Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 122 juli-augustus 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Moi, j'aime les Professeurs!

(op een melodie van Offenbach)

Nu al is het ambitieuze Europese project van de ‘academisering’ van het hoger kunstonderwijs niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. Let wel, die voetnoot zal in hoogdravende intentieverklaringen en rampzalige ‘implementaties’ nog lang woeden als een bosbrand, tot ze zichzelf heeft uitgebrand. De taal rond de kunst moet eerst nog tot het bot worden uitgehold. De geacademiseerde kunst zal niet door een vrij denken gedragen, maar door een panisch denken ondergraven worden. Ze zal zich in een modderstroom van citaten legitimeren. Ze zal een valse kunst zijn – en is er iets ergers dan dat?

En toch, hoe dwangmatig deze ontwikkeling zich ook doorzet, in de grond van de zaak is het een project van bejaarden, bijgetreden door een vitterige bureaucratie. Wat je hier ziet gebeuren, is werkelijk verbazingwekkend: de voetnoot wordt de titel en de eigenlijke tekst (in dit geval de kunst en het onderricht ernaartoe) de voetnoot. Kortom, een hilarisch (achteraf), beschamend (vandaag) verhaal van cynisme en verraad, van incompetentie en zwakheid. Het woord ‘onderzoek’ speelt hierin een strategische rol. Dit is de pasmunt waarmee de kleine kunsthogeschool en de enorme universiteit elkaar op het midden van de weg gevonden hebben.

De universiteiten bezetten het terrein van de kennisproductie (wat een koket woord!) en krijgen nu ook de artistieke productie (wat een schandelijk woord!) naar zich toegeschoven. Deze exploderende machtsconcentratie maakt discussie steeds moeilijker en scheidingen onmogelijk. Hoe groter de concentratie en dus ook de complexiteit, hoe meer men die met transparantie en afrekenbaarheid wil compenseren. Maar transparantie impliceert moraliserende regels en afrekenbaarheid vergt boekhouders. Kunst daarentegen is op zijn minst amoreel en kan per definitie nooit een sluitende boekhouding voorleggen. In de zeer intieme transactie tussen kunstenaar en cliënt (private persoon, instelling, dynastie) gebeurt het belangrijkste: overweldiging of teleurstelling, compliciteit of onverschilligheid. Deze transacties gebeuren op een plek die we nog het best als slaapkamer kunnen omschrijven; daar omstrengelen kennis en verbeelding, libido en cultuur, moreel en geschiedenis elkaar. Alle latere commentaar is een echo van dat liefdesspel. De gevraagde transparantie en afrekenbaarheid zijn illusies, of erger nog: bedrog.

Vanaf de marge (helaas, de schrijver zit er middenin) lijkt het een remake van een monsterfilm, met trucages en klankeffecten die alleen maar kunnen schitteren tegen de achtergrond van een verhaal dat flinterdun moet zijn. Wat in monsterfilms steeds getoond maar nooit voldoende benadrukt kan worden, wegens te ontluisterend, is de nieuwsgierigheid, bereidwilligheid en naïviteit van de slachtoffers. Ze kunnen het niet laten het monster op te zoeken en te bekijken. Zo zit ook het kunstonderwijs vandaag in de muil van de macht. Iedereen weet hoe het de humane wetenschappen – die andere weke intellectualiteit – is vergaan. Gehavend, geridiculiseerd, onderworpen aan de laatste afrekening – die der studentenaantallen – worden zij verleid tot het uitvinden van dubieuze hybriden. Dat één originele stem onschatbaar is, kan vandaag niet meer gedacht worden. Dat die stem niet afgerekend kan worden, gelooft niemand meer. Als die rampscenario’s met betrekking tot de eigen humanities zo goed ingeoefend zijn, wat kunnen die doetjes van kunstopleidingen dan nog inbrengen? Het eigen hoofd op de evangelische schaal aanbieden: “doe met ons naar believen” (zoals “heer, geef ons ons dagelijks brood”).

Het woord ‘onderzoek’ (maar in deze tekst voortaan: de ‘term’ onderzoek) maskeert de diversiteit van het denken waartoe de kunst de plein droit behoort. Sterker nog, de kunst is de meest omvattende en risicovolle vorm van denken en zou dus als eerste moeten erkend worden als degene die voorgaat in de geschiedenis van bewustzijn en cultuur.

