Jouke Kleerebezem

DE WITTE RAAF

Editie 122 juli-augustus 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Onderzoek worden

De massamedia bemiddelen in de overdracht van onbetekenende ideeën en oppervlakkige sentimenten. Dit unieke en succesvolle project lijkt zo langzamerhand voltooid – in ieder geval is het tot in het misdadige geperfectioneerd. De openbaarheid van de media, waar overigens ook de kunsten deel van uitmaken, hypnotiseert de mens met behulp van verlangens en waarden die een eindeloze consumptieroes in stand houden. Zonder moeite ontwikkelt de media-industrie steeds nieuwe producten en diensten die de oorspronkelijke honger naar kennis bederven met een even smakeloos als ongezond dieet van trivia en idolatrie. Toch is niet alles wat in de mediale openbaarheid rouleert zonder smaak of betekenis. Daar ligt ook het probleem. De beruchte nivellering van high en low is een commerciële succesformule; de informatiewaarde van verschillende producten en initiatieven wordt daarbij zozeer verkwanseld, dat hun opbrengst in een informatie-economie nul blijkt te zijn. Er gaat in de massamedia met andere woorden te weinig kennis om. Het aanbod varieert op een klein aantal klassieke thema’s: macht, geld, religie, seks. Artistiek onderzoek heeft onvoorwaardelijk met deze mediatisering van de aandacht te maken; een deel van de onderzoeksopdracht kan ervan worden afgeleid. Zonder overigens ook maar één moment de illusie te koesteren dat de mediale begoocheling geheel te keren is, begint artistiek onderzoek aan de rand van de commerciële beeldcultuur, op het punt waar het monopolie van de massamedia zwakker is of geweerd kan worden. Het is daar dat contraire projecten ontstaan en alternatieve kennis ontwikkeld kan worden.

Doemscenario’s vinden in de hedendaagse actualiteit gretig aftrek, net als de buitenproportionele beloftes van veiligheid, gezondheid en zekerheid die worden gedaan ter bezwering van de karikaturale gevaren die ons welzijn zouden bedreigen. Onethische wet- en regelgeving corrumpeert de burger door hem een eigen verantwoordelijkheid en oordeelsvermogen te ontnemen; plotseling blijken moeizaam verworven inzichten ten aanzien van democratie, emancipatie en tolerantie uiterst kwetsbaar te zijn. Dit toont de beperkingen aan van een brede maatschappelijke sturing van ons emotioneel oordeel, en bewijst hoe weinig vanzelfsprekend de ‘universele’ principes van vrijheid en gelijkheid zijn. Wat we dachten te weten en te kennen, wordt op slag vergeten zodra de omstandigheden veranderen en de situatie onder druk komt te staan. Door de vervolmaking van het project van de massamedia en de overgang van mediatisering naar informatisering verandert de kennisvraag ingrijpend. [1] Ook artistiek onderzoek richt de aandacht op het gebied waar kennis tussen twee systemen in beweging raakt. Artistiek onderzoek, onderzoek naar de waarde en de betekenis van onze ideeën in relatie tot hun vormgeving, genereert kennis over kennis. Het nodigt ons uit om te leren leren. Antropoloog Gregory Bateson onderscheidt in zijn boek Steps to an Ecology of Mind drie leerprocessen. [2] In het eerste proces, aangeduid als proto-leren, wordt geleerd om een simpel probleem op te lossen en eenvoudige handelingen te verrichten. Leerproces II, ofdeutero-leren, houdt leren te leren in. Het is een progressie ten opzichte van leerproces I, naar een meer algemene oplossingsvaardigheid op basis van een contextuele analyse van problemen en het aanleren van spelregels. Leerproces III ten slotte omvat het leren over en de bewustwording van leerproces II. Het is het leren kennen van het eigen karakter en de ontwikkeling van een persoonlijkheid in relatie tot de eigen waarnemingen en denkbeelden, uitmondend in de constructie van een wereldbeeld. Deze drie leerprocessen bieden gezamenlijk perspectief op een artistiek onderzoek dat kennis genereert voorbij de snelle behoeftebevrediging. Artistiek onderzoek begint niet met een voldaan gevoel het nu wel te weten, maar met honger naar kennis.

