Dorine Van Hoogstraten

DE WITTE RAAF

Editie 123 september-oktober 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

200 jaar Rijksbouwmeester

Lodewijk Napoleon benoemde Jean Thomas Thibault in 1806 tot Architect des Konings. Hij hield zich vooral bezig met de zorg voor koninklijke paleizen en begon met het ontwerpen van de uitbreiding van Paleis Soestdijk. In de periode tot 1830 waren er twee bestuurlijke centra in de Nederlanden: een in Brussel en een in Den Haag. Brussel had een eigen Landsgebouwendienst, met de voorloper van de huidige Vlaams Bouwmeester. In Nederland werd Thibault opgevolgd door Bartold Ziesenis. Later werd het ambt onder andere bekleed door W.N. Rose, P.J.H. Cuypers, C. Peeters en G. Friedhoff.

Dat de Rijksbouwmeester in Nederland 200 jaar bestaat wordt op verschillende manieren gevierd. Het tijdschrift voor de rijkshuisvesting Smaak heeft een special gemaakt over de Rijksbouwmeester en de AVRO zendt een televisieserie uit van korte documentaires waarin de laatste zeven Rijksbouwmeesters aan het woord worden gelaten en de thema’s ‘gevangenissen’ en ‘tweedekamergebouwen’ worden belicht. Verder heeft het kunstenaarsduo Broos het ministeriegebouw van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu beplakt met 200 zwarte stippen. De stippen symboliseren pupillen waarmee de Rijksbouwmeester de ruimtelijke kwaliteit van Nederland in de gaten kan houden. En in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam is ter ere van het jubileum een debat georganiseerd en een tentoonstelling gemaakt. De special van Smaak dient tevens als een bescheiden catalogus bij de tentoonstelling.

Het fenomeen Rijksbouwmeester is interessant. Hij (het is nooit een vrouw) houdt zich bezig met de architectuur van en kunst in rijksgebouwen. Tot de jaren ‘60 ontwierp de Rijksbouwmeester zelf rijksgebouwen. Het ging om grote aantallen overheidsgebouwen als postkantoren, gevangenissen, rijksscholen, ministeries, belastingkantoren en paleizen. Vanaf de jaren ‘60 ging de Rijksbouwmeester minder bouwen en meer adviseren. De huidige Rijksbouwmeester Mels Crouwel ontwerpt helemaal niet meer, maar adviseert bij de architectenkeuze voor nieuwe rijksgebouwen en geeft richting aan het architectuurbeleid en het gebouwenbeheer van de Rijksgebouwendienst. Naast de Rijksbouwmeester bestaan sinds een aantal jaren ook Rijksadviseurs voor landschap, infrastructuur en cultureel erfgoed. Samen adviseren zij de overheid over uiteenlopende vraagstukken als het hergebruik van een oude marinewerf, een kunstproject in een gevangenis, inpassing van een nieuwe snelweg in het landschap en de bouw van een nieuw paleis van justitie. Een dergelijk breed opgezet en invloedrijk nationaal instituut bestaat nergens anders; er is waarschijnlijk ook geen ander land waar ruimtelijke ordening zo sterk gezien wordt als een zaak van nationaal belang. Vlaanderen, Australië en Schotland hebben vergelijkbare, maar minder breed opgezette bureaus.

Mede dankzij de Rijksbouwmeester heeft Nederland een goede reputatie op architectuurgebied. Dat gevangenissen architectonisch interessante objecten zijn en jonge architecten opdrachten van het ministerie van Economische Zaken krijgen is mede aan het Atelier Rijksbouwmeester te danken en daar kan men trots op zijn; reden om het 200-jarig bestaan uitgebreid te vieren. Bovendien is het een goede gelegenheid om weer eens aan het grote publiek uit te leggen wat de Rijksbouwmeester doet. Televisie is daarbij een doeltreffend medium en het NAi is een passende plek om aandacht te besteden aan het werk van de Rijksbouwmeesters door de eeuwen heen. Het NAi heeft in de bovenzaal een zijwand gereserveerd voor kleine tijdelijke tentoonstellingen, die vaker worden gemaakt ter gelegenheid van een jubileum of bijzondere gebeurtenis.

