Theodor W. Adorno

DE WITTE RAAF

Editie 123 september-oktober 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Leestekens

Hoe minder de leestekens, elk afzonderlijk, betekenis dragen of uitdrukkingskracht bezitten en hoe meer ze in de taal de tegenpool van de naam vormen, des te duidelijker bereikt elk van hen zijn fysionomische functie, zijn eigen uitdrukkingskracht, die weliswaar niet te scheiden is van de syntactische functie, maar zich er ook geenszins toe beperkt. De belevenis van Gottfried Kellers Grüne Heinrich, die gevraagd wordt wat de grote Duitse P is en uitroept: dat is de Pompernikkel, gaat pas echt op voor figuren van de interpunctie. Gelijkt het uitroepteken niet op de dreigend opgestoken wijsvinger? Zijn vraagtekens niet als knipperlichten of een oogopslag? Dubbelepunten sperren volgens Karl Kraus de mond open: wee de schrijver die hen niet voedzaam te eten geeft. De kommapunt doet optisch aan een afhangende snor denken; sterker nog ervaar ik zijn wilde smaak. Dom-sluw en zelfvoldaan likken de aanhalingstekens aan hun lippen.

Het zijn allemaal verkeerstekens; uiteindelijk zijn verkeerstekens van hen gekopieerd. Uitroeptekens zijn rood, dubbelepunten groen, gedachtestrepen zeggen stop. Maar het was de vergissing van de school van Stefan George ze daarom te verwarren met communicatietekens. Het zijn eerder voordrachttekens; ze bevorderen niet gedienstig het verkeer tussen de taal en de lezer, maar staan hiëroglifisch ten dienste van het verkeer dat zich in het binnenste van de taal afspeelt, op haar eigen wegen. Daarom is het overbodig ze als overbodig uit te sparen: dan verstoppen ze zich alleen maar. Elke tekst, hoe dicht hij ook geweven is, ontbiedt hen uit zichzelf, vriendelijke spoken op wiens immateriële aanwezigheid het taallichaam teert.

 

In geen enkel van haar elementen gelijkt de taal zo op muziek als in de leestekens. Komma en punt komen overeen met het halfslot en volledig slot. Uitroeptekens zijn als geluidloze cimbaalslagen, vraagtekens fraseverhogingen, dubbelepunten dominant-septiemakkoorden; en het verschil tussen komma en kommapunt voelt alleen iemand die het ongelijke belang van sterke en zwakke fraseringen in de muzikale vorm waarneemt. Maar misschien is de idiosyncrasie tegen leestekens, die vijftig jaar geleden de kop opstak en waarvan geen opmerkzaam mens zich volledig kan losmaken, minder een vorm van verzet tegen een ornamenteel element, dan een uitdrukking van de mate waarin muziek en taal uiteenlopen. Toch kan het nauwelijks toeval zijn dat de raakpunten van de muziek met taalkundige leestekens gebonden waren aan het schema van de tonaliteit, dat intussen is vervallen, en dat men het best wel zo zou kunnen voorstellen dat de inspanningen van de nieuwe muziek draaien om leestekens zonder tonaliteit. Maar terwijl muziek gedwongen is om in leestekens het beeld te bewaren van haar overeenkomst met de taal, kan de taal haar gelijkenis met de muziek de vrije loop laten door de leestekens te wantrouwen.

 

Het verschil tussen de Griekse kommapunt, die verhoogde punt die de stem wil beletten te zakken, en de Duitse, die met punt en aanhangsel het zakken voltrekt en niettemin, doordat ze de komma in zich opneemt, de stem laat zweven, werkelijk een dialectisch beeld – dat verschil lijkt het onderscheid na te bootsen tussen de oudheid en het christelijke tijdperk, de door het oneindige gebroken eindigheid; op het gevaar af dat het tegenwoordig gebruikelijke Griekse teken pas door humanisten in de 16de eeuw werd uitgevonden. In de leestekens heeft zich geschiedenis gesedimenteerd, en zij is het veeleer dan betekenis of grammaticale functie, die uit elk teken, verstard en met lichte huivering, naar buiten kijkt. Het scheelt daarom weinig of men zou als de ware leestekens enkel die van de Duitse fractuur beschouwen, waarvan het grafische beeld allegorische trekken bewaart, en die van de antiqua slechts als geseculariseerde namaak.