Welke (artistieke) praktijken bieden – gegeven de huidige “epistemologische crisis” [3] – de beste mogelijkheden voor een alternatieve vorm van kennisontwikkeling en onderzoek? Moeten experimenten er altijd op gericht zijn de burgerlijke moraal te shockeren, of kunnen ze daaraan ontstijgen? De schok van een onverwacht inzicht heeft meer waarde dan een geschokte moraal. Artistieke onderzoeksexperimenten zijn in maatschappelijk verband breder toepasbaar – vertaalbaar, schaalbaar en mogelijk ook economisch inzetbaar. Staan er nieuwe wegen open voor de vorming van een genereus cultureel geheugen? Is er een variant van ‘algemene ontwikkeling’ denkbaar die het keurslijf van paternalistische denkbeelden vervangt? Deze vragen, hoewel nog niet in één programma ingebed, krijgen een toenemende urgentie.

 

Trickster

De meest aansprekende vormen van verzet tegen de dominantie van de massamedia berusten op de combinatie van een sterk concept, goed gereedschap en een aantal voorbeeldige toepassingen. In culturele kring worden ze gewoonlijk beschreven in termen van open source. Dankzij een handjevol opmerkelijke successen als Linux, Wiki,P2P file sharing (Napster) en de weblog mag deze benadering zich in een toenemende publieke aandacht verheugen. Het principe van een genereuze samenwerking tussen gemotiveerde vrijwilligers lijkt voorlopig echter slechts beperkt toepasbaar, en wordt bovendien snel door media- en andere industrieën in een controleerbare en winstgevende vorm op de markt gebracht. [4]

In sociaal opzicht zijn deze alternatieven vooralsnog beperkt en weinig expansief. Er ontwikkelt zich op basis van de informatiedemocratisering nog geen duurzame vorm van georganiseerd verzet, die de massale verstrooiing door de media-industrie zou kunnen ontzenuwen. In alternatieve media ontstaan een enkele keer kritische projecten die de massamedia corrigeren, maar de meeste vinden een plaats in de marge, waar ze bijzonder goed gedijen. [5] Misschien moet expansie om principiële redenen ook niet de opzet zijn. Kleinschaligheid is, zeker in een informatiserend bestel, geen armoede. Bovendien is schaal in het tijdperk van Vernetzung een relatief begrip. Uit meerdere kleine initiatieven kan een dynamisch verband groeien dat groot genoeg is om te leiden tot de vorming van gemeenschappelijke kennis en rituelen, (symbolische) goederen en evenementen. In tegenstelling tot de meeste historische vormen van belangenbehartiging kunnen zulke alternatieve verbanden tijdelijk zijn of per gelegenheid worden geactiveerd. Zo’n groeiend aanbod van niet-competitieve kennispraktijken noemen weculturele diversiteit. Om deze te voeden zijn er nieuwe vormen van idealisme nodig. Artistiek onderzoek is vóór alles een nieuw idealistisch project.

Wanneer we ooit weer de behoefte zullen voelen om metafysisch te gaan denken, zal de metafysica van morgen wellicht beginnen als een kritiek op de wetenschap, zoals ze in de klassieke oudheid begon als een kritiek op de goden. Deze metafysica zal zich dan dezelfde vragen stellen als de klassieke filosofie, maar ze zal haar onderzoek niet, traditiegetrouw, beginnen met de situatie voor de wetenschap, maar met die erna.

Octavio Paz [6]

