van de stad door promotoren, investeerders en architecten. Aspecten als leef- en woonkwaliteit, stedelijkheid, esthetiek of architecturale expressie moesten sneuvelen voor een maximaal profijt per vierkante meter. De verontwaardiging over de deelname van Gropius aan een dergelijke speculatieve onderneming was groot. De voormalige bezieler van het Bauhaus en decaan van de architectuurschool van Harvard, stond symbool voor een integere en sociaal geïnspireerde benadering van stad en architectuur. Niet het grote ontwerpgebaar, maar de gebruikers en de bewoners stonden bij hem centraal. Maar deze keer, zo luidde het, had hij een pact met de duivel gesloten. Op een ironische en haast perverse manier illustreerde hij hoe de rebelse avant-garde van weleer, de zelfverklaarde wegbereiders van een nieuwe sociale orde, tam waren gemaakt door het grootkapitaal. De controverse zou Gropius blijven achtervolgen tot aan zijn dood in 1969. Met hem stierf voorgoed het geloof in de idealen en doctrines van de moderne architectuur.

De stuiptrekkingen van het modernisme vormen de rode draad in Clausens doorwrochte studie. Zij tracht aan te tonen dat het discours rond de Pan Am Building niet alleen de ommekeer in de appreciatie voor moderne architectuur illustreert, maar dat het gebouw zelf die evolutie in de hand heeft gewerkt. De Pan Am Building demonstreerde dat de moderne architectuur, ontdaan van haar sociale inslag, de potentie bezat de stad te vernietigen. Zo stond het gebouw niet zomaar langs Park Avenue, maar er dwars op. Het majestueuze perspectief op een van de meest beroemde lanen ter wereld werd door deze arrogante mastodont beknot. Dat was een brug te ver – die consensus deelden de architecten en de critici met de man in de straat.

In The Pan Am Building staat dit proces van maatschappelijke bewustwording centraal. Het boek is dan ook eerder een discoursanalyse dan een technische of academische monografie over een bepaald gebouw. Het complexe en academische vertoog van Clausen omvat meerdere verhaallijnen en een groot aantal subthema’s. In eerste instantie gaat het over mensen: promotoren, architecten, critici, gebruikers en omwonenden. Elk van deze actoren speelt mee in een drama over de onmogelijkheid van ruimtelijke planning, in een context van keiharde speculatie, schaalvergroting en opkomende mondialisering. Clausen schenkt ook aandacht aan de ontwikkelingen binnen de architectuurpraktijk die het gevolg waren van deze geschiedenis. De Pan Am Building werd niet door één verlicht genie ontworpen, maar door een heel team. Velen meenden in deze ‘anonieme’ manier van werken een verklaring te vinden voor de banale architectuur. Een ander belangrijk subthema is de rol van de architectuurkritiek. Clausen reconstrueert uitvoerig het discours van twee prominente architectuurcritici in The New York Times en Architectural Forum, waarbij ze nauwkeurig de nuanceringen en verschuivingen in de berichtgeving traceert en mogelijke interpretaties aan de lezer voorlegt. Ze stelt dat het pessimistische en vaak cynische discours rond de Pan Am Building mee aan de basis lag van het postmodernisme en de crisis van het architectenberoep in de jaren ’70. Het onvoorwaardelijke vooruitgangsdenken van de moderne architecten maakte plaats voor een herwaardering van historische stijlen en tradities. Tegelijk begon men te beseffen dat bouwwerken niet alleen een kunsthistorische of economische waarde kunnen bezitten, maar ook een structurerende rol kunnen spelen in het collectief geheugen van een gemeenschap. Dergelijke gebouwen zijn niet alleen een fysiek, maar ook een mentaal baken in de stad. De ontgoocheling over de voltooide Pan Am Building stimuleerde architecten, bewoners en critici om hun krachten te bundelen en te redden wat er nog overbleef. Niet de Pan Am Building, maar het ernaast gelegen Grand Central Station kwam daardoor in de aandacht. De commotie rond de geplande afbraak leidde op het einde van de jaren ’60 tot een bescherming van het station, een primeur voor New York. Tot slot schetst Clausen ook het verhaal van de steile opkomst en ondergang van de luchtvaartmaatschappij die de Pan Am Building zijn naam gaf. Pan Am Airways kreeg zware klappen in de jaren ’80, waardoor de maatschappij de aanslag op het Pan-Amtoestel boven het Schotse Lockerbie in 1988 niet overleefde. Hoewel de verkoop van de Pan Am Building opnieuw een recordprijs opleverde, kon daarmee slechts een fractie van de schuldenput worden gedempt. Met de naamsverandering van het gebouw in Met Life Building – naar de nieuwe eigenaar, een verzekeringsmaatschappij – eindigde dan ook een tijdperk.

 

• Meredith L. Clausen, The Pan Am Building and the Shattering of the Modernist Dream, Cambridge (Mass.), MIT Press, 2005. Het boek kan besteld worden bij The MIT Press, Fitzroy House, 11 Chenies Street, London WC1E 7EY (020/73.06.06.03; info@hup-mitpress.co.uk; http://mitpress.mit.edu).