Het historische wezen van de leestekens blijkt uit het feit dat precies dat aan hen veroudert wat ooit modern was. Uitroeptekens zijn onuitstaanbaar geworden als gebaar van autoriteit, waarmee de schrijver van buitenaf een klemtoon probeert te leggen die de zaak zelf niet doet gelden, terwijl de muzikale tegenhanger van het uitroepteken, het sforzato, nog altijd even onontbeerlijk is als in de tijd van Beethoven, toen het de inval van de subjectieve wil in het muzikale weefsel markeerde. Maar uitroeptekens zijn verkommerd tot usurpators van autoriteit, bezweringen van gewichtigheid. Zij waren het die ooit een stempel drukten op de grafische gedaante van het expressionisme. Hun opeenhoping verzette zich tegen de conventie en was tegelijk een symptoom van de machteloosheid om het taalsysteem van binnenuit te veranderen, terwijl men er in de plaats daarvan vanbuiten aan rammelde. Ze overleven als gedenktekens van de breuk tussen de idee en wat er in die periode van gerealiseerd is, en hun hulpeloze bezwering redt hen in de herinnering: vertwijfeld schrijfgebaar dat vergeefs over de taal heen zou willen. In dat gebaar heeft het expressionisme zich verbrand; met de uitroeptekens heeft het zichzelf gecrediteerd voor haar eigen effect, en daarom is het in hen uitgedoofd. Ze gelijken in expressionistische teksten tegenwoordig op de miljoenen op de bankbiljetten van de Duitse inflatie.

 

Literaire dilettanten zijn eraan te herkennen dat ze alles met elkaar willen verbinden. Hun producten haken de zinnen met logische partikels in elkaar, zonder dat het door die partikels gehandhaafde logische verband werkzaam is. Voor wie niets werkelijk als eenheid kan denken is alles wat aan het brokkelige, het afgevoerde herinnert, onverdraaglijk; alleen wie meester is over een geheel, weet met cesuren om te gaan. Maar dat is te leren aan de hand van de gedachtestreep. Door die streep wordt de gedachte zich bewust van haar fragmentkarakter. Het is geen toeval dat dit teken in het tijdperk van voortschrijdend taalverval nu net daar veronachtzaamd wordt waar het aan zijn doel beantwoordt: waar het scheidt wat verbondenheid voorwendt. Het dient enkel nog om onbenullig op verrassingen voor te bereiden, die er precies daardoor geen meer zijn.

De ernstige gedachtestreep: haar onovertroffen meester in de Duitse literatuur van de 19de eeuw was Theodor Storm. Zelden zijn deze leestekens zo totaal aan de inhoud gewijd als in zijn novellen, stomme lijnen in het verleden, rimpels op het voorhoofd van de teksten. De reciterende stem wordt er zorgelijk stil van: de tijd die ze tussen twee zinnen openbreken is er een van belastend erfgoed en heeft, kaal en naakt tussen de versnelde gebeurtenissen, iets van het onheil van de natuurlijke samenhang en van de schaamte om daaraan te raken. Zo discreet verschuilt de mythe zich in de 19de eeuw; ze zoekt haar toevlucht in de typografie.

 

Tot de verliezen waarmee de interpunctie deel heeft aan het taalverval, behoort dat van de schuine streep, die bijvoorbeeld verzen van elkaar scheidt wanneer een strofe in een prozatekst geciteerd wordt. In de vorm van een strofe zou ze het taalweefsel barbaars kapotscheuren; gewoon als proza gedrukt, sorteren verzen een belachelijk effect, omdat metrum en rijm als woordspelig toeval overkomen; de moderne gedachtestreep is dan weer te kras om tot stand te brengen wat ze in dergelijke gevallen tot stand zou moeten brengen. De bekwaamheid zulke verschillen fysionomisch waar te nemen is evenwel de voorwaarde voor om het even welk gebruik van leestekens.