Van onderzoek in de kunst valt alleen iets te verwachten als de waardering van kunst én die van kennis in nieuwe epistemologische en esthetische verbanden wordt ingebed. Onder de heersende doctrines van economische groei, politieke zekerheid, sociale veiligheid en culturele eenduidigheid is hier nog geen sprake van; er valt geen enkele interesse in mogelijk kritische uitkomsten te bespeuren. De huidige onderzoekshype is een roep om de culturele bevestiging van dominante denkbeelden en praktijken – een product van de cultuurindustrie, of zoals dat heet: “de creatieve klasse”. Na de legitimatie van de politiek door de wetenschap is het de beurt aan ‘culturele producenten’ (let op het economische jargon) om de agenda van het bestel te implementeren; dit moet een antwoord bieden op de maatschappelijke twijfels en angsten in de nasleep van de ‘mislukte’ multiculturele samenleving. Het bredere maatschappelijke veld en de massamedia vinden elkaar in de optimalisering van de interactie van consumenten en goederen – niet van ideeën of concepten die het gevestigde discours zouden kunnen bedreigen. In het culturele veld hecht men vooral aan de acceptatie door de ambtelijke overheid of de kunstwereld, voor zover deze tot uitdrukking wordt gebracht in financiële ondersteuning. Zulke culturele kortzichtigheid is fundamenteel in strijd met principes van diversiteit, vrije uitwisseling en het streven naar evenwicht tussen productie en consumptie. Artistiek onderzoek dient in zijn opzet deze principes te respecteren. Het zal in alle opzichten onafhankelijk moeten worden georganiseerd, wil het een kritiek op gangbare opvattingen kunnen formuleren.

Kennis ontwikkelt zich niet lineair en progressief, zoals de opleving van reactionair sentiment de laatste jaren weer heeft aangetoond. Nieuwe inzichten danken we altijd aan een relativering van de eigen tijd en aan een bijzondere gevoeligheid voor de verhouding tussen verleden, actualiteit en toekomst. Daarin is geen plaats voor een nostalgische heilsleer, noch voor pragmatisch realisme. De kunst houde zich verre van iedere dogmatiek; haar rendement is immers discutabel. De maatschappelijke toepassing van het artistieke werk vormt naar mijn mening nooit het uitgesproken doel van een kunstenaar – ook al levert hij of zij memorabel, grensverleggend werk dat door derden als bruikbaar wordt gezien en ingezet. Bij voorkeur vertrekt de interpretatie juist vanuit de principiële nutteloosheid en vluchtigheid van het kunstwerk – de intrigerende, irriterende, niet te formaliseren openheid ervan. De trickster, een in vele culturen voorkomende mythische figuur die het aardse leven op zijn kop zet om ons op de complexiteit en rijkdom ervan te wijzen, heeft volgens Lewis Hyde niet het doel om een hogere betekenis te openbaren, maar om verwarring te zaaien die tot leren uitnodigt. Zo verleidt trickster en jonge god Krishna 16.000 kuise en trouwe vrouwen met zijn fluit tot een dans, waarvoor hij zichzelf eerst 16.000 maal vermenigvuldigt, om bij het aanbreken van de dag plotseling te verdwijnen.

A flute, a tuneful bamboo flute

– or is it a fishermans’s pole? –

The name is the same and so is the goal;

To tangle, lure and snare.

[…] Krishna disrupts the mundane and the conventional to reveal no higher law, no hidden truth but rather the plenitude and complexity of this world. […] The absence of a revealed truth produces a plurality of readings. Erasing the mundane and then leaving things alone opens the books. When Krishna disappears, it is as if the gopis[ook genoemd ‘milkmaids’, JK] had seen a brief radiance but now have no way of getting its ‘true’ meaning, or it is as if they had woken from a striking dream of fulfilled desire whose nighttime presence evaporates in the daylight. And what does such a dream, such radiance, mean? There will be as many answers as there are human beings. Trickster reveals the plenitude of this world; if he then disappears, we see the same revelation repeated in the multiple ways human beings understand the plenitude of things once conventional wisdom has been lifted. [7]

 

