Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 122 juli-augustus 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Le mouvement des images. Art et cinema

Omdat de brandbeveiliging volledig vernieuwd wordt, beschikt het Musée national d’art moderne in het Centre Pompidou slechts over de helft van de beschikbare museumruimte. In plaats van zich tevreden te stellen met het verplichte nummer van de ‘hoogtepunten uit de collectie’, zijn de verbouwingswerken aanleiding tot twee thematische tentoonstellingen met werk uit de eigen verzameling.

Toen de vierde verdieping voor de werkzaamheden ontruimd werd, liep er op de vijfde verdieping de sterk bekritiseerde tentoonstelling Big Bang (zie De Witte Raaf nr. 117). Nu de werken op de vierde verdieping voltooid zijn, is het de beurt aan Le mouvement des images. Een minder spectaculaire, maar veel evenwichtiger en doordachte tentoonstelling dan Big Bang, die ook veel beter gebruik weet te maken van de beschikbare ruimte en de sterk aanwezige architectuur.

Was Big Bang de demonstratie van vage premissen over de evolutie van de moderne kunst, van destructie tot creatie, dan is men voor Le mouvement des images uitgegaan van de rijke verzameling avant-gardefilms en experimentele cinema die het museum in de loop der jaren heeft samengebracht, maar die helaas zelden getoond wordt.

Le mouvement des images vertelt de geschiedenis van de moderne en de hedendaagse kunst vanuit het standpunt van de film. Men gaat uit van de cinematografische ervaring, die bepaald wordt door de projectie van opeenvolgende beelden die op een verhalende manier werden gemonteerd. Uit de tentoonstelling blijkt dat de nieuwe conceptie van ruimte en tijd en de nieuwe manier van kijken en denken die daaruit voortvloeien een grote weerslag heeft op de beeldende kunsten. Projectie en tijdsverloop, verhaal en montage hebben in de beeldende kunsten een artistieke toepassing gevonden.

De tentoonstelling bestaat uit een lange centrale gang met filmprojecties. Op deze verticale as zijn onder meer films te zien van Fernand Léger (Ballet Mécanique), Marcel Duchamp (Anémic cinéma), Moholy-Nagy (Un jeu de lumière noir-blanc-gris), Man Ray (Le Retour à la raison), Marcel Broodthaers (La Pluie), Chuck Close (Bob) en Bruce Nauman (Walking in an Exaggerated Manner Around the Perimeter of a Square).

In de aanpalende zalen kan men zien hoe de vier basisprincipes van de cinema, défilementmontageprojectionen récit, tevens de vier hoofdstukken van deze tentoonstelling, ook in statische beelden worden toegepast – in schilderijen, sculpturen en foto’s, maar ook in architectuur en design.

De grote afwezigen op Le mouvement des images zijn het televisietoestel en het computerscherm, die als drager van bewegende beelden de rol van het geprojecteerde beeld al lang hebben overgenomen. Hoe kunstenaars daar de dag van vandaag mee omgaan is jammer genoeg niet te zien.

Door de filmstrook op te delen in verschillende kaders of fotogrammen, die met een ritme van 24 beelden per seconde op een scherm geprojecteerd worden, ontstaat er een illusie van beweging. Een mooi voorbeeld hiervan is de film Hand Catching Lead (1968) van Richard Serra. Centraal in het beeld staat de hand van de beeldhouwer die naar loden vormen grijpt die met een zekere regelmaat verticaal door het beeld vallen. De Ten Lizes van Andy Warhol en het diaporama Heartbeat van Nan Goldin zijn een verre echo van deze discontinue beweging.

Maar de film registreert niet alleen bewegende beelden. De virtuoze camerabewegingen van Stan Brakhage in de kathedraal van Chartres geven aanleiding tot ‘bewegende glasramen’. In Gnir Rednow gebruikte hij de New Yorkse bovengrondse metro als rail voor een oneindige circulaire travelling rond de grootstad. Zijn film werd later door Joseph Cornell in omgekeerde volgorde gemonteerd.

Voor Eisenstein was de cinema enkel het resultaat van het in de plastische kunsten ontwikkelde procédé van de assemblage. Dit verklaart de aanwezigheid van talrijke collages en assemblages in de tentoonstelling, van onder anderen James Rosenquist, Barbara Kruger en Tony Cragg. De vraag is alleen of ze hier wel op hun plaats zijn. Het zwakke punt van de tentoonstelling zijn de traditioneel statische beelden, die hier cinematografische eigenschappen worden toegeschreven. Evenals het feit dat assemblages van Rauschenberg of papier collés van Braque geen montages zijn, is het seriële karakter van de minimale kunst niet voldoende om over cinema te kunnen spreken en zeggen de tijdsaanduidingen in de schilderijen van On Kawara eerder iets over het moment dan over het tijdsverloop.

De licht-donkereffecten van de cinematografische projectie komen ook aan bod in Light Sentence van Mona Hatoum, waarbij een gloeilamp op en neer gaat in een metalen kooi en hierdoor bewegende schaduwen op de muren werpt, en Nam June Paiks Zen for Film, die enkel bestaat uit een ‘lege’ projectie op een wit vlak. Het eigenlijke ‘onderwerp’ van zijn film zijn de krassen op de pelicule en het rondzwevende stof in de lichtbundel van de projector.

Het narratieve aspect van film geeft aanleiding tot talrijke werken die door de cinema zelf geïnspireerd zijn. Getuige hiervan de hilarische Hollywoodpersiflage La Moindre Résistance van de in een rat en een beer verklede Fischli & Weiss of de twee nooit gerealiseerde filmprojecten die Mark Lewis in zijn Two Impossible Films heeft samengebracht: enerzijds de door Eisenstein geplande verfilming van Marx’ Das Kapital, en anderzijds de ultieme liefdesfilm die Samuel Goldwyn wou draaien met de grootste liefdesspecialist aller tijden, Sigmund Freud, die zelfs de moeite niet nam om het project te weigeren. Zelf geraakte Lewis niet verder dan de begin- en eindgeneriek. DeHome Stories van Matthias Müller zorgen voor een mooie compilatie van alle vrouwelijke Hollywoodclichés.

In Deadpan (1997) van Steve McQueen stort de gevel van een huis op de kunstenaar, maar hij bevindt zich net op de plaats waar een venster zit en komt heelhuids uit het avontuur. Door deze vanuit verschillende gezichtspunten gefilmde actie onophoudelijk te vertonen, bezorgen deze beelden de toeschouwer een sterke fysieke betrokkenheid. Naast een hommage aan Buster Keaton, is deze gefilmde performance vooral een reflectie over de filmische kadrage met een bewegend decor en een onbeweeglijke acteur.

 

• Le mouvement des images. Art et Cinéma tot 29 januari 2007 in het Centre Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).