Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 51 september-oktober 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

In het proces, over het project (I)

Sinds enkele maanden wordt in Gent een tentoonstelling voorbereid onder de werktitel “This is the show and the show is many things”. Dertien kunstenaars nemen eraan deel: Louise Bourgeois, Anne Decock, Fabrice Hybert, Henrietta Lehtonen, Honoré ’O, Mark Manders, Uri Tzaig, Maria Roosen, Suchan Kinoshita, Eran Schaerf, Luc Tuymans, Jason Rhoades en Claire Roudenko-Bertin. De tentoonstelling dient zich aan als een “proces/project”. Het proces is nu dicht bij zijn materialisatie - of alvast bij een van zijn materialisaties. (We zijn einde augustus, de tentoonstelling is te zien vanaf 17 september.)

Het proces loopt niet alleen door tijdens de tentoonstelling maar ook erna. De traditionele driedeling voor-tijdens-na wordt opzij geschoven: de tentoonstelling begint niet met een vernissage en wordt strikt genomen niet afgesloten. Na de tentoonstelling in Gent, waarvan Bart De Baere curator is, wordt het proces/project immers voortgezet, herdacht, omgevormd,… in het Israel Museum van Jeruzalem. Curator wordt daar Uri Tzaig, één van de kunstenaars in Gent; hij wordt geassisteerd door Bart De Baere en Ygal Salmona.

In “Manieren en stemmingen”, een catalogustekst van Bart De Baere die hij me in de loop van juli toestuurde, beantwoordde hij de vraag van Ronald Van de Sompel en mij om het proces van nabij te volgen met de uitnodiging om zelf van het proces deel uit te maken. Mijn positie is vanaf dat moment dubbel: ik schrijf over het proces voor een tijdschrift (als kritisch observator), maar tegelijk participeer ik ook: ik lever bijdragen voor de catalogus en neem deel aan de discussie. Overigens kunnen die twee rollen niet strikt van elkaar gescheiden worden: ook wie deelneemt, blijft nu en dan toeschouwer, terwijl de observator nooit zomaar een buitenstaander kan zijn, omdat hij het proces altijd beïnvloedt. Als we ervan uitgaan dat er een proces is, betekent dat automatisch dat iedereen er potentieel deel van uitmaakt. Binnen het immanente verloop van het proces kan men immers slechts ageren en reageren, en dat kan er in principe op elk moment toe leiden dat mensen bij het proces worden betrokken die er oorspronkelijk niets mee te maken hadden. Daarin schuilt juist de radicaliteit van de keuze voor een open proces.

Het proces/project is open, het kan worden voortgezet maar het kan ook verschuiven, zoals ook de werken kunnen schuiven, binnen het eigen veld of in contact met elkaar. Het wil geen produkt afleveren maar verwijlen in momenten, in een voortdurend “imperfectum”. De catalogus is evenmin een produkt. Hij zal teksten, ontwerpen, voorstellen, fragmenten bevatten van de verschillende kunstenaars, van de generator van het project (Bart), en van twee critici (Ronald en ikzelf). Bijdragen kunnen overigens worden nagestuurd, desnoods onder de vorm van fotokopies.

 

Manieren en stemmingen

De werktekst “Modes and moods” of “Manieren en stemmingen” gebruikt termen als “imperfective”, “progressive” en “present continuous” en benadrukt dat de benadering van de kunstenaars “fundamenteel verschilt van een benadering die gericht is op een volmaakte staat”, dat het werk bestaat “uit fragmentaire benaderingen zonder dat deze worden opgelost op een ander niveau dan dat van het moment” (waarvoor het Portinari-altaar van Van der Goes als metafoor wordt gebruikt). Veel staat in het teken van het momentane, de voorlopigheid, de energie. Ook “immanentie” is een van die trefwoorden, die Bart in zijn tekst afzet tegen “transcendentie”, “als een houding die beantwoordt aan het verlangen om een betekenis te vinden voor de energieën in de wereld”. In aansluiting op een opmerking van Eran Schaerf over de mogelijkheid om rond Stichwörter te werken, had Anne Decock voorgesteld per kunstenaar drie Stichwörter te vragen, die deel zouden uitmaken van een los referentiesysteem. Bart suggereerde een aantal mogelijkheden voor zijn reeksje: “...immanentie-verlangen-transcendentie, of het zou kunnen worden inductie-immanentie-continuering...”