De drie puntjes, waarmee men in de tijd van het tot stemming gecommercialiseerde impressionisme zinnen graag veelbetekend openliet, suggereren de oneindigheid van gedachten en associaties die nu net niet opkomen in de veelschrijver, die het schriftbeeld nodig heeft om ze voor te spiegelen. Maar als men, zoals de school van Stefan George, die uit de oneindige decimale breuken van de arithmetica ontvreemde punten tot het getal twee reduceert, dan denkt men verder ongestraft aanspraak te kunnen maken op die fictieve oneindigheid door als nauwkeurig te draperen wat naar de geest onnauwkeurig wil zijn. Tegenover de interpunctie van de gewetenloze veelschrijver is die van de gewetensvolle niet superieur.

Aanhalingstekens hoef je enkel te gebruiken wanneer je iets aanhaalt, bij een citaat, eventueel wanneer de tekst zich wil distantiëren van een woord waarnaar hij verwijst. Als hulpmiddel van de ironie zijn ze te versmaden. Want ze stellen de schrijver vrij van de geest waarvan de aanspraak onafwijsbaar inherent is aan de ironie, en ze zondigen tegen het begrip zelf, doordat ze de ironie van de zaak scheiden en het oordeel hierover voorstellen alsof het al vooraf bepaald is. De opeengestapelde ironische aanhalingstekens bij Marx en Engels zijn schaduwen die de totalitaire procedure voor zich uitwerpt over hun geschriften, die het tegendeel bedoelden: de kiem waar uiteindelijk uit groeide wat Karl Kraus het Moskoeterwaals noemde. De onverschilligheid tegenover de talige uitdrukkingswijze, die tot uiting komt in de mechanische overdracht van de intentie in het typografische cliché, wekt de argwaan dat hier juist de dialectiek is stilgelegd, die de inhoud van de theorie uitmaakt, en dat het object er van bovenaf, zonder beraadslaging, onder gesubsumeerd wordt. Overal waar er ook maar iets te zeggen valt, wijst onverschilligheid tegenover de literaire vorm op dogmatisering van de inhoud. Het blinde vonnis van de ironische aanhalingstekens is hun grafische expressie.

 

Theodor Haecker schrok terecht dat de kommapunt uitsterft: hij besloot daaruit dat niemand nog een periode kan schrijven. Daartoe behoort de angst voor paginalange paragrafen, die ingegeven is door de markt; door de klant, die geen moeite wil doen en aan wie eerst de redacteurs en dan de schrijvers zich aanpasten, om hun leven te verdienen, tot ze op het einde van hun eigen aanpassing ideologieën bedachten zoals die van de luciditeit, de zakelijke hardheid, de compacte precisie. Maar bij die tendens laten de taal en het ding zich niet scheiden. Door het offer van de periode wordt de gedachte kortademig. Het proza wordt gereduceerd tot de protocolzin, het lievelingskind van de positivisten, tot het louter registreren van feiten, en doordat syntaxis en interpunctie afzien van het recht ze te articuleren, te vormen, er kritiek op te geven, staat de taal al op het punt voor het louter zijnde te capituleren, voor de gedachte nog maar de tijd heeft deze capitulatie ijverig uit zichzelf een tweede keer te voltrekken. Het begint met het verlies van de kommapunt, het eindigt met de ratificatie van de onzin door de van alle bijvoegsels gezuiverde redelijkheid.

