Marc De Kesel

DE WITTE RAAF

Editie 119 januari-februari 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ter inleiding bij L'Immanence: une vie...

L’Immanence: une vie… is de laatste tekst die Gilles Deleuze bij leven publiceerde. Het is een dense en bij momenten cryptisch aandoende tekst, maar als afsluiter van zijn filosofische oeuvre kan hij ‘tellen’. Deleuze wil hier zijn basisintuïties nog eens op een rijtje zetten. Uitgangspunt is dat kennis – ruimer: onze verhouding tot de werkelijkheid en dus ook tot onszelf – niet is op te vatten in termen van subject/object. Kennis gaat niet terug op een subject dat de wereld vóór zich stelt, om haar als object of als voorstelling te omvatten. Kennis mag dan over de werkelijkheid gaan, ze is ook zelf werkelijkheid: een (ontologisch) inzicht dat – zo meent Deleuze – alle heersende paradigma’s om de mens en zijn kennis te denken onderuithaalt.

Om die reden is het gangbare “eenvoudige empirisme” naïef. Onze waarneming legt immers wel een relatie met de werkelijkheid, maar die relatie vertrekt niet (zoals het “eenvoudige empirisme” meent) van buiten die werkelijkheid, bijvoorbeeld vanuit een subject. Zij maakt van die werkelijkheid deel uit.

Die werkelijkheid moet bovendien als relatie worden opgevat. Dit is het uitgangspunt van wat Deleuze een “transcendentaal empirisme” noemt: de ‘kennisrelatie’ behoort tot een werkelijkheid die ook zelf al door en door ‘relationeel’ is. Daarom moet het empirisme “transcendentaal” zijn en rust de basis van de kennis in een “transcendentaal veld”.

Voor een (ondeleuziaans) denken dat zich beweegt binnen het subject/objectparadigma zou dit transcendentale veld zoiets als het ‘onbewuste’ zijn: datgene wat niet gezien kan worden, wat verdrongen blijft. Men kan immers maar van Subject en Object spreken als men ervan uitgaat dat zij zich “transcendent” boven de werkelijkheid stellen (inclusief haar “absolute bewustzijnsstroom”). De noties Subject en Object suggereren dat de werkelijkheid zich vóór ons afspeelt, als ware zij een voorstelling.

 “Het transcendente is [dan ook] niet het transcendentale”, schrijft Deleuze. Opdat de kennis haar ware, dit wil zeggen haar transcendentale aard op het spoor komt, moet ze zich ver afhouden van alles wat transcendent is (dat wil zeggen, alles wat gevat wordt binnen het model van een representatielogica). De kennis moet zich met andere woorden bij het “immanente” houden. In plaats van zich boven de werkelijkheid te verheffen, om er van buitenaf kennis van te nemen, moet zij in de werkelijkheid over de werkelijkheid denken. Dit is de taak van een ware filosofie. Denken is voor Deleuze een ontologische act: het is instappen in – of, beter nog, surfen op – het immanente veld dat de werkelijkheid is.

Denken is dus geen ‘verheffende’ activiteit. Het heeft niets te maken met het graven naar de diepe kern der dingen, zoals we dat kennen uit de klassieke filosofie. Denken opereert aan de oppervlakte en enkel aan de oppervlakte. Het beweegt zich op wat Deleuze in dit essay “un pur plan d’immanence” noemt, een “louter immanentieplan”. Dit plan moeten we inderdaad als een “vlak” begrijpen, een vlakte, een oppervlak. Het immanentieplan is het “veld” waar de dingen ‘oppervlakkig’ met elkaar in relatie treden. Met dien verstande dat die dingen slechts bestaan voorzover zij tot elkaar in relatie staan, voorzover zij zich in en op dit vlak – dit ‘oppervlak’, deze ‘surface’ – ten overstaande van elkaar bewegen.

