Koen Brams

DE WITTE RAAF

Editie 122 juli-augustus 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gij zult communiceren

Over Artistic Research - Theories, Methods and Practices van Mika Hannula, Juha Suoranta & Tere Vadén

Laat er geen misverstand over bestaan: de auteurs van het boek Artistic Research – Theories, Methods and Practices, Mika Hannula, Juha Suoranta & Tere Vadén, hebben het hart op de juiste plaats. Als ze het over ‘artistic research’ hebben, dan staan ze voor ‘institutionele en methodologische anarchie’, niet voor “the institutional reality of full-scale uncertainty, poor job security, the large-scale usage of a part-time workforce, non-transparant decision making and a lack of overall responsibility” (p. 14). Ja, Mika Hannula, Juha Suoranta en Tere Vadén zijn goede mensen. Ze geloven in solidariteit, vrijheid en gelijkheid. Ze omarmen pluralisme, diversiteit, polyfonie, hybriditeit en tolerantie. Als ‘forms in art’ noemen ze de Sixtijnse kapel in één adem met de Marseillaise en Star Trek. Ze stemmen zeker niet voor George Bush en Tony Blair. Van Osama Bin Laden of Benedictus XVI moeten ze niet weten. Iedereen, van het vrouwelijke of het mannelijke geslacht, spreken ze consequent met het vrouwelijke persoonlijke voornaamwoord ‘she’ aan. Ze houden er geen essentialistische visie op na, maar belijden ook geen waardevrij relativisme. Ze pleiten openlijk voor engagement. “What is needed is activism, being alert, and adapting the everyday existence individually and independently. This increases the quality of life, social capital, and real security, replacing artificial and technical illusions of safety. In these tasks, a modern art which comments on and shapes the urban space, being constructively critical by means of street art, offers precedents, provides assistance and increases hope” (p. 99). Mika Hannula, Juha Suoranta en Tere Vadén zijn geen harde, gevoelloze of onmenselijke wetenschappers. Ze gaan woorden zoals ‘joy’, ‘hope’, ‘passionate’, ‘playful’ en zelfs ‘love’ niet uit de weg. “It may feel exaggerate to claim that everything counts as empirical data for the artistic researcher as long as it generates thinking and activity – and light, peace and love. This is the idea, however, that we aim to promote through writing” (p. 72).

‘Licht, vrede en liefde’, het zijn niet de enige en niet eens de meest bevlogen termen die vallen in dit betoog over ‘artistic research’. Mika Hannula, naar eigen zeggen gespecialiseerd in de ethische aspecten van kunst en contemporaine cultuur, Juha Suoranta, die zich onder andere heeft beziggehouden met vraagstukken omtrent onderzoeksmethodologie, en Tere Vadén, die thuis is in de wetenschapsfilosofie in het algemeen, en op het terrein van de identiteit en de rol van wetenschap in onze maatschappij in het bijzonder, gaan geen enkel hoog woord uit de weg. Om een mogelijk uitgangspunt van ‘artistic research’ te schetsen, pakken de auteurs uit met twee metaforen: “metaphor one: democracy of experiences” en “metaphor two: methodological abundance”: “[…] the idea of something like methodological anarchism or methodological abundance does not seem as far fetched as previous. It is our claim here that in the case of artistic research methodological abundance is a particularly fruitful productive approach. […] In a nutshell: artistic research is a way in which experience reflectively changes itself. Moreover, in the spirit of the democracy of experiences, all areas of experience are at play in this circular or spiral movement, in the hermeneutic of (artistic) experience” (p. 37). ‘Democratie van ervaringen’, ‘methodologische overvloed’, met deze ‘metaforen’ wordt volgens de auteurs niet alleen ‘artistic research’ benaderd, maar ook ethiek: “It is clear that if and when research has its background in treating all areas of experiences in a democratic way, questions of ethics become very prominent” (p. 48). Zoals reeds aangegeven: Hannula, Suoranta en Vadén zijn correcte denkers. Ze zijn vooral correct ‘voor de vorm’. Ze zijn zo correct dat we hen politiek correct zouden kunnen noemen. Enig wantrouwen is dus niet misplaatst.

