Tine Cooreman

DE WITTE RAAF

Editie 122 juli-augustus 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Iconic Building, The Power of Enigma

In zijn recentste boek bundelt de Brits-Amerikaanse criticus en architectuurtheoreticus Charles Jencks een aantal opmerkelijke architecturale projecten van deze tijd, gaande van het Imperial War Museum van Daniel Libeskind in Manchester, over Koolhaas’ CCTV voor Beijing tot de Swiss Re-toren van Norman Foster in Londen. Met deze opsomming wil Jencks komen tot een kwalitatieve genealogie van wat hij beschouwt als een van de belangrijkste evoluties binnen de architecturale productie sinds de postmoderniteit: het iconische gebouw en zijn nieuwsoortige omgang met het representatieve aspect van architectuur. De start hiervan situeert Jencks bij het late werk van Le Corbusier, zoals zijn kapel in Ronchamp. Het Guggenheim in Bilbao van Frank Gehry luidt het genre definitief in en bestendigt meteen het succes. Dat we vandaag over een ‘Bilbao-effect’ spreken is daar het duidelijkste bewijs van, maar Jencks’ boek toont aan dat de realisatie van een iconisch gebouw vaak een bewogen proces is. Hij plaatst anekdotische passages over de slopende sensibiliseringscampagnes van publiek en bouwheer naast gemoedelijke interviews met de respectievelijke sterarchitecten en schuwt daarbij niet de torenhoog oplopende bouwkost van het ene gebouw en de publieke terechtstelling van het andere als sappige smaakmakers te vermelden. De gebouwen in Jencks’ boek spelen een glansrol in hun eigen gemediatiseerde drama, dat echter niet altijd een happy end krijgtMet een weliswaar onderhoudende, maar vaak zeer omstandige verteltrant wijst Jencks de lezer op de prominente positie van het iconische gebouw binnen de hedendaagse publieke cultuur; meteen ook een gewiekste poging om het bestaan ervan een zekere vanzelfsprekendheid te verlenen. Jencks’ boek is immers, meer dan een genealogie van het iconische gebouw, ook een poging tot het distilleren van een nieuw paradigma en zijn succeslogica: dat van de enigmatische betekenaar.

Architectuur concipiëren en lezen in termen van haar formele representatie is uiteraard geen onbekende invalshoek binnen de architectuurgeschiedenis. Eeuwenlang werden maatschappelijk belangrijke instituten vormgegeven in een duidelijke architecturale, classicistische vormentaal die impliciet symbool stond voor een collectief idee, bijvoorbeeld macht. Het verdwijnen van dergelijke collectieve denkbeelden of ideologieën, en daarmee van een universeel geldende architectuurtaal die deze representeert, heeft het publiek, zo bewijst Jencks, echter niet belet architectuur nog steeds te beoordelen én af te rekenen op haar vermogen om ideeën te representeren. De maatstaven die dat actuele publiek hanteert, zijn echter van emotionele aard – ze zijn variabel en dus onbeheersbaar. Binnen deze context ziet Jencks de iconische gebouwen ageren als enigmatische betekenaars. Het zijn verwarrende, suggestieve objecten in het stadsbeeld die aantrekken, afstoten, en bovenal onduidelijk zijn. Ze leveren “a giant iconostasis asking to be deciphered”, maar kunnen nooit eenduidig worden gedecodeerd. Teneinde de logica van dit nieuwe paradigma te begrijpen, verknoopt Jencks de anekdotische bagage van elk figurerend project met een metaforische analyse, geïllustreerd met schetsen van Madelon Vriesendorp. In deze oefeningen blijkt Fosters Swiss Re-toren geassocieerd met een schroef, een kogel, een dennenappel, een spaceshuttle en een fallus. Dit iconische gebouw investeert alvast in een gereduceerd, simpel beeld, een shape of Gestalt. Jencks beschrijft het als een “duidelijke notatie” met “verwarrende connotaties”. Andere projecten, zoals Peter Eisenmans City of Culture voor Santiago de Compostela, mikken volgens Jencks dan weer op genuanceerdere referenties. In plan en doorsnede zitten verwijzingen naar de sint-jakobsschelp, het cartesiaanse grid en het middeleeuwse stadsplan op impliciete, haast onzichtbare wijze verwerkt. Jencks’ recept voor een enigmatische betekenaar is dus verre van sluitend. Vast staat enkel dat de contemporaine grammatica ver verwijderd is van het traditionele begrip van de architecturale vorm. Hedendaagse architecten balanceren daarbij op een dunne koord: een gebouw kan vandaag gelezen worden als een valabele representatie van bijvoorbeeld vrijheid, maar morgen worden verfoeid omwille van een al te dictatoriale verschijning. Deze les trekt Jencks uit de saga van de architectuurwedstrijd voor Ground Zero. Hij wijdt een volledig hoofdstuk aan wat ongetwijfeld het meest beladen en gemediatiseerde project van de voorbije eeuwwisseling is geweest. De aan het eind resterende kandidaten, Daniel Libeskind en Rafael Viñoly, zagen ettelijke verschuivingen plaatsvinden in de publieke interpretatie van hun projecten. Het lot bepaalde echter dat de resterende keermuren in Libeskinds project – Jencks beschrijft hen als “slurry walls” – door publiek en critici werden aanzien als een representatie van standvastigheid, onoverwinnelijkheid en trots, terwijl Viñoly’s voorstel hen leek te herinneren aan vergankelijkheid, onmacht, ‘skeletten’ en ‘hangende lichamen’. Toch hoeft ook de voorlopige verliezer van het drama volgens Jencks niet op te geven. Bij gebrek aan elk toetsingskader – “anything can be an icon”, zo stelt Jencks – is een controverse of zelfs een heuse mediaoorlog de maatstaf. Hoe meer bediscussieerd en bekritiseerd – hoe meer gemediatiseerd – hoe groter finaal de waarde van een hedendaags cultuurproduct. De Eiffeltoren vormde ooit ook het voorwerp van menige schimprede, maar deze negatieve aandacht heeft ongetwijfeld het icoongehalte van deze constructie bekrachtigd.