De sensibiliteit van de schrijver voor interpunctie maakt zich waar in de behandeling van parenthesen. De voorzichtige zal geneigd zijn ze tussen gedachtestrepen te zetten en niet tussen haakjes, want het haakje haalt de parenthese volledig uit de zin, creëert als het ware enclaven, terwijl toch niets dat in goed proza voorkomt, overbodig zou mogen zijn voor het geheel; met het toegeven van zulke overbodigheid geven de haakjes stilzwijgend de aanspraak op de integriteit van de talige gestalte op en capituleren voor de pedante cultuurbarbarij. De gedachtestrepen daarentegen, die de parenthese uit de stroom stuwen zonder haar op te sluiten, houden in gelijke mate verband en afstand. Maar zoals het blinde vertrouwen op hun kracht om dat tot stand te brengen illusoir zou zijn, omdat het van het middel zou verwachten wat alleen door de taal en het ding zelf tot stand gebracht kan worden, zo is uit het alternatief van gedachtestrepen en haakjes af te leiden hoe broos abstracte interpunctienormen zijn. Proust, die wellicht niemand een cultuurbarbaar zal noemen en wiens pedanterie niets anders is dan een aspect van zijn grandioze micrologische kracht, heeft zonder bezwaar met haakjes gewerkt, vermoedelijk omdat in de grote perioden de parenthesen zo lang werden dat hun lengte alleen al de gedachtestrepen zou hebben geannuleerd. Ze hebben vastere dammen nodig om niet de hele periode te overspoelen en de chaos te veroorzaken waar elk van deze perioden ademloos op werd afgedwongen. De bevoegdheid voor het interpunctiegebruik van Proust ligt echter uitsluitend bij de opzet van zijn romanwerk in zijn geheel: dat de schijn van het continuüm van het verhaal wordt doorbroken, dat de asociale verteller bereid is door al zijn vensters naar binnen te klimmen om de donkere temps durée met de dievenlantaarn van de hoegenaamd niet zo onwillekeurige herinnering te verlichten. Zijn parenthesen tussen haakjes, die net als het schriftbeeld ook de voordracht onderbreken, zijn monumenten voor de ogenblikken waarop de auteur, moe van de esthetische schijn en wantrouwig tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gebeurtenissen die hij toch alleen maar uit zichzelf tevoorschijn fantaseert, openlijk de teugels grijpt.

Tegenover de leestekens verkeert de schrijver voortdurend in nood; als je bij het schrijven volledig meester zou zijn over jezelf, zou je de onmogelijkheid voelen elk teken juist te plaatsen en zou je het schrijven uiteindelijk opgeven. Want de eisen van de interpunctieregels en van de subjectieve behoefte van logica en uitdrukking zijn niet te ontkennen: in de leestekens protesteert de wissel die de schrijvende op de taal trekt. Hij kan de vaak starre en grove regels noch vertrouwen noch negeren, tenzij hij wil rondlopen in een soort zelfgemaakte kleding en door de accentuering van het onopvallende – en het onopvallende is het levenselement van de interpunctie – het wezen ervan wil verwonden. Maar omgekeerd mag hij, als het hem menens is, niets van wat hij zoekt opofferen aan iets algemeens, waarmee geen schrijvende zich tegenwoordig volledig identiek kan voelen en waarmee hij zich enkel tegen de prijs van archaïsering zou kunnen vereenzelvigen. Telkens opnieuw moet het conflict uitgevochten worden, en er is veel kracht of domheid voor nodig om er niet de moed bij te verliezen. Het is eventueel aan te raden met leestekens om te gaan zoals musici met verboden progressies van harmonieën en stemmen. Aan elke interpunctie, net als aan elke progressie van die aard, is te merken of ze een intentie draagt of gewoon slordig is; en, subtieler, of de subjectieve wil de regels brutaal doorbreekt of het wikkende gevoel hen behoedzaam meedenkt en laat meeklinken waar hij hen suspendeert. Dat zal vooral blijken bij de meest onopvallende tekens, de komma’s, waarvan de beweeglijkheid het liefst tegen de uitdrukkingswil aankruipt, maar die juist zo dicht bij het subject de geniepigheid van het object ontvouwen en bijzonder prikkelbaar worden met pretenties waartoe je ze nauwelijks in staat zou achten. In ieder geval zal het tegenwoordig wellicht niemand beter gaan dan wie zich aan de regel houdt: beter te weinig dan te veel. Want de leestekens, die de taal articuleren en daarmee het schrift op de stem doen gelijken, hebben zich door hun logisch-semantische onafhankelijkheid van de stem nu net van elk schrift gescheiden en geraken in conflict met hun eigen mimetisch wezen. Daar probeert het ascetische gebruik van leestekens iets van goed te maken. Elk behoedzaam vermeden teken is een reverentie van het schrift voor het geluid dat het smoort.

Vertaling uit het Duits: Dirk Van Hulle

(c) Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1974

Bovenstaande tekst is de vertaling van Satzzeichen, voor het eerst verschenen in 1956 en opgenomen in Gesammelte Schriften, Band 11 (Noten zur Literatur), Frankfurt am Main, Suhrkamp Verlag, 1996 (vierde druk), pp. 106-113.