Mijn eerste geste binnen het proces was een reactie op de werktekst “Manieren en stemmingen”. Ik richtte een tekst aan alle betrokkenen (die net zoals de tekst van Bart aan de catalogus kan toegevoegd worden) waarin ik trachtte aan te tonen dat de werktekst zich bedient van tegenstrijdige retoriek. De werktekst stelt zich namelijk niet tevreden met het proces zelf: hij wil bewijsstukken. Hij breekt volgens mij door de immanentie van het proces/project heen om die immanentie in begrippen te gieten en daardoor te verdinglijken. Bart zelf had op een snellere reactie gehoopt, “waardoor de tekst zichzelf misschien overbodig had gemaakt”. 

Als je iets als ‘open’ definieert, doe je die openheid teniet, had Bart zelf op een gegeven moment gezegd. Volgens mij is dat nu net wat in zijn tekst gebeurt. Komt het door de drang om bewijsmateriaal te verzamelen? Heeft het te maken met het enthousiasme van de organisator, die de gedachten zo hartstochtelijk omhelst dat hij ze doodknijpt? Volgens mij is dat de reden, want uit de voorbereiding van deze tentoonstelling spreekt een integer engagement. Bovendien stellen de betrokkenen zich kwetsbaar op door ruimte te scheppen voor reacties, zoals de hierboven geschetste. De hele kwestie stelt overigens de relatie aan de orde tussen een immanent verloop en het communiceren van dat verloop. Het gevaar voor pathetische verstarring of sentimentele simulatie is in zo’n geval erg groot. Ook Barts tekst faalt op dat vlak, en de tekst wordt spijtig genoeg niet omringd door reacties die zijn “verraad” aan wat hij beschrijft deconstrueren. (Op dit moment is er wel het idee om die ene ‘frontale’ reactie (van mezelf) in de catalogus vooraf te laten gaan aan een nieuwe versie van de tekst waarop ze reageert.)

In enkele gesprekken die ik tot nog toe met kunstenaars heb gehad, werden gelijkaardige reserves geformuleerd. Vooral Honoré ’O heeft soms de indruk dat gedachten te snel gefixeerd worden. Honoré had op een gegeven moment het idee om tijdens de tentoonstelling werken weg te geven aan mensen die er op dat moment zouden zijn, aan eender wie. Het verlies moest radicaal zijn: hij wilde dingen loslaten. Dat Bart hem vroeg of hij dat ook zo kon publiceren, vond hij al storend: alsof het verlies door de publikatie ervan al gerelativeerd werd. Gestes zoals deze verdragen geen mededelingen. Ik vermoed dat hij het gevoel had dat het vastzetten, het definiëren van het verlies (als verlies) al neerkomt op een compensatie, een vergoeding, en dus een ontkenning. Strikt genomen moet zijn geste plaatsvinden in de anonimiteit, maar die is intussen al tenietgedaan (dit relaas bezegelt dat nog eens). Honoré en Bart schreven een brief aan SABAM met de vraag of het mogelijk is alle rechten op een werk af te staan, zowel de intellectuele rechten als het eigendomsrecht. Ook die brief fixeert het gebaar, dreigt van het ‘verlies’ een pamflet te maken. Dat toont het paradoxale van Honoré’s voorstel, wat er tegelijk ook de kracht van uitmaakt. (Vanuit München heeft Honoré overigens nog reacties doorgeseind op de formuleringen in de brief, maar die heb ik nog niet gelezen.)

 

Conversaties en ontmoetingen

Naar mijn gevoel werd in de loop van de voorbereiding teveel de indruk gewekt dat de tentoonstelling maandenlang, in totale symbiose van de betrokken kunstenaars, toegroeide naar zijn (voorlopige) belichaming. In “Manieren en stemmingen” staat: “Kunstenaars hebben elkaar en het museum bezocht. Er bestaat een intuïtie over de te volgen richting. Extra Muros krijgt gestalte.” Er worden woorden gebruikt als “conversatie”, en elders spreekt de tekst over “een ontmoeting van zeer verschillende noodzakelijkheden, die toch getuigen van een grote openheid tegenover elkaar en met betrekking tot de specifieke problemen die een dergelijke ontmoeting met zich mee kan brengen.” Toen ik bij het project betrokken raakte, had ik aanvankelijk ook het beeld dat alles in een totale interactie zou verlopen. Dat heeft te maken met de manier waarop (vooral) Bart erover praatte: er was een proces, kunstenaars zouden niet zomaar hun ding komen doen, de tentoonstelling zou “intertwining” zijn (zo vertaalde Uri het verlangen van Bart).