Zowel in onderzoeksstijl, argumentie als opzet volgt Jencks’ boek de logica waarnaar ook het iconische gebouw zich vandaag plooit. Jencks taxeert de set van exemplarische projecten eerder op hun anekdotische en metaforische inhoud dan op hun architecturale, disciplinaire betekenis. Hij puurt er geen nieuwe theorie uit, maar legt een aantal opties open over de betekenis van architecturale representatie vandaag. En toch doet de officieuze ondertitel op de achterflap van het boek – The Coming of Cosmic Architecture – vermoeden dat Jencks een duidelijke opvatting heeft over het representatief vermogen van de enigmatische betekenaar. Met de ondertitel suggereert hij een mystiek kader dat binnen de postmoderne context nog steeds universele geldigheid zou genieten: dat van de natuur en de kosmos. Als vroegste bewijzen voor de impact van het kosmologische en mystieke hanteert Jencks het laatmodernistische, irrationele werk van Le Corbusier, en de kapel in Ronchamp in het bijzonder. Deze staat bol van dergelijke referenties en zou volgens Jencks door Le Corbusier zijn opgevat als een pantheïstische tempel ter bevrediging van zijn eigen behoefte aan spiritualiteit. Doorheen het boek wordt duidelijk dat elke enigmatische betekenaar het moet hebben van dergelijke kosmische referenties die de alledaagse banaliteit overstijgen.

Het is Jencks’ verdienste om via Le Corbusiers latere werk, zoals de kapel in Ronchamp maar ook de General Assembly in Chandigarh, de impact van het iconische in het algemeen en de kosmische referentie in het bijzonder te reserveren voor de zoektocht naar een maatschappelijk relevante representatie. Jencks beschrijft hoe de conische figuur op het dak van de General Assembly eenmaal per jaar tijdens het zonnefeest licht werpt op het spreekgestoelte van de verkozenen, en zo hun politieke, publieke macht bestendigt met een mystiek, onweerlegbaar argument. De grillige, ingebedde vorm en de complexe wandelgangen van het Scottish Parliamentvan Enric Miralles staan volgens Jencks dan weer symbool voor politieke participatie en democratie. Elders in het boek betreurt Jencks de afwezigheid van een publieke dimensie in het Swiss Re-kantoorgebouw van Foster en fulmineert hij tegen de vormelijke opzichtigheid van private woningen. Alles kan, maar niet alles mág dus een icoon zijn. Jencks laat aldus de legitimatie van de iconische, enigmatische betekenaar niet verglijden in een opportunistische keuze voor de overleving van de eigen discipline binnen de huidige beeldcultuur. De vraag rest natuurlijk of de enigmatische betekenaar, zelfs met behulp van kosmische referenties, niet de zoveelste postmoderne vlucht is voor de complexe, reële en maatschappelijke uitdagingen die in deze super- of neomoderniteit aan de architectuur worden gesteld. In de slotpassage dikt Jencks zijn eigen overtuiging van de impact van de kosmische metafoor aan met een uitgebreide ode aan zijn eigen project The Garden of Cosmic Speculation, een nieuwsoortig arcadisch landschap, bezaaid met referenties aan de chaostheorie, zwarte gaten, atomen en quarks, ver weg van de dagelijkse realiteit waarin de architectuur zich moet bewegen. The Iconic Building, The power of Enigma doet op onderhoudende wijze het verhaal van het lastige parcours tot de realisatie van een iconisch gebouw vandaag, maar, als we Jencks moeten geloven, ligt het beloofde land dan toch nog aan de einder.

 

• Charles Jencks, The Iconic Building, The Power of Enigma verscheen in 2005 bij Frances Lincoln, 4 Torriano Mews, Torriano Avenue, London NW5 2RZ (020/72.84.40.09; www.franceslincoln.com). ISBN 0-847-82756-9.