Erik Maertens

DE WITTE RAAF

Editie 46 november-december 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Naam: Menard, Pierre Beroep: Schrijver Aanklacht: Valsheid in geschrifte

Van Borges zijn de uitspraken bekend dat de belangrijkste gebeurtenis in zijn leven de bibliotheek van zijn vader is geweest en dat hij zichzelf een groter lezer dan schrijver vond. Dikke boeken schrijven vond hij een omslachtige en verarmende extravagantie en hij gaf er naar zijn eigen zeggen de voorkeur aan imaginaire boeken van commentaar te voorzien. Zulke verhalen heeft hij ook werkelijk geschreven. Zijn ze zo al interessant omdat ze de hiërarchie aan het wankelen brengen waarin categorieën als origineel en commentaar worden gedacht, dan worden ze nog intrigerender omdat ze op een merkwaardige manier tonen hoe hij zijn eigen beperkingen en voorkeuren wist te combineren. Door vertellingen te schrijven in de vorm van essayistisch commentaar bij een fictioneel boek - een boek dat zijn bestaan ontleent aan de verwijzing ernaar in het verhaal - kon hij zich beperken tot de idee voor een boek zonder aan het omslachtige schrijven ervan te hoeven beginnen. Via de lezing van dat imaginaire boek kon hij dan meteen overgaan tot een in omvang veel beperkter - en voor hem als groot lezer wellicht ook interessanter - speculatie omtrent de betekenis ervan.

 

Het geval Menard

Een van de bekendste verhalen uit die reeks is “Pierre Menard, author of the Don Quixote”. Het wordt gepresenteerd als een rechtzetting bij een elders gepubliceerd overzicht van wat van de hand van Menard verschenen is. Volgens Borges werd het belangrijkste echter weggelaten, zijn onzichtbare werk: een aantal fragmenten van de “Don Quichotte”. De tekst die we te lezen krijgen moet de schijnbare dwaasheid van die bewering toelichten. Menard, een symbolist uit Nîmes en een vriend van Valéry, had zich voorgenomen om de “Don Quichotte” te herschrijven. Niet om een kopie zou het gaan maar om het werk zelf. Aanvankelijk had hij dat proberen te doen door zich in te leven in de figuur van Cervantes: Spaans spreken, katholiek worden, vechten tegen de Moren en de Turken, de geschiedenis tussen 1602 en 1918 vergeten. Maar dat was volgens hem veeleer te gemakkelijk dan onmogelijk en vooral was het de minst interessante manier. Het kwam er voor Menard op aan zichzelf te blijven en de “Don Quichotte” als werk te voleindigen via zijn eigen ervaringen. Zoals zoveel geniaal werk, aldus Borges, is het onafgewerkt gebleven; alleen het negende en het achtendertigste hoofdstuk van het eerste deel en een fragment van hoofdstuk tweeëntwintig zijn volledig afgeraakt. Bij nader onderzoek blijken beide teksten identiek, maar volgens Borges is die van Menard ontegenzeggelijk superieur aan die van Cervantes: hij is rijker en subtieler en vooral het opmerkelijke stijlverschil komt bij vergelijking nadrukkelijk naar voren. De archaïsche stijl van Menard is veel rijker dan die van zijn voorganger die het Spaans van zijn tijd met gemak hanteerde. Blijven denken als een 20ste eeuwse symbolist uit Nîmes en schrijven in de stijl van een 17de eeuwse Spanjaard, verleent de woorden een totaal andere betekenis en met die woorden het hele verhaal. Menard, zo sluit de auteur af, heeft misschien zelfs zonder daarop aan te sturen, de in het slop geraakte en rudimentaire kunst van het lezen met een nieuwe techniek verrijkt: het opzettelijk anachronisme en de verkeerde toeschrijving.