Ook kunst is het werk van tricksters. Een kunstwerk biedt de bijzondere (‘originele’) en kundige (‘verworven’) verwerking van kennis dankzij een geïnformeerde behandeling van het materiaal en de context, maar zonder een absoluut inzicht te verkondigen. De kunst heeft daarmee slechts een gering didactisch potentieel: het werk kan op vele manieren worden begrepen en uitgelegd en dankt zijn bijzondere betekenis niet zelden aan een zekere dubbelzinnigheid en de interpretatiestrijd die errond kan worden gevoerd. Natuurlijk is dat leerzaam, maar het beantwoordt niet aan standaardnormen van kennisverwerving. Betekenis wordt in de kunst niet opgelegd, maar gegenereerd. Artistiek onderzoek vertrekt daarom vanuit een fundamenteel besef van de eigen nutteloosheid en de culturele zeggingskracht die nodig is om niet tot kant-en-klare nutskunst te vervallen. Kennis-uit-kunst is een vermogen dat op een abstract niveau tot cultureel inzicht leidt, maar alleen in afgeleide vorm tot een dagelijkse (sociale) praktijk inspireert. Die vertaling verrijkt het kunstwerk. Daar ligt ook een didactische mogelijkheid. Het vertalen van het maakproces naar een toepassingsvorm of receptieniveau is echter niet de primaire taak van de kunstenaar – hoeveel onderzoek deze ook in de artistieke praktijk investeert. Artistiek onderzoek kan door alle belanghebbenden in de culturele productie worden geïnitieerd, omdat het gebaseerd is op artistieke observaties en creatieve beeldvorming. De traditionele kunstenaar is niet de enige in het professionele veld die deze aandacht kan opbrengen. Een ‘kunst van het onderzoek’ wordt daarmee zowel een bijzondere vorm van onderzoek als een bijzondere vorm van kunst. Hoewel onderzoek met kennis wordt geassocieerd, kennis met leren en leren met onderwijs, is ook dit verband niet lineair. De relatie tussen onderzoek en onderwijs zou een aparte studie verdienen; het verband is lang niet zo evident als meestal wordt aangenomen. Artistieke onderzoeksagenda’s zijn contextspecifiek. De onderwijsomgeving is slechts een van de vele maatschappelijke contexten voor artistiek onderzoek.

 

Het idealisme van morgen

De eerste opdracht voor artistiek onderzoek ligt in het peilen van de voorwaarden van een postmediale, postdisciplinaire kunstpraktijk. Nu de media niet meer kritisch in de kunst hoeven te worden verbijzonderd, omdat ze hun perfecte vorm al in de commerciële massamedia hebben gevonden, kan de kunst zich op andere, symbolische verbanden concentreren. Daar dient zich de vraag naar artistiek onderzoek aan. De overgang naar een postmediale invulling van het kunstenaarschap impliceert geen terugkeer naar een bewezen disciplinaire praktijk, maar een experimentele ontwikkeling van kritische posities en strategieën die nieuwe condities verkennen. Tussen mediatisering en informatisering ligt het brede gebied waar artistiek onderzoek zijn betekenis krijgt, omdat daar ‘kennis tussen twee systemen in beweging raakt’. Juist de oningevuldheid van het tussengebied vraagt om idealistische, speculatieve projecten, die de mogelijkheden ervan in kaart brengen.

In een vrije analogie naar de hierboven geciteerde gedachte van Octavio Paz, over een “metafysica van morgen”, stel ik me het volgende voor:

 

Wanneer we ooit de behoefte zullen voelen om weer idealistisch te gaan denken, zal het idealisme van morgen wellicht beginnen als een kritiek op de media, net zoals de historische avant-garde begon met een kritiek op de representatie (waardoor kunst een nieuwe werkelijkheid kon worden). Een nieuw idealisme zal zich dan dezelfde vragen stellen als de historische avant-garde, maar het onderzoek zal niet, traditiegetrouw, beginnen met de situatie voor de media, maar met die erna.

De situatie voor de (massa)media, waarin de kunstenaar door de expressieve behandeling van het materiaal een nieuwe, transparante werkelijkheid schiep, die bleef verwijzen naar een oorspronkelijke waarneming, ging over in de situatie van de media, waarin ‘het medium de boodschap’ was. De media postuleerden een nieuwe werkelijkheid, zonder aanspraak op transparantie of referentie. Kunst werd abstract, immaterieel en conceptueel: het kunstobject verkreeg een mediaal aura en de status van een consumptiegoed. De situatie na de media wordt gekenmerkt door de voltooiing van het project van de massamedia. Het einde van de verbijzondering van de media kondigt zich aan: informatisering versplintert het idee van de maximaal versterkte stem – een idee waar de futuristen zich nog in konden verheugen, maar dat door de televisie en de tijdschriftenpers tot stilstand is gebracht in sportkantines en kapsalons. Informatisering is postmediaal: ze speelt niet meer met de mediale gijzeling van een ‘boodschap’, maar verbindt materiële en conceptuele werkelijkheden naadloos met elkaar tot een nieuw amalgaam. Informatisering geeft de media opnieuw een zekere transparantie. De media verwijzen weer naar bronnen, plekken en situaties, naar wordingsgeschiedenissen, naar een maker en een product. Ze tonen processen met een tijdsverloop. Informatisering herstelt zeker niet de klassieke verhouding tussen een materiële werkelijkheid en de symbolische representatie ervan, de dualiteit van oorsprong en realisatie, met het kunstwerk als secundaire, van de wereld afgeleide werkelijkheid. Ook aan de unieke weg van het genie, uitverkoren om het kunstwerk te realiseren, biedt zij geen plaats. Informatisering is niet alleen postmediaal, maar ook postdisciplinair. Ze legt verbanden voorbij de lineaire ontstaansgeschiedenissen, gaat net zo gemakkelijk terug in de tijd als vooruit. Ze vraagt naar het werk en de werkingen, naar interactie in een nog niet ontgonnen gebied.