Al een kwarteeuw paradeert een stoet termen voorbij het hoofdgebukte en/of collaborerende docentenkorps. Kunst moet vernieuwend zijn, kunst moet geacademiseerd worden, kunst moet een project hebben, geen kunst zonder concept. Vandaag: geen kunst zonder onderzoek. De schrijver weet waarover hij spreekt, hij nam al deze termen bereidwillig in de mond. Waarom ook niet? Vernieuwing is voor hem een mogelijk verhaal, een ars docta. En dat je een project moest kunnen voorleggen, daar was hij niet afkerig van – gaan niet alle concours daarover? Of dat je een concept achter de hand moet hebben, dat was toch al twintig jaar het sleutelwoord van de commentatoren? En onderzoek, waarom niet? Iedereen doet toch aan onderzoek om ergens te komen?

De snelle naamwissels hadden ons nochtans wantrouwig moeten stemmen. Wat met zoveel stelligheid geponeerd wordt en toch steeds van naam verandert (van merknaam) lijkt eerder een cyclus van verpakkingen. En wat is vandaag wispelturig? De politiek. Wat is daaronder onveranderlijk? De macht. Wat is het ideale terrein voor het rookgordijn van de macht? De kunst (liefst niet als cultuur – nog steeds een anarchistenbom).

De lompige legers der academies worden op het champ de Mars der semantiek gemanoeuvreerd. Met uitgeschalde termen: Concept, Project, Traject. De hele bende troupiers draait en keert tot alle pelotons er dronken van worden. Ach, wat moet het een leuk gezicht zijn vanop de tribune. Daar schalt in de loge achterin een Grand-Duc de Gérolstein: “Moi, j’aime les militaires!” pardon, “Moi, j’aime les professeurs”.

Ondertussen: vergeet bij subsidie- en sponsoringdossiers vooral niet het woord onderzoek te schrappen. Eén keer en het dossier ligt in de prullenbak. Vooral geen onderzoek! Tijdverlies! Men kan zonder! Hier hoort uitsluitend: “visibiliteit”. Geef ons een platform voor een receptie, wat slechte champagne, een microfoon, een lokale televisiecamera, een optreden. Wat zijn cultuur en kennis? Voetvegen, sloeries.

Ondertussen: vandaag stappen studenten de kunstschool in om zichzelf uit te drukken, zichzelf te vinden. Wat men hen ook aanreikt (weer zo’n woord! Hoe schud ik ze van mijn vingers?) lokt geen confrontatie uit; zij herleiden het tot hun spiegelbeeld. In de verongelijkte, therapeutische geest van vandaag is ieder zelf herleid tot een zichzelf. Docenten voelen zich bevoorrecht de vroedmannen te zijn van adolescente zielen die ze met wat weeïge ogen de wereld binnendragen. “L’enfant roi”, ook al gaat het om twintigers.

Visibiliteit voor de instellingen, zelfexpressie aan de andere kant. Daartussen de legitimering van het kunstonderwijs. Een dissonant trio.

Het kunstonderwijs stond de hele 20ste eeuw onder curatele van programma’s die meestal uit haar eigen rangen kwamen. Begin jaren ’90 begon iets heel anders: de grote mars doorheen het institutionele. Bij iedere hoek van het uitzichtloze labyrint van de bureaucratie werden pasjes gevraagd. “Wat doen jullie” was uiteraard te hoog gegrepen, dat zag je meteen aan het plunje. “Hoe doen jullie het” zou kunnen helpen. Vernieuwing, Academisering, Traject, Project, Concept, en vandaag dus: Onderzoek.

Deze termen zijn verre van onschuldig. Het zijn geen woorden die als een dekseltje de oude mosterd beschermen. Hun semantische inhoud doet iets, doet alles. Deze ongrijpbare termen zijn niet informatief, maar formatief. Niet wat ermee bedoeld wordt, maar wat ze bewerken is belangrijk. De leegte van deze termen maakt ze des te gevaarlijker. Iedereen projecteert wat hij denkt daaronder te moeten verstaan. Zo is vandaag de mantra van iedere onderwijsvergadering in de hogescholen: “Wat is onderzoek?” Opdragen zonder opdracht.