Als je leest hoe ‘open’, ‘hybride’ en ‘divers’ ‘artistic research’ is, dan zou je liever vandaag dan morgen met ‘artistiek onderzoek’ willen beginnen. Alleen is de vraag: wat doe je dan, als je aan ‘artistiek onderzoek’ doet? Het antwoord, gegeven in het voorwoord: “Artistic research means that the artist produces an art work and researches the creative process, thus adding to the accumulation of knowledge” (p. 5). Afgezien van deze rake typering, gegeven door Hans Hedberg, Decaan van de Faculteit van Beeldende Kunst van de Universiteit van Göteborg, en door coauteur Mika Hannula, Professor Kunst in de Publieke Ruimte van de Academie voor Beeldende Kunst van Helsinki, wordt ‘artistic research’ niet uitdrukkelijk gedefinieerd. Wat meer is, ook de voorwaarden die tot de reflectie op ‘artistic research’ aanleiding hebben gegeven, worden slechts terloops genoemd. Dat deze reflectie kadert in de grootste institutionele hervorming van het hoger onderwijs, de bachelor-masterhervorming waarover enige tijd geleden in Bologna werd beslist en die op haar beurt bepaalde academici heeft verleid om na te denken over een Phd of doctoraat in de kunsten, blijft zo goed als onuitgesproken. Dat ‘artistic research’, in de betekenis die Hannula, Suoranta en Vadén aan de term geven, in feite hetzelfde is als een academisch proefschrift, kom je pas op de tien na laatste bladzijde van het boek te weten: “When artistic research is characterised by producing art works, theorizing, the dialogical nature of creativity, and the process-like nature of the work, the question then arises of how the reliability of such an academic dissertation can be assessed” (p. 159). Hier, op het einde van het boek, blijkt dat ‘artistic research’ in feite synoniem is met ‘an academic dissertation’.

Hannula, Suoranta en Vadén presenteren ‘artistic research’ als een opwindende praktijk, even opwindend als het maken van kunst. Een aanwijzing voor de flatterende voorstelling van ‘artistic research’ vinden we in de hoofdstukken 4 en 5, respectievelijk Artistic Research in Practice en The Meaning of Artistic Research. In hoofdstuk 4 worden enkele voorbeelden van onderzoekspraktijken voor het voetlicht gebracht, namelijk die van het Zweedse collectief OEI, en van de individuele kunstenaars Jacqueline Donachie, Olafur Eliasson en Liisa Roberts. Wat blijkt: geen enkele van deze kunstenaars heeft een Phd behaald – al moet hier voor de volledigheid aan worden toegevoegd dat een van hen aangeeft een Phd te overwegen. Maar dan nog blijft de vraag wat aan de hand van deze casestudy’s kan worden aangetoond. OEI, Donachie, Eliasson en Roberts affirmeren weliswaar dat hun praktijk gestoeld is op onderzoek, maar onder onderzoek verstaan deze kunstenaars duidelijk iets anders dan de zeer specifieke omschrijving die de auteurs aan de term ‘artistic research’ hebben gegeven. De kunstenaars bedrijven bovendien onderzoek op een wijze die absoluut niet overeenstemt met het methodologische kader waaraan Hannula, Suoranta en Vadén aandacht hebben gegeven in het derde hoofdstuk, Methodological Faces of Artistic Research. De auteurs hebben in dat derde hoofdstuk een heleboel ‘guidelines’  geformuleerd, en een zestal factoren die onderzoek een basis verschaffen. Als ze evenwel de praktijken van OEI, Donachie, Eliasson en Roberts toelichten, dan wordt naar die ‘guidelines’ en ‘factors’ helemaal niet meer teruggegrepen. Waarom hebben Hannula, Suoranta en Vadén in dit hoofdstuk geen voorbeelden gegeven van case studies die naadloos aansluiten bij hun karakterisering van ‘artistic research’ en waarvan de uitwerking conform is aan hun ‘guidelines’ en ‘factors’? Waarom hebben ze geen kunstenaars opgevoerd die kunstwerken maken, reflecteren op het creatieve proces, een dissertatie schrijven en op die manier bijdragen aan kennisvorming? Omdat die cases er niet zijn? Neen, die zijn er wel degelijk. In hoofdstuk 5 komen twee projecten aan bod die als voorbeelden van ‘artistic research’, zoals gedefinieerd door de auteurs, kunnen gelden, namelijk een proefschrift van Johannes Landgren (Music, Moment, Message. Interpretive, Improvisational, and Ideological Aspects of Petr Eben’s Organ Works) en een thesis van Ylva Gislén (Space for Action. Collaborative Narrative in Digital Media). Aangezien deze twee doctoraten beschikbaar zijn, is het een raadsel waarom de auteurs ruim dertig bladzijden hebben ingeruimd om de praktijken van kunstenaars te beschrijven die niet beantwoorden aan datgene wat de auteurs verstaan onder ‘artistic research’. Zou het vergezocht zijn om te stellen dat de kunst van OEI, Jacqueline Donachie, Olafur Eliasson en Liisa Roberts zoveel opwindender is dan de doctoraatsthesissen van Johannes Landgren en Ylva Gislén? Zou het kunnen dat kunst veel met onderzoek te maken heeft, maar dat het formatteren van het onderzoek in de kunst de dood in de pot is?