Het idealisme dat voor artistiek onderzoek noodzakelijk is, mondt uit in het stellen van een opdracht, in het kiezen van de benodigde artistieke en kenniskwaliteiten, in het bepalen van een te volgen methodiek, in organisatie, productie en promotie. Geen van deze aandachtspunten vormt een doel op zich; en geen van hen staat volledig ten dienste van de andere. Postmediaal en postdisciplinair artistiek onderzoek dient te worden gedragen door wat Pierre Bourdieu onlangs heeft aangeduid als een “intellectuel collectif”. [8] Een collectieve ideevorming legt de basis voor een collectieve uitwerking van een onderzoeksagenda. Ten aanzien van de expertise die kunstenaars, ontwerpers, opdrachtgevers, gebruikers en bemiddelaars inbrengen, geldt de door Bourdieu genoemde noodzaak tot “imposer l’usage de la raison en politique contre l’usage politique de la raison”. We moeten de politiek het gebruik van de rede opleggen, tegen een politiek gebruik van de rede. Hetzelfde geldt voor creativiteit en artistiek werk: politiek gebruik van creativiteit moet worden bestreden. Verschillende praktijken en vormen van kennis zouden op elkaar in moeten werken, zonder een dominant model af te dwingen. Onderzoekers in de kunst wijden zich gezamenlijk aan het verkennen van onderzoeksgebieden en het formuleren van onderzoeksdoelen die in een open, collectieve vorm nader kunnen worden uitgewerkt. In ‘open’ interessegroepen, gericht op samenwerking, komen interdisciplinaire vraagstukken op. Specifieke inzichten van participanten kunnen buiten hun eigen vakgebied een andere waarde verkrijgen, zonder dat de unieke principes van één discipline aan de andere worden opgelegd. Er ontstaat zo eerder interesse in fundamentele en zelfs universele structuren en principes, dan in de specifieke manifestatie daarvan in deze of gene praktijk. Artistiek onderzoek drijft op principes en kwaliteiten die tussen verschillende disciplines worden gedeeld. Artistiek onderzoek is open research.

 

Artistiek onderzoek

Artistiek onderzoek moet niet worden verward met onderzoek in de kunst. Onderzoek in de kunst is op individuele schaal voldoende bekend en wordt ook op waarde geschat. Kunstenaars houden zich bezig met de uitbreiding en verdieping van hun kennis van inhoudelijke en materiële zaken. Elk kunstwerk getuigt van de aandacht die de kunstenaar heeft besteed aan de inhoud en materialiteit van zijn bronnen. Het ligt tegenwoordig niet meer in de rede om kunst exclusief als een ‘kunde’ te denken – kunst komt evenzeer van ‘kennen’ als van ‘kunnen’. Kennis hebben van het kunstbedrijf is een voorwaarde om erin werkzaam te zijn; de kunst verschilt daarin niet van andere bedrijfsvormen. Scheppend werk gaat niet vrij en belangeloos aan de context vooraf, maar evenmin wordt het daardoor onvoorwaardelijk kritisch ten aanzien van een gekozen medium of context. Artistiek werk ontwikkelt zich tegelijkertijd in en met het medium en de context waarin het tot stand komt. Kritische momenten moeten uit de vergelijkingen worden getild waarin het werk gestalte krijgt. Proces en product zijn daarbij gelijkwaardig. Ook het kennen en kunnen van de recipiënt staat op het spel. Het is de bijzondere opdracht van de hedendaagse kunst om kennis te ontfutselen aan gangbare interpretaties, manipulaties en machinaties van de menselijke ervaring en betekenisgeving. Kunst brengt beweging in een consensueel vastgelegde orde der dingen, door zich te richten op verbanden en verbindingen die voor de meesten van ons onzichtbaar zijn. Kunst moet volgens Lewis Hyde kennisontwrichten – op de gewrichten en scharnieren mikken, teneinde ze in beweging te zetten. Hyde citeert Jenny Strauss Clay’s Hymn to Hermes, over Hermes, de laatstgeborene der Homerische goden: “Introduced only after the hierarchical configuration of the cosmos has been achieved and its boundaries defined, Hermes embodies the principle of motion. Hermes thus allows the cosmos to remain its ordered structure while simultaneously instituting movement between its articulated components.” [9]