Het was met de vorige termen niet beter: vernieuwing – dat kan geen programma van de kunstenaar zijn, maar is een oordeel dat anderen (later) vellen. Of een project dat men via een traject afwerkt – men schrijft dan zijn eigen opdracht waarmee men zichzelf in de boeien slaat. Onderzoek is een variatie daarop: de eindfase wordt reeds in de beginfase vastgelegd. Project en onderzoek stimuleren de specifieke intellectualiteit van de kunst niet, namelijk een die tegelijk vormend én radicaal open is, die tegelijk geverbaliseerd kan worden én in de sprakeloze materie ligt, die een genadeloze onzekerheid als basis heeft (waarom iets in de plaats van niets?). Kunst is niet-weten en niet-kunnen omhoog tillen: een afgrond die een bergketen wordt.

Een scène. Begin jaren ’90. Ik herinner me nog hoe de koerier van het ministerie in de leraarskamer een steeds blijer geroezemoes veroorzaakte met één woord: academisering! Gedaan met de stiefmoederlijke plaats (die later de enig juiste bleek, want wat heb je aan kunst die niet stiefmoederlijk behandeld wordt?); een nieuwe titulatuur, een (kleine) loonsverhoging en voor de studenten een diploma gelijk aan dat van een licentiaat.

Tien jaar later is het een heel ander liedje. Aan de opwaardering hangt nu een prijskaartje, en wat voor een. De docenten gaan terug naar af omdat ze niet de juiste diploma’s kunnen voorleggen. Hun titulatuur moet weer enkele treden naar beneden. Maar vooral: de hele schoolcultuur wordt omgegooid. Het is er veel minder prettig om werken. De sloten worden veranderd, zodat je alleen nog maar je eigen klaslokalen binnenkunt. Je maakt geen deel meer uit van een schoolgemeenschap, je werkt in een lokaaltje. Eén elektronische ingreep en je hebt zelfs dat niet meer. Een detail? Het is symptomatisch. Een openbarende verspreking van het systeem.

Het achterliggend mechanisme van deze complexe geschiedenis is professionalisering. Maatschappelijke praktijken worden er genormeerd. Men wordt door een strak curriculum geleid. Men krijgt vergunningen om het vak uit te oefenen. Gedragscodes en ‘eindtermen’ worden opgesteld. De 17de-eeuwse strijd tussen anciens enmodernes werd toen al overgedetermineerd door het gevecht tussen meesters in hun atelier en professoren in het auditorium, een strijd tussen ambacht en geleerdheid. Deze eerste moderne traditie kan alleen maar een geprofessionaliseerde kunst voortbrengen, brengt tout court iets heel anders voort dan kunst (geraak ik nu echt niet af van die kleffe uitdrukkingen, dat symptoom van de radeloosheid van de kunst?).

Een kunstschool is per definitie conservatief (gelukkig maar). Docenten kunnen maar vertrekken van wat ze zelf geleerd hebben (de voltooid verleden tijd), als kunstenaar of als commentator daarop. Hun blik is onherroepelijk retrospectief. Dat het vroeger beter was, het is hun taak dat te herhalen. Dat het later beter kan, dat moet men aan de andere kant van de katheder denken. Ieder zijn rol.

De kern van dat conservatisme is: vakmanschap. Hoe bereid je een doek voor, hoe giet je brons, hoe hanteer je een lichtmeter, wat doe je aan een montagetafel? Zoals de modeontwerper hoort te weten hoe je een kraag snijdt, een schouder moet inzetten. Vakmanschap is de som van verzamelde manières de faire. Zonder dat: amateurisme dat het onpraktische voortbrengt, iets dat niet goed werkt. Ook in de kunst moet het in de eerste plaats goed werken. Het is misschien een ondankbaar leerproces, maar voor duizenden kunstenaars van de 16de tot de 19de eeuw is het spel met techniek essentieel. Het vakmanschap als precies werken met materie is de werkelijke inzet van het risicovolle spel van de kunst. Het vakmanschap is de bron van het grootste plezier. Het is handelen in de rijkste zin van het woord: vrijblijvend, dwingend, gevaarlijk.