In het boek Artistic Research – Theories, Methods and Practices wordt weliswaar aandacht besteed aan kunst, helemaal niet echter aan de kunstwereld. Het ‘artistiek onderzoek’, zoals gedefinieerd door Hannula, Suoranta en Vadén, wordt helemaal niet gelokaliseerd in de wereld van de kunst. De zeden en gewoonten in de kunstwereld, de manieren waarop kunst wordt gemaakt, verhandeld en gesmaakt, worden niet geanalyseerd. De manier waarop de kunst zichtbaar wordt en gewaardeerd wordt, blijft volledig onvermeld. De termen ‘galerie’, ‘museum’, ‘kunstmarkt’, ‘verzamelaar’ vallen niet eens in het boek. Kortom, de wijze waarop nu aan kunst wordt gedaan en de wijze waarop door diverse actoren met kunst wordt omgegaan, worden op geen enkel moment betrokken in de omschrijving van het gloednieuwe product dat de auteurs ons voorstellen: ‘artistiek onderzoek’.

Hannula, Suoranta en Vadén zijn dus bezig met de oprichting van een parallel universum. Waar vindt dit universum plaats? Om hun visie te geven op ‘artistic research’ kijken Hannula, Suoranta en Vadén met veel toewijding naar de manier waarop aan onderzoek wordt gedaan in klassiek wetenschappelijke kringen. Hoofdstuk 2, Two Metaphors and Their Consequences, is voor een groot deel gewijd aan de vergelijking met en de kritiek op het klassiek wetenschappelijke model. “The ideal of testability seems to be one of the roots for the contention that the natural sciences are in some sense more scientific than social science, not to mention the humanities or ‘artistic research’: it is relatively easy to see how claims in natural science can be tested and, if need be, discarded” (p. 27). Om ‘artistiek onderzoek’ een plaats te verschaffen zien Hannula, Suoranta en Vadén zich blijkbaar genoodzaakt om het proces te maken van de wijze waarop natuurwetenschappers hun vak bedrijven. Dat is op zich al veelzeggend. Het houdt in dat er voor die wetenschappers ook iets op het spel staat, en ik hoop dat zij dit zo snel mogelijk begrijpen en ernstig nemen.

Lezen we het citaat een tweede keer, dan valt op dat niet alleen de ‘testability’ als belangrijk criterium voor wetenschappelijk onderzoek vermeld wordt. Het citaat houdt ook een heimelijke belofte in: dat ‘the natural sciences’ in feite niet méér wetenschappelijk zijn dan ‘social science’, ‘the humanities’ en ‘artistic research’. Dat is ook wat moet worden verstaan onder de bombastische omschrijving “the democracy of experiences”: “A democracy of experiences also implies that a hierarchical picture of the sciences or the prioritised status of any one science becomes impossible to uphold” (p. 32). En even verder wordt gesteld: “If science were to embrace something like experiential democracy, its status in the world might not be quite the status of the unidirectional and naively naturalist science, but it might show more openness, self-criticism and tolerance – in a word, maturity” (p. 36). ‘Openness’, ‘self-reflectivity’ en ‘criticality’, met deze toverwoorden wordt de ‘gelijkwaardigheid’ – in feite sturen de auteurs aan op ‘gelijkheid’ – van wetenschappelijk onderzoek en ‘other forms of human culture’ bepleit. Als we maar openstaan voor kritiek en zelf kritiek willen leveren, dan verdient ‘artistiek onderzoek’ dezelfde status als wetenschap, betogen Hannula, Suoranta en Vadén.