Voor artistiek onderzoek denken we niet in de eerste plaats aan het onderzoek dat individuele kunstenaars in hun werk investeren. Artistiek onderzoek zal eerder op de context van de kunstpraktijk zijn gericht, dan op de conceptie en productie van het kunstwerk – zonder dit natuurlijk als bijzonder aandachtspunt uit het oog te verliezen. Omdat voor contextueel onderzoek in de actuele kunst het brede gebied van de extramuseale openbaarheid ter beschikking staat, ligt het voor de hand om gemengde onderzoeksgroepen samen te stellen. Welke expertise precies in zulke groepen bijeengebracht moet worden, is afhankelijk van de aard van het onderzochte: hoe concreet moet het resultaat van het onderzoek zijn; wat is het toepassingsgebied; is eerder onderzoek beschikbaar, of bestaande kennis; wat zijn looptijd en budget. Om een actueel Nederlands voorbeeld te geven: onderzoek naar de openbare ruimte van de Amsterdamse Zuid-as – een stedenbouwkundig-politieke luchtspiegeling én een vorm van branding waarmee de competing city een groter marktaandeel ambieert – heeft geen zin zonder diepgaand economisch onderzoek, maar is daarnaast een voor de hand liggend werkterrein van “urban and adventurous artists”. [10] Uit een betekenisvol verband van verschillende observatie- en analyse-instrumenten, gericht op een gebied waar een zware kapitalistische claim op ligt, kan een interessant artistiek onderzoek groeien. Onvermijdelijk maakt ook het publiek, de ‘gebruiker’, actief deel uit van een dergelijk onderzoek. Van wezenlijk belang is daarom de vraag welke media worden gekozen voor de productie en publicatie van het onderzoek. Zoals steeds is de keuze van een dragend medium een integraal onderdeel van het artistieke (onderzoeks)proces.

Artistiek onderzoek is een nieuwe praktijk in de kunsten, die zich van het individuele kunstenaarschap, maar ook van kunsthistorisch of ander wetenschappelijk onderzoek onderscheidt. Men onderzoekt niet de kunst aan de hand van kunstwerken, maar de werking van kunst en de reikwijdte van de kunstpraktijk aan de hand van interdisciplinaire interventies in het (semi-)openbare, maatschappelijke domein. Artistiek onderzoek is een interdisciplinaire concentratie rond een bindend ‘probleem’ dat de belangstelling van een pluriforme groep deelnemers heeft. Zulk onderzoek is per definitie ‘zelfbewust’: terwijl een bepaalde vraag, een stelling of een gebruiksprobleem wordt onderzocht, neemt men ook de eigen concepties en werkwijzen onder de loep, in het specifieke verband van de gestelde opdracht. Het onderzoeksterrein is net zo breed als het werk van de kunstenaars en ontwerpers die erbij betrokken zijn. Het onderzoek beperkt zich niet tot de traditionele kanalen, noch is het afhankelijk van oude, hiërarchische vormen van bemiddeling. Wie zijn de producenten, de bemiddelaars, de afnemers van artistiek onderzoek? Zijn het de usual suspects – kunstenaars, critici, conservatoren, het kunstpubliek – of brengt de onderzoekspraktijk wellicht een eigen type beoefenaar voort, alsmede een eigen markt? Het is geen kwestie van het verder oprekken van de toch al elastische – te elastische – grenzen van het kunstbedrijf. Een nieuw kunstterrein ontsnapt in het beste geval aan de doem van splendid isolation, mét behoud van het bijzondere en betekenisvolle privilege van onnuttigheid dat een symbolische praktijk kenmerkt.