Vandaag: weg met het vakmanschap als arbeid met materie, ten voordele van een arbeidsloos en immaterieel proces. Design van het denken, streamlining van het doen, de uitdagende weerstand van de materie tot nul herleiden. Vakmanschap is de techniek om die weerstand te overwinnen, niet om ze te ontvluchten. Sterker nog, het vakmanschap zoekt weerstanden op, om de grenzen van het eigen kunnen en van de materie af te tasten. Of nog algemener: zonder tegenstand van het objectum dat voor je voeten valt, is er geen subject. Zonder dat geworpene, verdwijnen mislukking en dus risico, weerstand en dus weerbaarheid, kwetsbaarheid en dus provocatie.

De term onderzoek zegt daarentegen: het geworpene kan gedacht (en dus weggedacht) worden. Kunst kan gestuurd worden. Niets van, de tekst hoort buiten de magische cirkel van de kunst te staan. Men kondigt het aan (een poëtica), men bespreekt het eindeloos achteraf, maar in het midden hoort de stilte – soms klein, soms groot, maar stilte. De surrealistische manier om met procedures iedere procedure uit te schakelen, is de mooiste herinnering aan de leegte in het midden. Die leegte is niet mysterieus, maar leeg. Terroriserend, rustgevend leeg. Niet meer dan een hand die nijgt en zich opent, de handpalm omhoog. En er rolt iets uit – een knikker, een kei, un billet d’amour. Een geheel vrije, vrijblijvende gift. Het midden leeft bij gratie van de gift. Dat is niet duister, maar glashelder als de tranen terwijl je het liefdesbriefje open frommelt. Voor een doekje van Morandi verschijnt de wereld als een gift, bescheiden, alomvattend.

Wat gebeurt er door academisering? Het betoog over de kunst maakt zich meester van de kunst. Voetnoot wordt hoofdtekst, het nadenken wordt voorzeggen, de ontmoeting met het materiaal wordt procedure, de tranen zetten zich om in epistemologie.

Zo leveren de hogescholen beetje bij beetje hun eigenheid in, namelijk als opleiding in de kunstpraktijk die zichtbaar maakt zonder te expliciteren. De kunst zet aan het denken, voortaan zet het denken de kunst op haar plaats. Hoe fragieler de humanities, met hoe meer termen (de hedendaagse vorm van ontdenken) zij haar omgeving besmet met culpabiliserende concepten (classgenderrace). De kunst wordt gedwongen te bekennen. Terwijl kunst het voorbeeld is om niet, om nooit te bekennen.

Vermits de kunst via de academisering het denken moet leren, suggereert men dat de kunstenaar niet denkt. Maar dat een kunstenaar voor zijn doek denkt, weet ieder die een atelier bezoekt. Dat een choreografe met haar dansers denkt, weet ieder die een repetitie bijwoont. Wat daar gebeurt, is lijflijk geworden denken. Een denken dat in dezelfde wereld leeft als wij, gevoed door dezelfde gebreken, dat dezelfde impasses moet doorleven en met dezelfde tournures d’esprit vooruit moet. Dat de kunstenaar volwaardig aan ons debat deelneemt, is toch vanzelfsprekend. In het atelier heb ik met de man voor het doek eenzelfde gesprek als met een collega-schrijver. Ieder trekt zijn eigen conclusies, het is in de wereld niet anders. De kunstenaar is woorden- noch gedachteloos.

Maar de termen Project en Onderzoek suggereren iets anders, en in de ateliers zindert dat na als een grove belediging. De kunstenaar zou externe ideeën nodig hebben, omdat zijn eigen praktijk ze niet voortbrengt. Project en Onderzoek dwingen hem die af. Daarmee wordt de bijdrage van de kunst tot het intellectuele leven geloochend. Het denken van de kunst is het onstabiele, het verrassende, de onplanbare sprong, de invallen, de onvoorziene combinatie. Het bricoleurschap is onze eerste natuur, niet de methode. Hoe dat bricoleren werkt, is tegelijk efficiënt en ondoorzichtig. Het is het kunnen gebruikmaken – in één oogopslag – van een unieke, nooit meer terugkerende kans. Kan je dat aleatoire aan een bureaucratie verkopen? Nooit. Niet omdat men niet wil, maar omdat het niet kan.