 

Een corpus delicti

“Pierre Menard, author of the Don Quixote” is een verhaal over het verschil tussen lezen en schrijven - bij uitbreiding: het maken van kunst en de perceptie ervan - en over het auteurschap. We vinden er ten eerste twee schrijvers in, Cervantes en Menard, waarvan de een de “Don Quichotte” schreef en de andere ook. De fragmenten van Menard zijn identiek aan die van Cervantes; we spreken voor het gemak van een perfecte vervalsing. Ten tweede is er de lezer Borges die zowel de originele tekst als de vervalsing las; hij is tevens de schrijver van het verhaal. Wat een kunstwerk en de perfecte vervalsing ervan betreft, daar zijn precedenten voor. Magritte bijvoorbeeld maakte twee exemplaren van “La Saveur des Larmes”. Volgens Marcel Mariën moet het ongeveer zo in zijn werk zijn gegaan. Magritte had op een bepaald moment twee kopers voor hetzelfde schilderij. De ene zou de koop hebben voorgesteld nadat het doek al aan de ander was verkocht. Het probleem was nu dat beide kopers het doek in Magrittes atelier hadden gezien; hij kon zich dus niet uit de situatie redden door voor de tweede koper een variant van het schilderij te maken, iets wat hij wel meer had gedaan. Hij maakte dus een letterlijke kopie. Zelfs de titel en de datum van het werk zijn op exact dezelfde plaats en manier op de achterkant van het doek aangebracht. Aangezien Magritte er de persoon naar was om uit onverschilligheid of gewoon voor de grap het eerste exemplaar aan de tweede koper te leveren en de kopie ervan aan de eerste, valt het volgens Mariën niet te zeggen welk van de twee het origineel is, het is overigens een weinig interessante vraag. Als motto voor zijn verhaal koos Mariën een citaat van Valéry: “Het is de vervalser die het verschil uitmaakt tussen een echt en een vals bankbiljet. Een van vervalsing betichte man wordt voor het gerecht gedaagd. Twee biljetten met hetzelfde volgnummer liggen op de tafel van de rechter en het is volstrekt onmogelijk om verschillen tussen de twee aan te wijzen. -Waar beschuldigt u mij eigenlijk van, zei hij. -Waar is het corpus delicti?” Zowel bij de valsemunter als bij Magritte is er absolute zekerheid over het bestaan van de vervalsing, er is zelfs volstrekte zekerheid over het bestaan van het bewijs daarvoor, maar het bewijsstuk kan onmogelijk worden geïdentificeerd. Bij Magritte is het overigens nog de vraag of er een vervalsing is. Aangezien de signatuur niet werd vervalst, kan alleen maar gesproken worden van een volkomen legitieme kopie.

 