Tijdens gesprekken met kunstenaars, kreeg ik echter een gevoel van “is het maar dat?” Toen ik op 18 augustus Mark Manders bijvoorbeeld vroeg naar de manier waarop hij het proces tot dan toe beleefd had, reageerde hij: “Ik dacht dat het nog moest beginnen.” Hij bedoelt dat de communicatie en de interactie pas werkelijk op gang komen wanneer de kunstenaars elkaar ontmoeten in het museum. De discussies en de interactie die als deel van het proces/project werden verondersteld, waren inderdaad beperkter dan men op basis van de werktekst “Manieren en stemmingen” zou vermoeden. Enkele kunstenaars namen minder intensief deel aan de conversaties die Bart op gang bracht, anderen stonden er soms ambivalent tegenover. Grappig was de verzuchting van Maria Roosen: “God, nou moet ik plots communiceren, ik weet helemaal niet of ik dat kan”.

Honoré hecht wel belang aan de communicatieve momenten, maar op een andere, veel radicalere manier dan “Manieren en stemmingen” voorstaat. Hij is geïnteresseerd in de contacten en gesprekken als zodanig: hij wil de momenten zo radicaal mogelijk als momenten laten bestaan. Zijn brief aan de andere kunstenaars begrijp ik niet als bouwsteen van een proces dat naar de tentoonstelling leidt, maar gewoon als een fragment dat zich neerlegt bij zijn fragment-zijn, en dat in zijn vluchtigheid onrecupereerbaar blijft. De momenten zijn relevant omdat het momenten zijn: “daar gebeurt het”. Honoré vindt naar mijn gevoel in dit proces/project de gelegenheid om deze momenten te ervaren, zonder dat hij ze wil oplossen in de tentoonstelling. Die bestaat weer uit andere momenten. Ik kan me overigens voorstellen dat meerdere kunstenaars de conversatie minder beschouwen “met het oog op...” dan als een mogelijkheid om te converseren. 

Uiteindelijk werkten de meeste kunstenaars aan hun eigen project, al bleven ze voortdurend in contact met het museum (met Bart vooral) en al waren er twee grote en een aantal kleine groepsgesprekken. De meest intense communicatie bestond wellicht tussen Bart en Honoré, en Anne en Uri. Enkele kunstenaars gingen elkaar opzoeken. Honoré ging naar Fabrice Hybert in Parijs en trok naar Uri in Berlijn; aan de anderen schreef hij een brief vol impulsen en bewegingen. Maar de meeste kunstenaars communiceerden via de klassieke kanalen met het museum over hun plannen en catalogusbijdragen. Werd de conversatie, “het proces” een dwang? Ik denk het niet. Daarvoor ging het teveel om momenten, en tegen een moment kan je je afzetten.

Een proces/project als voortdurende conversatie had natuurlijk heel interessant kunnen zijn. Maar zoiets is zeer arbeidsintensief en veronderstelt dat je er al in een vroeg stadium aan begint. Zo’n conversatie zou er dan in bestaan dat alle voorstellen, reflecties, werkteksten aan iedereen worden toegestuurd, zodat een rondetafelgesprek ontstaat, uitdeinend in ruimte en tijd. Wat dat betreft, bleef deze tentoonstelling “in de startblokken zitten”, om het met één van de kunstenaars te zeggen. Overigens is dat niet zo erg, in die zin dat het proces/project sowieso niet afgebakend is in ruimte en tijd, dat alles in flux blijft. Je kan dus niet zeggen dat kansen werden verspeeld.

 

Werkzaamheden en gedachten

Op een gegeven moment rees de behoefte om binnen het museum mogelijkheden tot continuering te voorzien. Er werden drie soorten plaatsen ‘in’ het museum afgebakend: Storage, een opslagplaats voor ongebruikte, of nog niet gebruikte materialen, Studio, een rustige plaats waar de kunstenaars bijvoorbeeld kunnen werken, en Exhibition, de tentoonstelling. (Of die noodzaak er op 17 september nog is, moet worden afgewacht. In de loop van de tentoonstelling kunnen deze plaatsen overbodig worden en dus ook verdwijnen.)