Daarom hun vraag: Project en Onderzoek. Het onplanbare uitschakelen. Transparantie in de plaats ervan. Maar in kunstopleidingen is transparantie dodelijk. Het atelier, de studio zijn veel complexere plaatsen dan een kantoor. De enige, werkelijke inzet is het opengesperde oog dat ejaculeert: wat doet hij nu! Wat blijft er over van een kunstopleiding die deze zeldzame kans (éénmaal in de loopbaan van een leraarschap) elimineert? Niets.

Dat men de artistieke praktijk ondersteunt, dat men haar opleidingen financiert, houdt niet in dat men weet waarom. Men weet het niet. Men weet het vandaag niet. Men kan het niet meer weten. Kunst schept geen betekenis meer, omdat er geen betekenissen meer zijn. Wie die betekenis alsnog wil afdwingen in termen van project en onderzoek, is boosaardig. Men kan van kunst niet verwachten wat de maatschappij niet meer heeft.

Men zal daarmee moeten leven, met de unaccountability van de kunst en haar opleiding. De kunst zal zich moeten uiteenzetten, met het feit dat zij niet meer de hoeder van de betekenis is, noch de schepper ervan. Ook de bureaucratie zal met deze MacGuffin moeten leren leven. In het centrum is er niets. Kan het betoog waar het onderzoek op aanstuurt daarmee leven? Kan de bureaucratie daarmee leven? Geen van beide kan dat.

Dat de kunstenaar geen enkele fiducie in de taal van de inrichtende macht kan hebben, blijkt uit het nieuwe taalgebruik. Van kunstenaars en kunstinstellingen vraagt men transparantie, maar zelf genereert de inrichtende macht een toenemende intransparantie. Haar taalgebruik is een hilarisch, pathologisch kluwen geworden.

Ze stelt verbijsterende vragen waarop men het antwoord schuldig moet blijven in een langgerekt “ik weet het echt niet”. Ze hanteert obscure neologismen (kende u “volgtijdelijkheid”?). En dan die woekering van afkortingen (steeds in hoofdletters) voor bureaus, adviesraden en controlecommissies. Het ondoorzichtige is het doel. Iedereen aan tafel doet alsof hij de mislukte truc niet ziet, namelijk dat de werkelijke beslissingen altijd al lang genomen zijn.

Deze tactiek creëert het moeras waarin zelfs de besten richting, inzicht en daadkracht verliezen. Deze neptaal zet de machtsverhoudingen uit de wind. Men verliest zich in niet ter zake doende dossiers, waar misleidende vragen gesteld worden, waar alleen maar domme antwoorden op te geven zijn. Van bij de eerste zin van een vergadering wordt de deelnemer schuld aangepraat. In dit kluwen voelt men zich als de patiënt in onderbroek en groene kiel op een geverniste stoel, wachtend tot hij in de machine wordt geschoven. Het eigen bestaan is plots een schande. Zo vergaat het ook de schrijver aan de vergadertafel. Precies in een opleiding waar subtiele en wanhopige aandacht moet heersen, waar men enthousiasme met illusieloosheid, brutaliteit met zwijgen moet combineren, juist daar heersen Project en Onderzoek.

Maar dit alles is inderdaad al geschiedenis, een kleine geschiedenis, een voetnoot. We hebben het aan onszelf te danken. We kijken meer naar studenten dan naar talenten. We leven in een klein Vlaanderen dat zijn slechtste karaktertrekken laat openbloeien: regels die wantrouwen uitzweten. Rancune in plaats van autonomie en generositeit. Een verbijsterend genot in de vernedering. We zijn onze eigen onderdrukkers geworden. Zou dat onze volksaard zijn?

 

De auteur is verbonden aan kunsthogescholen. Hij publiceerde reeds over het nieuwe en over het project in respectievelijk De Witte Raaf (Het jonge, het nieuwe en de restauratie – Capriccio met ruïne en saters, nr. 48, maart 1994) en in etcetera (Het Mechaniek van het Project. De onweerstaanbare aantrekkingskracht van het woord ‘project’, nr. 72, juni 2000).