Het is deze ‘eis tot immanentie’ die het denken op het niveau van het zijn houdt, en er een ontologie van maakt. Deleuzes ontologie wordt uitdrukkelijk niet gedicteerd door de eis tot diepte, de eis om achter de ‘schijn’ naar de essentie van het ‘zijn’ te peuren.

Voor Deleuze vormen ‘immanentie’ en ‘zijn’ synoniemen. Immanentie is geen ‘eigenschap’ van wat is; het is geen kwaliteit die kan worden toegeschreven aan iets wat al een bestaan heeft op zichzelf. Immanentie is (de naam voor) het zijn als zodanig, het zijn dat per definitie niet kan worden herleid tot diverse ‘zelfheden’ (substanties) of tot een vermeende ‘diepe kern der dingen’, en dat evenmin in een voorstelling/representatie kan worden gevat. Het denken hoort zich dan ook niet te vermeien in universalia, in algemene voorstellingen. Het moet de werkelijkheid als grenzeloos relationeel domein ter sprake brengen, en dit relationeel domein moet niet als iets universeels, maar als veelheid, als “multitude” worden gezien.

Die immanentie duidt Deleuze in deze tekst als “une vie”, “een leven” – en niet het leven. Je kunt het leven niet voorstellen; je kunt het alleen ter sprake brengen in iets dat bekent dat het tot dit leven behoort, en dit leven niet kan omvatten, de contouren ervan niet kan overzien. Het leven kan alleen aangeduid worden als onafgebakend, onbegrensd, onbepaald. Om die reden grijpt Deleuze naar het onbepaald lidwoord: een leven. Als ‘leven’ de naam is voor het zijn als immanentie, dan kan die naam dit zijn niet ‘bepalen’ of ‘afbakenen’: “L’Immanence: une vie…”. De onbepaaldheid van het leven wordt niet enkel uitgedrukt in het onbepaalde lidwoord, maar ook in de drie puntjes waarmee het woord zich als het ware opent op oneindig... ‘Zijn’ als immanentie impliceert ook dat het ‘zijn’ grenzeloze mogelijkheid is. Het is nooit wat het is, het is differentie, relatie en daarom openheid op andere zijnden en andere relaties.

Deleuze gebruikt in dit essay nog een ander register om de open, grenzeloze mogelijkheid van het zijn te articuleren: het leibniziaans geïnspireerde begrippenpaar virtualiteit/actualiteit. Als grenzeloos relationeel veld, waar elk zijnde de tijdelijke expressie van een verknoping is, kan virtueel alles op elk moment alle kanten uit. De dingen zijn geen in zichzelf verankerde substanties, maar momentane actualiseringen van die virtualiteit. In die zin is het zijn “vermogen” en “kracht” (“puissance”).

Het virtuele is dus niet het irreële (zoals het representatiedenken meent), maar het mogelijke. Niet het mogelijke in aristotelische zin (een mogelijkheid die in de dingen besloten ligt en die doelgericht tot ontplooiing wordt gebracht), maar in de open betekenis die Leibniz aan de term gaf. Het grenzeloze, relationele vlak waarop de dingen bewegen, is in zijn combinatiemogelijkheden virtueel onbeperkt; geen enkele concrete combinatie kan zich opwerpen als de ultieme uitkomst. Geen enkele combinatie kan pretenderen de mogelijkheden definitief ‘geactualiseerd’ te hebben. Een zijnde – een ding, een mens, een cultuur, een tijd – is nooit meer dan een combinatie, een leven.

Leibniz, die nog aan een God vasthield, geloofde dat die virtuele combinatie van mogelijkheden telkens “de beste van alle mogelijke werelden” opleverde. Voor Deleuze is God dood en is het virtuele radicaal open. Of dit ook de beste van alle mogelijke werelden garandeert, weet niemand. Maar het is wel zaak om de wereld open te houden en hem daarom als een open oppervlak, een “champ transcendental” te benaderen. Het lijkt alsof Deleuze in L’immanence: une vie…  nog een laatste keer wilde zeggen hoe nodig dat wel is.