Van Luc Tuymans kwam het voorstel om het begin en het einde van de tentoonstelling om te draaien. Een concreet gevolg daarvan is dat de bezoeker door de tentoonstelling moet wandelen voor hij het begin bereikt en de “voorbereidende” informatie krijgt. Luc vergelijkt een groepstentoonstelling met een montage, waar tussen de beeldsnedes on-beelden ontstaan. Ik denk dat zo’n omkering het montage-element ook bewuster toont, zodat de on-beelden voelbaarder worden en de tentoonstelling wordt bevrijd van het gevoel van in-zichzelf-gelovende simulatie. Dat maakt deze geste sterker dan een polemisch “op zijn kop zetten” van het museum.

Luc verzorgt ook het licht. Dat wordt natuurlijk afgestemd op de noden van de kunstenaars, die stilaan met de opbouw beginnen. Tijdens een gesprek van Bart, Ronald en ikzelf met Luc (waarvan een transcriptie in de catalogus opgenomen wordt) kreeg ik de indruk dat hij naar een licht zoekt dat op een precieze manier aanwezig stelt, zonder een focus op te dringen. Het licht selecteert niet, versterkt niet: het stelt aanwezig en houdt zich louter in dat moment op. Luc sprak over “een constante schemering”, over “saturatie van het licht”. Ik stelde me daarbij een licht voor dat als vanzelfsprekend de dingen omgeeft, dat niet schijnt, straalt, uitlicht, keuzes produceert, maar “er is”. Het trekt zich terug tot een conditie waarop werken en gestes naast/met elkaar kunnen bestaan. Het maakt het daardoor mogelijk dat de werken in de plaats hun plaats vinden, dat ze schijnen vanuit zichzelf in plaats van beschenen te worden. Daaruit ontstaat dan weer “het schilderkunstige” dat Luc met de tentoonstelling verbindt, een notie met vele aspecten waarvan één me lijkt te bestaan in het niet-opgesplitste, in de immanente “vervlochtenheid” van het werk. In tegenstelling tot het filmische, dat selectief belicht en uitkiest, zou het schilderkunstige dan een “vervlochtenheid” tonen (Luc sprak over “gecontinueerdheid”). Ik stel me een licht voor dat in de poriën van de materiële realiteit valt, dat minder verdeelt of kiest en verhult door licht en schaduw. Daardoor is het werk totaler aanwezig, wordt het verzadigd met momenten en verbindingen, zodat het moeilijker te ontwarren is. (Natuurlijk is dat mijn constructie, naast zijn voorstellingen, van iets dat hij nog met de kunstenaars moet bespreken, en vervolgens weer met zichzelf.)

Hoe oriënteren de kunstenaars zich? Elke geste creëert zijn eigen scène en toont daarin zijn broosheid. In juli ontmoette ik Uri. Hij vroeg aan iedereen twee (of één of drie) boeken, die hij gewoon in het museum wil binnenbrengen. Hij vertelde me over een tentoonstelling in Berlijn met de titel “De juwelen van Eva Braun”, waarin de juwelen alleen aanwezig waren om de mensen “toch iets substantieels” te laten zien. Daarna las ik zijn verhalen. Een ervan gaat over een man die hij besloot te volgen, zonder te begrijpen waarom, zonder te begrijpen welke rol hij in het verhaal speelt, zonder te begrijpen wat de glans in zijn ogen betekent. De keuzes en handelingen in deze verhalen zou je absurd kunnen noemen, maar ze zijn het niet: ze lijken op zoek naar de volheid van de onbegrijpelijkheid. Ze zijn geen onzin, maar zoeken hun zin in zichzelf. De momenten bestaan hier als momenten, en dat doet me denken aan wat Honoré voor ogen staat. De “bibliotheek” is een open voorstel. Alle voorstellen en vragen kunnen gespreksstof en dus onderdeel van het werk worden. Kan ik boeken van andere mensen vragen? Ik vraag het hem als hij er is (ook Anne stelde zich vragen, en schreef hem daarom een brief). Het enige wat je over Uri’s voorbereiding kan zeggen, is dat er gesprekken zijn. Zijn interesse voor zijn gesprekspartner is vitaal. Zijn opmerking over een mogelijk gevaar van de tentoonstelling, dat ze zou kunnen vervallen in illustraties van de energie die ze ambieert, heb ik in zekere zin ook bij Honoré ontmoet.