Vervalsing als de herschepping van het werk zelf

De aanpak van Menard onderscheidt zich op twee cruciale punten van de bovengenoemde voorbeelden. Ten eerste wil hij geen kopie maken maar het werk zelf en ten tweede heeft hij de signatuur van Cervantes niet vervalst: niemand anders dan hijzelf is de auteur van de “Don Quichotte” en hij heeft dan ook met zijn eigen naam ondertekend. Het corpus delicti valt met gemak aan te wijzen maar het identificeren van de misdaad is een stuk lastiger. Valsheid in geschrifte? Vergeet het. Juist door het feit dat hij het met zijn eigen naam heeft gesigneerd, wordt zijn werk, dat ogenschijnlijk een kopie is, veel rijker dan het gelijknamige boek van de Spanjaard. Menard is een geval apart en dat wordt nog duidelijker als we hem vergelijken met een kunstenaar die veel met hem gemeen heeft: Wyatt Gwyon uit “The Recognitions” van William Gaddis. Gwyon is een anachronisme op zich. Hij is in de verkeerde periode geboren; zijn kunstopvatting is er een die thuishoort in de tijd van de Vlaamse Primitieven. Hij maakt perfecte kopieën van Memling en Van der Goes omdat hij aan den lijve begrijpt wat de kunst uit die periode tot kunst maakt. Dat hij zich identificeert is niet pragmatisch van aard. Het is niet louter een middel om een kopie te kunnen maken maar een bijna existentiële noodzaak die er hem toe drijft de werken zelf te herscheppen. Basil Valentine, een ander personage in de roman, zegt tegen Gwyon: “Ik heb het werk zelf bekeken, en het is magnifiek. Het is bijna perfect, een perfecte Van der Goes. -Ja, maar ik ... Zo simpel ligt het niet, weet je. Ik bedoel, het schilderij zelf, de Van der Goes, herhaalde hij [Wyatt Gwyon] [...] dat is ... het mijne.” Voor deze man, die niet in originaliteit gelooft, betekent het geheim van andermans schilderen stelen zoveel als de steen der wijzen vinden. Zijn vervalsen, dat een heimelijk aspect heeft en gepaard gaat met soms bizarre kunstgrepen, is in de eerste plaats een praktijk van toeëigening. Dat hij uiteindelijk niet zijn eigen naam onder zijn werk mag zetten omdat het voor de kunsthandel is bestemd, is voor hem een bron van frustratie omdat hij daardoor het kunstwerk verliest. “-Terwijl je er dus aan bezig bent, is het je eigen werk, zei Basil Valentine. -En als je de signatuur aanbrengt? -Ja, het moment dat ik signeer, zei hij terwijl hij zijn hoofd opniew deed zakken, verandert alles, het moment dat ik het signeer en... het verlies” (p. 251). Het al of niet signeren verandert het spel van identiteit en verschil. Wyatt signeert met de naam van degene waarop zijn schilderij teruggaat en maakt zo van zijn werk een kopie terwijl zijn hele nachtelijke bestaan erop is gericht de werken zelf te maken. Het signeren doet het werk zijn betekenis verliezen. Menard van zijn kant ondertekent zijn werk met zijn eigen naam en maakt daarmee van wat op het eerste zicht een kopie kan lijken, een oorspronkelijk werk. 

 

Vervalsen als kunst van de mogelijkheid

Ook qua techniek verschillen de twee grondig. In beide gevallen is het vervalsen op het herscheppen en niet op het kopiëren gericht, maar hun praktijk is verschillend gestructureerd. Terwijl bij Gwyon de identificatie een existentiële noodzaak is, wordt ze door Menard als te makkelijk afgewezen. Om elke grond weg te nemen voor het vermoeden dat hij zich met Cervantes zou identificeren, heeft hij trouwens met opzet de autobiografische inleiding van het tweede deel weggelaten. Het raster van hun vervalsingspraktijk is op een tegenovergestelde manier georiënteerd in de tijd. Bij Gwyon gaat de tijdsvector in de richting van het verleden via een geheugen dat verder reikt dan het persoonlijke; het is het geheugen van de geschiedenis en de schilderkunst: “-(...) de herkenningen gaan veel dieper, ze gaan veel verder terug, en ik... dit... de röntgentests, en ultraviolet en infrarood, de experten met hun fotomicrografie en... macrofotografie, denk je dat dat volstaat? Sommigen zijn niet achterlijk, ze gaan niet zomaar alleen op zoek naar een hoed of een baard, of een stijl die ze kunnen herkennen, ze kijken met een geheugen dat... verder teruggaat dan zijzelf, dat teruggaat naar... waar het mijne naartoe gaat” (p. 250). De vervalsingskunst van Gwyon is een kunst van het geheugen en de inleving. Die van Menard daarentegen is de kunst van de mogelijkheid. Vanuit zijn eigen tijd en zijn persoonlijk geheugen doet hij een gooi naar de toekomst, naar het moment waarop hij de “Don Quichotte” zal bereiken. In zekere zin kan het verhaal van Menard in het verlengde worden gelezen van een ander verhaal van Borges, “De bibliotheek van Babel”, de bibliotheek waar alle mogelijke boeken op de plank staan. Elk boek is in die verzameling een welbepaalde combinatie van lettertekens en interpunctie maar heeft in het geheel geen vooraf meegegeven dimensie in de tijd. Vanuit dit idee bekeken bestaat Menards vervalsingskunst erin de “Don Quichotte” te schrijven als een van de boeken uit het tijdloze reservoir van al de boeken die mogelijk zijn. Het feit dat de “Don Quichotte” al eens door iemand anders werd geschreven is in deze optiek een te verwaarlozen bijkomstigheid. De bibliotheek van Gwyon is zoals een geheugen geordend volgens periode en kunstenaar en een werk eruit vervalsen kan alleen door zich al herinnerend in te leven.