Artistiek onderzoek moet kwetsbaar blijven. Het hoeft niet te worden ‘afgerond’ en ‘geïmplementeerd’, maar moet eindeloos kunnen worden verlengd, geactualiseerd, omvergehaald, herzien. Het heeft daartoe minder behoefte aan een product dan aan een geheugen. Dat maakt onderzoek voor het kunstbedrijf tot een moeilijk te faciliteren en te financieren activiteit. Het onderzoeksproces moet in zijn sporen kunnen worden gevolgd. De sporen van artistiek onderzoek laten zich in verschillende stadia van het proces aan verschillende praktijken toetsen. De expertise die in het onderzoek is vertegenwoordigd, brengt niet alleen vormen van kennis bij elkaar, maar ook mogelijke toepassingsgebieden. Artistiek onderzoek beweegt zich daarmee tot ver buiten het domein van de kunst. Het leidt artistiek werk en creatief denken terug naar de maatschappelijke context, op een andere manier dan door middel van het (museale) kunstwerk.

Artistiek onderzoek loopt voortdurend het gevaar de essentiële werking van de eigen symbolische methodiek te verliezen en te vervallen tot een vorm van gebruikskunst. We moeten waken voor Bourdieus politieke gebruik van de rede en de creativiteit. Lewis Hydes trickster-kunstenaar is echter niet voor één gat te vangen. Meestal verdwijnt hij plotseling op het hoogtepunt van de verwarring die hij heeft gezaaid, zoals Krishna, of zorgt hij voor pure beweging, zoals Hermes, in een statische omgeving. Leren moet worden geleerd, ook in artistiek onderzoek. Kennis ontstaat vooral vanuit een onverstoorbare en onverzadigbare bereidheid tot leren, waarin men zich niet door de schijn van een absolute wijsheid laat bedriegen. De geest van het onderzoek zal midden in een leerzame ervaring verdwijnen, een glimp van kennis achterlatend.

 

Noten

1 Of zoals ik elders schreef: “De investering in kennis, in duurzame principes en in beelden waarvoor we herhaalde aandacht kunnen opbrengen verloopt onder invloed van twee grote communicatieprojecten. Het eerste is demediatisering, waarin traditionele ideeën over collectiviteit en identiteit onder de voorwaarden van mediale consumptie uitnodigen tot een onophoudelijke mobilisatie van een zo groot mogelijk publiek. Het tweede is deinformatisering, waarin de fragmentatie van collectiviteit en identiteit over oneindige deelbelangen leidt tot nieuwe vormen van belangenbehartiging en socialiteit.” Jouke Kleerebezem, Het postmonumentale beeld. Over duurzame zichtbaarheid in de netwerksamenleving, in: Open nr. 8, 2005, p. 42.

2 Gregory Bateson, Steps to an Ecology of Mind, San Francisco, Chandler, 1972.

3 Kleerebezem, op. cit. (noot 1).

4 Een dienst als de iTunes Music Store van Apple is geïnspireerd door Napster en andere op het randje van de wet opererende vormen van file sharing.

5 Over de verhouding tussen weblog en mainstreamjournalistiek, zie: Media Times Review Blog(http://www.mediatimesreview.com/blog/2005/09/24/blogs-and-journalism-need-each-other/).

6 Octavio Paz, Alternating Current, New York, Viking Press, 1973; aangehaald in: Morris Berman, The Re-enchantment of the World, Ithaca/London, Cornell University Press, 1981.

7 Lewis Hyde, Trickster makes this world. Mischief, myth and art, New York, Farrar, Straus & Giroux, 1998, pp. 289-290.

Le Monde Diplomatique nr. 626, mei 2006.

9 Lewis Hyde, op. cit. (noot 7), p. 258.

10 Voor “urban and adventurous artists” zie onder meer de website Urban Adventure in Rotterdam,http://www.xs4all.nl/~kazil. De Zuid-as staat centraal in het onderzoeksproject Logo Parc onder leiding van Daniel van der Velden (http://www.janvaneyck.nl/~logoparc).