In negen blokken wordt de historische ontwikkeling van het werk van de Rijksbouwmeester geschetst. Op tekstpanelen wordt heldere uitleg gegeven en korte citaten op de muur zetten de toon van het verhaal. De namen van alle Rijksbouwmeesters zijn als een doorlopende lijn boven de panelen aangebracht, soms met een portret. Daaronder is uiteenlopend materiaal getoond dat op een of andere manier een relatie heeft met het werk van de Rijksbouwmeesters: prenten, brieven, tekeningen, aquarellen, tijdschriften, foto’s, maquettes, dia’s, regionale plannen, boeken en een televisie. Helaas ontbreekt het in die verzameling aan samenhang. In de blokken die over de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw handelen, betreft het beeldmateriaal overwegend rijksgebouwen en herdenkingszuilen; later worden de grotere schaal van het landschap, regionale planvorming en infrastructuur belangrijker. Het materiaal laat zien hoe breed het werkveld is en hoe verschillend de opeenvolgende Rijksbouwmeesters hun taak hebben geïnterpreteerd. In die zin geeft de tentoonstelling een idee van het beroep: gevarieerd en afwisselend. Maar het had wel wat grootser en aantrekkelijker gekund, en wat minder versnipperd.

Een kleine tentoonstelling over een groot onderwerp vraagt om goed materiaal dat de kern verbeeldt van wat de maker in zijn hoofd had. Dat moet mogelijk zijn bij dit thema; er moet een grote hoeveelheid materiaal beschikbaar zijn in het Nationaal Archief en bij het Atelier Rijksbouwmeester. De tekeningen van Johannes Craner voor regeringsgebouwen uit 1865 en van W.N. Rose voor het ministerie van Koloniën uit 1858 smaken naar meer. Maar er was geen ruimte voor veel meer. Nog een serie zwart-witfoto’s van de postkantoren van C.H. Peeters, een paar aardige koepelgevangenissen en wat tijdschriften en dan gaat het via de zakelijke foto’s uit de jaren ‘60 in grote stappen naar de publicaties van de laatste decennia en de sprekende hoofden van de nog levende oudgedienden, die we ook bij de AVRO kunnen zien.

Door de uitgebreide viering van het jubileum wordt de geschiedenis van het ambt van Rijksbouwmeester nadrukkelijk gepresenteerd als een doorlopende lijn, en daarmee worden verwachtingen gewekt. Is er sprake van een stevige traditie, een lange historische lijn in het ontwerp van rijksgebouwen? Of waren de Rijksbouwmeesters allemaal individuen die hun eigen winkel beheerden zolang zij het ambt bekleedden? Wat heeft die 200 jaar opgeleverd aan interessante ontwerpen? Dat soort vragen blijft in het NAi onbeantwoord. Weliswaar is in 1995 reeds het lijvige boek De Rijksbouwmeesters verschenen, waarin de geschiedenis van het instituut nauwgezet en uitputtend is beschreven. Maar het enige dat dat overzichtswerk mist, zijn goede afbeeldingen; alles is klein en in zwart-wit afgebeeld. De special van Smaak laat een paar aardige beelden zien, maar ook daarin ontbreekt het aan samenhang. Die leemte had de tentoonstelling kunnen invullen door een samenhangende selectie van tekeningen en foto’s te tonen. Het beeld van de jarige Rijksbouwmeester had spectaculair kunnen zijn, ook binnen de beperkte ruimte die er voor de tentoonstelling was. Het verhaal wordt adequaat verteld en er hangen een paar mooie tekeningen, maar er wordt niet overtuigend verbeeld wat de invloed van de Rijksbouwmeester op de gebouwde omgeving is geweest.

 

• 200 Jaar Rijksbouwmeester loopt tot 5 november in het NAi, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00; www.nai.nl).