Wetenschap kan nauwelijks verder worden uitgekleed dan door ‘openness’, ‘self-reflectivity’ en ‘criticality’ als afdoende houdingen te presenteren. Omgekeerd kan worden gesteld dat de kunst niet tot iets verschrikkelijkers kan worden verplicht. Want dat is hetgene waaraan Hannula, Suoranta en Vadén ‘artistic researchers’ wensen te onderwerpen: openheid, reflexiviteit, communicatie, extraversie, ‘criticality’. De auteurs hebben heel wat ‘guidelines’ geformuleerd, en een zestal factoren genoemd die onderzoek een basis verschaffen. De plicht tot communiceren vormt evenwel het begin, het midden en het einde van het methodologische verhaal. In hun eigen woorden: “Research requires the verbalization of the brought forth to the extent that the requirement for communication is set for the research by the research community and publicity. This is in order for it to be evaluated, and in order for questions of principle to be asked about whether its own precepts are mistaken or not” (p. 110). En verder: “The basic starting point of research is communication; that is, the wish and need to say and convey something about something to someone else” (p. 113). Hier formuleren de auteurs de plicht tot communiceren positief. Elders in het boek gebeurt dat op een negatieve manier: “For practice-based research, the problem with language is to avoid the pitfalls of introversion, of hermetical traditions (including solipsistic individualism), and of uncritical repetition” (p. 45). Nu zien we wat er voor de kunst en de wereld van de kunst met ‘artistic research’ op het spel wordt gezet. Zijn wij, kunstenaars, critici, curatoren, verzamelaars, bereid om ‘introversie’, ‘hermetische tradities’, ‘solipsistisch individualisme’ en ‘niet-kritische herhaling’ op te geven?

‘Artistic research’ impliceert de plicht om te communiceren, de plicht om te reflecteren op de eigen praktijk, de plicht om een dissertatie te schrijven en de plicht om geëvalueerd te worden. Introversie is uit den boze. Hannula, Suoranta en Vadén schrijven: “Hermetic introversion is avoided by being well acquainted with the tradition of the field one is working in, and by making clear why the research is relevant to the community” (pp. 45-46). Gij zult communiceren zodat de gemeenschap waartoe gij behoort de relevantie begrijpt van uw werk! ‘Artistic research’ houdt dus niet alleen de disciplinering van de kunst in, ze is ook een schakel in de uniformisering en een radertje in de rationalisering van onze wereld.

Het verwerven, doorgeven en uitbreiden van gedachten, beelden, inzichten en ervaringen was tot voor kort – nauwelijks tien, vijftien jaar geleden – de aangelegenheid van zeer diverse, soms zelfs haaks op elkaar staande apparaten. Het aantal soorten apparaten – kunstacademies en andere hogescholen, universiteiten en zovele instituten die niet eens een echt statuut hadden – is herleid tot één. En in dat ene apparaat wordt zoveel mogelijk op dezelfde manier aan kennisoverdracht, kennisproductie en kennisuitbreiding gedaan. Er moet toch kunnen worden vergeleken? Er moeten toch keuzes kunnen worden gemaakt? Keuzes voor wat? Keuzes tegen wat? Wel, sommigen zijn blijkbaar bereid om ‘introversie’, ‘hermetische tradities’ en ‘solipsistisch individualisme’ op te geven!

We zijn bezig om zeer verschillende, soms zelfs onverantwoorde – in ieder geval, onverantwoordbare – manieren om om te gaan met gedachten, inzichten en ervaringen te vernielen. We zijn goed op weg om nog één enkele modus over te houden, één manier om de wereld te ordenen. Hoe hiermee om te gaan? Misschien biedt de wereld van de kunst – zeker niet het parallelle universum dat Mika Hannula, Juha Suoranta & Tere Vadén in Artistic Research voor ogen hebben – een antwoord: geen redenering, maar een beeld; geen argumentatie, maar een bulderend hoongelach; geen rationaliteit, maar een uitgestoken middelvinger. Het is niet uitgesloten.

 

Artistic Research – Theories, Methods and Practices van Mika Hannula, Juha Suoranta & Tere Vadén werd in 2005 uitgegeven door de Academie voor Beeldende Kunst, Helsinki (Finland) en door de Universiteit van Götenborg en ArtMonitor, Götenborg (Zweden).