 

Vervalsing als leesstrategie

Naast de twee schrijvers in het verhaal van Menard is er ook een lezer die beide schrijvers gelezen heeft: Borges. Het verhaal is eigenlijk een variatie op en een uitwerking van zijn eigen leeservaring met de “Don Quichotte”. Hij had het boek eerst in het Engels gelezen en toen hij het later in zijn originele taal las, gaf het hem de indruk een slechte vertaling te zijn. Verder is het tekenend voor de schrijver Borges dat hij het belang van de schrijfkunst van zijn Menard inschat als een leestechniek met ongekende mogelijkheden. Menards vervalsing is hard labeur waarbij duizenden bladzijden kladwerk vernietigd worden tot hij uiteindelijk de fragmenten geschreven krijgt. Borges leest zijn lotgevallen als een metafoor voor het lezen en puurt er de vervalsing als leesstrategie uit: het opzettelijk anachronisme en de verkeerdelijke toewijzing. Wat Borges met de figuur van Menard in scène zet, is de vraag wat er gebeurt als je de “Don Quichotte” zou lezen als een boek van een symbolist uit de 20ste eeuw. De voorgestelde strategie is een creatieve vorm van wat later misinterpretation zal worden genoemd. Het aantal boeken in de bibliotheek van Babel wordt zo vermenigvuldigd met het aantal mogelijke lezingen ervan. De lezer die plaats neemt in de bibliotheek wordt een contextgevoelige semiotiseringsmachine die het boek op een even doorslaggevende manier maakt als de auteur. Tegenover de arbeidsintensieve en vermoeiende bezigheid van het letterlijke vervalsen komt een elegante leespraktijk te staan die met een kleine ingreep maximaal rendement geeft. De lezer wordt een gentleman-misdadiger die kalfsleren handschoenen draagt en geen sporen achterlaat in de tekst. Met de naam onder de tekst door een ander te vervangen raakt hij van een hoop evidenties af die aan de tekst vastzitten en kan hij aan zijn heimelijke bezigheid beginnen die van het lezen een avontuur maakt.

 

De vervalsing vervalsen

Borges noemt het opzettelijk anachronisme en de verkeerde toewijzing als kenmerken van de vervalsing als leesstrategie. Wat betekent die foutieve toewijzing bij het letterlijke vervalsen? De vervalser die zijn werk ondertekent met de naam van zijn voorbeeld, vervalst de signatuur en wijst daarmee het werk op een verkeerde manier toe. Hij wist het spoor uit dat aan het werk zijn originaliteit zou verlenen. De vervalsing krijgt zijn beslag in de economische orde en wat rest is een exacte kopie die onomstotelijk het bewijs van vervalsing levert en tegelijk het aanwijzen van het bewijs onmogelijk maakt. De vervalser die met zijn eigen naam signeert, maakt een kunstwerk dat alleen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een kopie kan worden genoemd. Het is een vervalsing die met opzet alleen zijn beslag kan krijgen in de esthetische orde. Het feit dat de vervalsing als leesstrategie die eigenschap overneemt, gecombineerd met de elegantie die de praktijk eigen is, maakt van dit lezen de crême de la crime. Niet alleen bereikt ze met een minimum aan middelen een maximaal rendement waardoor ze op een veel precieuzer manier de schoonheid van het kwaad draagt dan het letterlijke vervalsen, ze vervalst ook tegelijkertijd de grond voor het vervalsen omdat het idee wordt opgegeven dat het auteurschap de goudstandaard van het werk is. Op de keper beschouwd is de vervalsing als leesstrategie dan een hyperbool voor het lezen als dusdanig: het werk ontstaat pas in the eye of the beholder, en de auteur is er daar één van.