Suchan Kinoshita heeft voorlopig het idee om een plaats binnen en buiten het museum te bouwen, een Baustelle of iets anders. Ze dacht aan een plaats die verborgen blijft omdat er dingen gebeuren. Vanuit die plaats zou ze zelf acties kunnen ondernemen, in plaats van definitieve voorstellen af te leveren. Het idee om op een piano een stuk van Nietzsche te spelen (“Fragment an sich”, dat steeds herhaald moet worden), was bij onze laatste ontmoeting “meer en meer object aan het worden”.

Het is opvallend dat hier op een vanzelfsprekende manier een grens en een vorm van anonimiteit opgezocht worden. Dat heeft niets polemisch, ze vechten niet tegen muren en grenzen: ze bekijken, behandelen de muren en grenzen als elementen in een spanningsveld, waarin je verschillende posities kunt kiezen: in, tegen, aan, buiten. Het on-auratische van hun werk demystificeert het museum op een natuurlijke wijze. Jason Rhoades vergelijkt zijn “krachtenveld” met een druppel die in het water valt en kringen verspreidt: het centrum is hol en de radiatie is rekbaar, heeft een ontzettend dunne grens. De plaats is een elastisch gegeven (mogelijk komt één van zijn jacuzzi’s in het park) en wordt een veld. 

Deze beweeglijkheid doet me denken aan het werk van Honoré of aan de prozaïsche grensbespelingen van Anne. Zij wil (onder andere) een soort studio bouwen, maar heeft ook een hortus conclusus in het achterhoofd. Haar grensbepaling, vermoed ik, reduceert zich tot een materieel feit. Dat was al in vorige installaties het geval. Daarin ligt de openheid van haar werk, ondanks de hardnekkige gestructureerdheid ervan. Het boetseert zijn eigen grensbepaling en reveleert daardoor de veranderlijkheid van die grens.

Ze had nog andere ideeën, waarvan ze vorm en realisatie nog niet kan voorzien. Zo vertelde ze me dat ze Jason had voorgesteld om draden van hem die door het museum slingerden te gebruiken voor haar boksring, maar dat hij had geweigerd. Achteraf vertelde Jason me dat hij het vreemd vond dat ze zo makkelijk terugschrok, terwijl hij eigenlijk een respons had willen provoceren, had willen vasthouden aan de communicatie. Jason vertelde mij over de bumps die hij in het museum wil leggen, en waar je tegen kan rijden zodat je gezichtspunt verandert. Zijn antwoord moet wellicht zo’n bump zijn geweest, maar het antwoord daarop was het stilleggen van de motor (die misschien weer wordt aangezwengeld?).

Dit proces/project heeft de motor nog maar net opgestart. Dat is al een verdienste, al liep het (in de marge) het gevaar zichzelf te verkopen met behulp van veel onvervulde wensen. De weken voor 25 augustus waren intens, omdat het juiste verlangen er was, ook al werd dat nog teveel vastgezet in statements. Het verlangen zelf was authentiek, maar de “voorstellingen” ervan (zoals in de tekst “Manieren en stemmingen”) leken me dat veel minder. Andere tentoonstellingen die het procesmatige cultiveren, reduceren het tot een thema, wat de zaak al bevriest voor ze begonnen is. Ook in “This is the show…” dreigt het geheel soms te verstarren onder de vele goedbedoelde verklaringen. Toch roept de basisenergie vertrouwen op.

(Bart vertelde mij net dat de teksten (van hem en mij) volgens hem maar beter in de catalogus konden komen, al wordt dat pas eind augustus definitief beslist. Ik kaartte nog even mijn fundamenteel onbehagen aan, namelijk de inconsequente verhouding tussen het (veronderstelde) verloop van het proces/project en de mediatisering ervan. Hij merkte op dat mijn tekst misschien kon worden voortgezet, omdat hij dat op het einde ook suggereert…)

 

wordt vervolgd

 

“This is the show and the show is many things” van Louise Bourgeois, Anne Decock, Fabrice Hybert, Henrietta Lehtonen, Honoré ’O, Mark Manders, Uri Tzaig, Maria Roosen, Suchan Kinoshita, Eran Schaerf, Luc Tuymans, Jason Rhoades en Claire Roudenko-Bertin, loopt van 17 september tot 27 november in het Museum van Hedendaagse Kunst, Citadelpark, 9000 Gent (09/221.17.03). De tentoonstelling in het Israël Museum gaat op 24 januari 1995 van start. Het adres: Ruppinstreet, 91710 Jeruzalem (02/708.811).